In Bijbelverhalen vind je soms een plaatsaanduiding, een zogenaamde geografische code, die van groot belang kan zijn voor een goed begrip. Vandaag speelt het verhaal zich af in Caesarea Filippi. Het is de grensstreek in het noorden van Israël waar de heidense tempel van Pan stond, gebouwd op de zijkant van een heuvelrug bij de drie bronnen van de Jordaan. Pan was de god van de herders, half-man, half-geit. Hij was de god die de vreemde geluiden in het woud veroorzaakte, god van pan-iek! Aangrenzend aan de tempel van Pan was een opening in een grot naar een groot rotsgebied die de door heidenen ‘Poorten van de hel’ of ‘Land van de doden’ werd genoemd.
Wanneer je het verhaal tegen deze achtergrond herleest, lichten een aantal dingen op: het beeld van een rots temidden van waterstromen waarop een nieuw heiligdom verrijzen zal; het beeld van de toegang tot het rijk der hemelen tegenover de zogenaamde ‘Poorten van de hel’ of het dodenrijk; het beeld van vertrouwen tegenover paniek en angst om wat de toekomst brengen zal.
Het decor blijkt belangrijk om het verhaal goed te verstaan. Je mag het voor je zien hoe Jezus op die plek de vraag stelt wat de mensen en wat de leerlingen nu over Hem denken. Simon, zoon van Jona, spreekt als eerste zijn gedachten uit: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’
Volgens Jezus is dat een goddelijke ingeving. Simon blijkt een veelbelovend leerling, één die bovenmenselijk begrip toont. En daarop volgt de ‘Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.’ Nogmaals: de plaats waar de belofte wordt gedaan, aan de grens van het Joodse land,aan de grens die toegang geeft naar de heidense wereld, kleurt die belofte in: de kerk van de Christus zal universeel zijn, geroepen uit alle volken.
Jezus’ boodschap is voor heel de wereld. Het moment van deze belofte markeert een beslissende wending op de weg van Jezus: vanaf nu trekt de Heer op naar Jeruzalem en voor het eerst zegt hij tegen de leerlingen dat deze weg naar de Heilige Stad de weg is naar het Kruis. Pas in het licht van zijn lijden en dood zal zichtbaar worden dat Hij de Messias is en wat zijn Messiasschap betekenen zal.
We weten dat dit meteen al het moment is waarop ‘de rots’ wankelen gaat: Simon Petrus kan Gods bedoelingen nog niet bevatten. De stroom van de gebeurtenissen, de kracht van de Geest, moeten aan de ‘rots van geloof’ nog vorm geven zodat hij zijn naam waar kan maken en Petrus, na Jezus’ dood en verrijzenis, voor- en met de andere apostelen een rots in de branding kan zijn, getuigen van het evangelie, tegen de stroom in.
Het charisma van Simon Petrus heeft zich in de loop van de kerkgeschiedenis ontwikkeld tot het Petrus ambt in onze Rooms Katholieke kerk dat dikwijls onder kritiek wordt gesteld in eigen kring en in de oecumenische dialoog, met name tussen oost en west. Het nadenken over de zin en betekenis ervan blijft altijd doorgaan. In zijn boek ‘Jezus van Nazareth’ schrijft paus Benedictus:
‘De overlevering heeft voor de Petrusbelijdenis een plek aangewezen, waar een overhangende rotswand boven de rivier de Jordaan aanschouwelijk maakt wat de woorden over de ‘steenrots’ betekenen.’ Die woorden hebben mij nieuwsgierig gemaakt om die plaats daadwerkelijk ooit te gaan zien en over de betekenis te mijmeren: heeft het rots zijn van Petrus te maken met het verbinden van twee oevers, twee werelden? Heeft het te maken met het behoeden van de levende stroom? Biedt het alleen uitzicht over het beloofde land, of is het een soort springplank om zelf de sprong van geloven te wagen en zo het rijk der hemelen binnen te gaan?
Misschien is het iets van allemaal en kan ook ons geloof daaraan een steentje bijdragen gevormd door de stroom van de tijd, de kracht van de Geest.