22e zondag door het jaar A (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 22e zondag · groen

Inleiding

‘Miserere mihi, Domine, quoniam ad te clamavi tota die.’ ‘Wees mij genadig, Heer, want zonder ophouden roep ik tot U.’ Met deze woorden zet de inleidingzang de toon van deze viering. In het evangelie begeeft Jezus Zich op weg naar Jeruzalem. De Koning komt naar zijn stad. Maar Hij is niet welkom. Hogepriesters en schriftgeleerden zijn tegen Hem. De Kerk laat aan dit evangelie Jeremia voorafgaan: “men lacht mij uit; iedereen drijft de spot met mij.” Dat heeft Petrus Jezus willen besparen: “Zoiets mag U nooit overkomen.” Hoe reageren wij, wanneer Jezus met ons de weg opgaat naar Jeruzalem? Beseffen wij dan wel, dat dat helemaal in de lijn licht van ons doopsel? Want wat is doopsel anders dan ondergedompeld worden in het watergraf van Jezus en door de kracht van de hemelse Vader daaruit worden opgewekt? Bij de zondagse eucharistie doen wij dit graag nog een keer over, zodat wij ons meer bewust maken van wat voor de meesten van ons onbewust gebeurde.

Homilie

“Gij laat U leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.” Staan die twee dan werkelijk zo tegenover elkaar, dat wat God wil, de kleine weg van het lijden en het kruis, en wat er in de aard van de menselijke natuur zit? Zijn lijden en sterven eigenlijk niet een heel natuurlijke zaak, de gewoonste zaak van de wereld? “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.” Is dat ook geen mensenwijsheid? Zo zingen we het toch in het lied: ‘Wie als een god wil leven hier op aarde, hij gaat de weg van alle zaad, van alle stervelingen, aan regen en zon prijsgegeven.’ De natuur doet het ons voor: sterven om te leven. Het is een natuurproces, en daarmee vergelijkt Jezus zijn eigen ten dode gedoemde leven: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt, blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort” (Joh 12,24).

Toch dienen deze vergelijkingen niet om het onaannemelijke aannemelijk te maken. Het kan nooit de bedoeling zijn dat het de mens vergaat als de natuur beneden hem, waarover hij door God als koning is aangesteld. Dat het de mens moet vergaan als een plantje, nog minder dan een dier, dat is vernederend voor de mens. Door deze vergelijkingen komt het schandaal eigenlijk alleen maar des te scherper naar voren.

Deze vergelijkingen dienen dan ook niet om het lijden aannemelijk te maken, om het als iets natuurlijks voor te stellen, maar om er de vruchtbaarheid van te verkondigen: “Wie zijn leven verliest (om Mijnentwil), zal het vinden.” Het lijden is niet natuurlijk. Het is niet naar de natuur. Dat merk je op het ogenblik dat je er persoonlijk door getroffen wordt of dat je geraakt wordt door het lijden van mensen die je dierbaar zijn. Dan word je niet getroost door vergelijkingen met de natuur, dat het in de wereld van de planten ook zo gaat, dat brengt op dat moment niet het minste inzicht of verlichting. Dat het de mens moet vergaan als een plantje, als een dier, is ook in tegenspraak met Jezus’ verkondiging: “Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven?” De ziel van de mens is volgens Jezus van onvergelijkelijke waarde. Anders dan bij de mussen is bij ons “ieder haar van ons hoofd geteld” (Mt 10,30). Daarom zijn wij “méér waard dan een zwerm mussen” (Mt 10,31). Het lijden van de mens is op zich genomen niet te verklaren en niet te begrijpen.

