De belijdenis van Petrus, zijn erkenning van Jezus als Messias en Jezus’ aanduiding van Petrus als de rots waarop Hij zijn Kerk zal vestigen, worden vandaag gevolgd door de definitieve inzet van het drama van Jezus’ leven.
Jezus verbiedt zijn leerlingen nadrukkelijk iemand te zeggen, dat Hij de Christus, de Messias is. Maar aan henzelf begint Hij zijn lijden, dood en verrijzenis te voorspellen. Hij zal niet alleen de Messias-overwinnaar zijn, Hij zal ook de lijdende Dienaar zijn over wie Jesaja geprofeteerd had. Sterker dan dat, het is als lijdende Dienaar dat Hij zal overwinnen. Indien reeds Petrus protesteert tegen het vooruitzicht dat Jezus zal moeten lijden, dat Hij ter dood zal gebracht worden, indien reeds hij niet schijnt gehoord te hebben dat Jezus ook zegt dat Hij de derde dag zal verrijzen, hoeveel te moeilijker kan het volk dan de idee verdragen van een Messias die moet lijden?
Hier begint een langdurige catechese. Petrus en de andere leerlingen moeten de Schriften leren verstaan. Hoe normaal is het dat Jezus tegenover de anderen nog verbergt hoe God over zijn leven zal beslissen en op welke manier de Kerk tot stand zal komen.
Voor het volk leeft Hij, voor het volk zal Hij sterven, voor het volk zal Hij verrijzen, voor het volk zal Hij zijn Rijk vestigen. Maar het volk is niet rijp om de ergernis op te vangen van een Messias, een Redder, een Verlosser, die moet lijden.
Uit medelijden met het volk leeft Hij, maar het vooruitzicht van zijn eigen lijden dat steeds scherper wordt, draagt Hij alleen. Hij brengt het voor God in gebed, en nu pas brengt Hij zijn leerlingen op de hoogte van de kwelling van de dood in zijn eigen hart, Hij die alleen ‘om het hart van de massa’ leeft.
Het ministerie in Galilea loopt op zijn einde. De opgang naar Jeruzalem begint. Het is niet een opgang tot voor het sanhedrin en tot voor Pilatus, niet een opgang tot op Calvarie en tot op het kruis, maar een opgang, een opstijgen tot in de hemel. Het is alles verliezen om alles te winnen. Het is het kruis opnemen en dragen om te “komen in de heerlijkheid van zijn Vader”. Want zover reikt het perspectief van Jezus: Hij zal na zijn dood Gods Rijk binnentreden, vergezeld van zijn engelen, en Hij zal allen die Hem zullen gevolgd hebben tot bij zijn Vader leiden en hen naar hun daden oordelen. Op zijn oordeel zal de Vader hen tenslotte in zijn Rijk opnemen of verwerpen.
Dit alles zal beginnen met zijn verrijzenis. Velen onder Jezus’ toehoorders zullen dit alles nog zien gebeuren: ‘Ik zeg u: Er zijn er onder de hier aanwezigen, die de dood niet zullen smaken voordat zij de Mensenzoon zullen zien komen in zijn Koninkrijk’.
Tegenover dat perspectief heeft het geen nut ‘heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van zichzelf’. Tegenover dat perspectief moet de leerling Jezus ‘volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen’.
Het volk weet nog van niets. De leerlingen reageren niet. Petrus protesteert. Jezus, die de Satan vanaf het begin weerstaan heeft, weerstaat hem nu in hem. Hij zal hem weerstaan in de leerlingen. Hij zal hem tenslotte in allen weerstaan.
De Messias zal lijden en sterven, maar overwinnen.
Sinds het begin van het christendom leeft de strijd in het hart van eenieder die de woorden van Jezus hoort, tussen ‘menselijke overwegingen’ en ‘wat God wil’, tussen zijn leven verliezen en zijn leven redden, tussen een kruis onwillig en vruchteloos meeslepen en het opnemen en dragen tot in de heerlijkheid, tussen de zielige leugen van een leven in compromissen en de waarheid die bevrijdt en tot het echte leven leidt. Jezus is Petrus en de leerlingen voorgegaan, heel de Kerk zal volgen en belijden, elke verrijzeniszondag en elke dag, dat het leven sterker is dan de dood.