Jezus volgen is riskant (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 22e zondag · groen

Denk je dat je iemand kent, en dan blijkt dat je je volledig op hem of haar verkeken hebt. Meen je iemand te kennen, en dan blijkt dat je er volledig naast zit. Soms geeft de persoon zelf er ook alle aanleiding toe. De ene keer komt iemand sympathiek over, begripvol, de andere keer blijkt de persoon vol onbegrip te zitten. Diezelfde persoon is dan geheel anders, snapt er niets van.
Heb je in je bedrijf iemand aangenomen, met goede papieren, goede diploma’s, goede referenties. En dan blijkt, na verloop van tijd, toch, dat de persoon helemaal niet is waar men dacht, helemaal niet beantwoordt aan wat men zocht, uiteindelijk heel anders is.
Denk je dat iemand het perfect begrepen heeft, en je feliciteert hem of haar nog: “uitstekend, dat heb je goed gezegd, ik ben trots op je”, en twee minuten daarna komt er een domme opmerking, waarbij je denkt: ‘nee, hij heeft er geen snars van begrepen’. Dezelfde persoon, één keer goed, raak, precies in de roos, de andere keer totaal ernaast.

U begrijpt dat we het weer eens hebben over Petrus, de boeiende figuur van Petrus, die ons zo sympathiek is, omdat hij zo menselijk is en zoveel blunders maakt. De ene keer trefzeker, de andere keer totaal de plank mis. De ene keer wordt hij geprezen omdat hij het zo goed begrijpt, de andere keer zet hij een kanjer van een blunder neer. Dat is Petrus. Eerst Jezus belijden als de Messias, en wat later, met een even stalen gezicht, hem loochenen. Eerst zaliggeprezen worden door Jezus, en twee minuten daarna op zijn nummer gezet worden.

U begrijpt het al: het evangelie van deze zondag en dat van vorige zondag vormen een tweeluik. We kunnen het ene niet los zien van het andere. Daarom begint het evangelie van vandaag met het ongebruikelijke: ‘Van dat ogenblik af …’ Vorige zondag werd Petrus geprezen vanwege zijn Messias-belijdenis, juist omdat hij zich níét liet leiden door “menselijke overwegingen”, vandaag wordt hij op zijn nummer gezet omdat hij zich juist wél laat leiden door “menselijke overwegingen” (v. 23).

Ach, het is hem ook te vergeven. Hij kan het lijden niet plaatsen. Zoals zovelen ook in onze tijd, die zeggen: ‘Als God bestond zou Hij het lijden niet toestaan’, en daarin een voldoende reden vinden om het geloof de rug toe te keren.
Nee, Petrus wist nog niet - en hij kon ook niet weten - dat lijden en dood nu eenmaal vragen oproepen waar geen antwoord op is. Ook wij hebben nog steeds geen antwoord op ziekte, lijden en dood. Als in een ziekenhuiskamer een kruisbeeld hangt, dat kan dat alleen maar betekenen, dat ook Christus op deze vraag geen antwoord heeft - geen ander antwoord dan zelf ‘mede te lijden’.
Dan wordt de Messias-belijder Petrus plotseling uitgemaakt als Satan. Satan, als hij Jezus wil verhinderen Zijn weg te gaan. “Ga weg, Satan”. Het klinkt maar twee keer in het evangelie van Matteüs. De eerste keer bij Jezus’ beproevingen in de woestijn, de tweede keer vandaag, tegen Petrus gezegd.

Ik wil vandaag geen cursus geven, maar het is toch verhelderend om te bezien wat het woord ‘satan’ precies betekent. Het betekent van oorsprong: ‘voor iemand gaan staan’, ‘tegenstander’, ‘sta-in-de-weg’, en dus in afgeleide betekenis: ‘aanklager’, ‘vijand’. Iemand die voor mij gaat staan, om mij te verhinderen door te lopen. Iemand die vóór mij gaat staan om mij te verhinderen mijn weg te gaan. Petrus, de Satan, probeert Jezus te verhinderen Zijn weg te gaan. Petrus is de Satan, de hinderpaal, de sta-in-de-weg.
Twee maal laat de evangelist Matteüs Jezus zeggen: “Ga weg, Satan”, eerst in de woestijn, nu tegen Petrus. Maar er is tussen beide uitspraken een wezenlijk verschil. De Duivel stuurt Hij gewoon weg. Tegen de Duivel zegt Hij: “ga weg, Satan”. Maar Petrus moet blijven. Vandaag zegt Hij niet allen “ga weg” maar Hij zegt erbij: “achter Mij…” Petrus is weliswaar de Satan, de wegversperring, maar hij wordt door Jezus niet weggestuurd. Petrus moet blijven. Hij moet Jezus blijven volgen. Daarom krijgt hij te horen: “achter Mij”, diezelfde woorden die Jezus altijd gebruikt wanneer hij volgelingen roept: “volg Mij”, “kom achter Mij aan”. Ja, Petrus, “achter Mij”, Ik ga voorop, Ik geef de richting aan, jij komt achter mij aan. Jij bent het niet die Mij de weg moet wijzen, Ik wijs jóú de weg. Jij gaat Mijn weg niet versperren, jij gaat Mijn weg volgen. En dat is niet een weg van de menselijke overwegingen, een weg van comfort, een weg van wat mensen vinden.
Wanneer Jezus daarna zegt: “Als iemand Mij achterna wil komen” (‘wie mijn volgeling wil zijn’) “moet hij zijn kruis opnemen”, dan gebruikt hij precies dezelfde woorden als het “Mij achterna” dat Hij ook tegen Petrus zegt. Zijn kruis opnemen. Uitleg krijgen we er niet bij. Over de zin van het lijden, ziekte, de dood. Jezus volgen betekent soms: de weg van de grootste weerstand nemen, wellicht het lijden tegemoet gaan, en niet begrijpen waarom, zoals wij het óók niet begrijpen, zoals wij, bij iemand die ziek of lijdend is, het óók niet kunnen uitleggen. Jezus volgen is riskant.

Zoeken in Preken Online