Wat binnen de geslotenheid van de menselijke natuur absoluut niet te begrijpen en te aanvaarden is, is dat wel binnen de navolging van Jezus. Het gaat niet om het lijden op zich, maar om het lijden in de navolging van Jezus. “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen … Wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden.” Jezus’ verwijt aan Petrus is nu juist dat hij zich uit de navolging van Jezus losmaakt: “Ga weg, satan, terug”, terug op je plaats ‘achter Mij’. Blijkbaar had Petrus zich losgemaakt van zijn plaats achter Jezus aan, als volgeling. Hij was bezwerend terzijde van Jezus gaan lopen. Toen Jezus Petrus riep, zei Hij: “volg Mij” (Mt 4,19), maar letterlijk staat er ‘achter Mij aan’. Zo werden ook de andere apostelen geroepen: ‘achter Mij aan’ (Mc 1,17, eveneens vertaald met “volg Mij”). Dat letterlijk achter Jezus aangaan werd bewaard in de kruisnavolging: “Wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt” (letterlijk: ‘achter Mij aangaat’), is Mij niet waardig" (Mt 10,38).

Jezus’ reactie mag wat autoritair schijnen, toch is het goed te zien waarom Jezus zijn gezag in het geding brengt: om zijn kleine weg te beschermen tegen de grootheidsaspiraties van Petrus. Het verschil tussen Jezus en ons is: wij willen een ‘goddelijke mens’, een mens die boven de gewone voorwaarden van het menselijke bestaan verheven is, en Jezus wil een ‘menselijke God’ zijn, een God die onderworpen is aan de voorwaarden van het gewone mensenleven. Petrus krijgt van Jezus te horen: ‘als je je losmaakt uit de positie waartoe Ik je geroepen heb’, de positie van een leerling, letterlijk achter zijn Meester aan, ‘maak je het jezelf onmogelijk om als leerling te volharden.’ De volgeling stapt in de voetstappen van zijn Meester. Hij baant zich niet een eigen weg waarbij hij hoogstens de manier van doen afkijkt van de meester die hem voorgaat. De bedoeling van dit letterlijk volgen,“in zijn voetstappen treden” (1 Pe 2,21) is dat er een geestelijke gemeenschap ontstaat tussen de Meester en de leerling die moet uitmonden in een geestelijke eenheid. Door Paulus uitgedrukt met de woorden: “Gij weet toch dat de doop, waardoor wij één zijn geworden met Christus Jezus, ons heeft doen delen in zijn dood? Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden leiden” (Rom 6,3-4). In het lijden worden wij van onszelf vervreemd. Wij ervaren het als zinloos, maar als Jezus erbij is, wordt alles anders, je leven wordt anders, maar vooral je lijden wordt anders en je sterven wordt anders. In het sterven met Hem aan het oude leven krijg je deel aan het nieuwe leven. Zonder persoonlijke band met Jezus gaat dat niet. Hij van zijn kant is die persoonlijke band met ieder van ons al aangegaan door Zichzelf in zijn lijden en sterven geheel vrijwillig aan ieder van ons weg te schenken. In de navolging van Jezus laten wij ons persoonlijk beminnen met zijn liefde tot het uiterste. Hij wordt de schat in de akker van ons hart die ons vol blijdschap al onze aardse schatten doet verkopen. Hij is de parel van grote waarde die de koopman alles eraan deed geven om die ene parel in bezit te krijgen. Met die overgrote liefde in ons hart zijn wij in staat alles te doorstaan. Wat vader en moeder zijn voor het opgroeiende kind, een veilige geleide naar de onveilige, vijandige, gevaarlijke buitenwereld, dat is Jezus voor alle mensenkinderen, klein en groot, een liefdevolle geleide door de onveilige, vijandige zone van lijden en dood.
Wat vieren wij in de eucharistie anders dan dat Jezus Zich vrijwillig overlevert aan lijden en dood, om de leerlingen die wij zijn, achter Zich aan te krijgen en zo deel te geven aan het nieuwe leven van de Vader? Gegroeid in dit nieuwe leven van de Heer zullen wij de kruisen van onze dagelijkse beslommeringen met grotere moed en overgave opnemen, ja, onze verbondenheid met Hem zal erdoor groeien.

Zoeken in Preken Online