* Jezus heeft zich met zijn leerlingen in afzondering teruggetrokken in de Noorden van Galilea, vlak bij de Jordaanbronnen, in het dichte groen, in volle natuurpracht. Heel zijn evangelie houdt ten slotte verband met de erkenning van wie Hij feitelijk is. Tot hiertoe was zijn figuur bij het Joodse volk fel omstreden. Zijn leerlingen hadden al heel die tijd bij Hem vertoefd en moesten toch reeds aangevoeld hebben wie Hij wel mocht zijn. Hadden ze Hem al echt door ? Dat was de vraag.
* Simon-Petrus nam namens de groep het woord: “Gij zijt de Christus, de Messias”. En hij voegt eraan toe: “de Zoon van de levende God”. Reeds in het O.T. werd de titel “Zoon van God” op de Messias toegepast, maar ook op alle zonen van Israël. Doch voor Petrus is Jezus duidelijk “de” Messias, en niet “een” zoon van God, maar wel “de” unieke Zoon van God. Was zulke toevoeging toen reeds mogelijk ? Of heeft men pas na de verrijzenis deze woorden in Petrus’ mond gelegd ? En heeft Petrus van meet af de draagwijdte van zijn belijdenis begrepen ? Pas later zal hij inzien.
1. Reeds tijdens Jezus’ openbaar leven waren de signalen van wie Hij was overduidelijk.
-
Petrus’ belijdenis was gerijpt vanuit zijn maandenlange omgang met Jezus, vanuit zijn dagelijkse ervaring van wie Jezus was. De leerlingen waren de eerste luisteraars geweest van de bergrede, waarin Jezus met eigen gezag de wet interpreteerde: “Voorwaar, voorwaar Ik zeg u… " (Mt 5). Ze hadden gehoord hoe Hij zich stelde boven de Wet, boven de Sabbat en boven de Tempel, en hoe Hij in eigen naam zonden vergaf, wat alleen God kon. Ze hadden gehoord hoe Jezus voortdurend zijn identiteit met de Vader ter sprake bracht (Lc 10,22; Joh 7,29; 10,30…) en deze met zijn Ik-ben-woorden profileerde. Zij waren ooggetuigen van de verbazende tekenen die Hij deed. Op die wijze had Jezus onophoudelijk in zijn persoon God zelf tegenwoordig gesteld en voorgeleefd. Daaruit ontloken zoals ook na de stormen op het meer de bekentenissen als: “Gij zijt de Christus, de Zoon van God” (Mt 8,27; 14,33). Juist die titel zal later voor het sanhedrin weer opgenomen worden. Ook na de broodrede zei Petrus: “Gij zijt de Heilige Gods” (Joh 6,69), en na Pasen riep Thomas: “Mijn Heer en mijn God” (20,28). Die belijdenis was tijdens Jezus’ leven dus geen eenzame zwerfsteen.
-
Doch de vraag die Jezus eerst stelde was niet: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben ?” Maar: “Wie is volgens de mensen de ‘Mensenzoon’ ?” Hij omhulde de ware zin van de idee ‘Messias’, die al te zeer politiek was gewild, in de term van de ‘Mensenzoon’, zoals Hij ook het mysterie van het Rijk Gods, dat al te aards werd gezien, in parabelen had gekleed. Die naam vinden we bij de profeet Daniël (7): het beeld van de ware mens, zoals God die gedroomd heeft en die vanuit de hemel aan ons is geschonken: de uiteindelijke Mens die alle kwaad overwint. Door mens te worden bracht Jezus de ware menselijkheid op aarde. Als ‘Mensenzoon’ kwam Hij om zijn leven te geven voor velen (Mc 10,45). In liefde dienen zal de ware vorm van regeren zijn. Daarom zal Jezus’ goddelijk Messiasschap paradoxaal gaan doorheen de verwerping, doorheen zijn levensoffer als extreme daad van dienende liefde. Daar bereiken we het ware mensbeeld, de ware humaniteit zo vaak omgevormd, misvormd, en heidens ontluisterd. Deze dimensie moesten de leerlingen nog leren.
2. Vandaag vraagt Jezus zoals aan zijn leerlingen ook aan ons: “En wie zegt gij dat Ik ben” ?
-
Op de berg van de Espéluges in Lourdes staat de zeer gekende kruisweg, ontworpen door het huis Raffi van Parijs in de eerste jaren van vorige eeuw. Hij omvat 114 levensgrote beelden. Aanvankelijk stond de Christusfiguur gericht naar de rechter Pilatus. Dit Pilatusbeeld werd in 1983 opgeblazen. Dan heeft men de Christus gedraaid naar het volk. Ook in de nieuwe kruisweg beneden, kunstwerk van de Hongaarse beeldhouwster Maria-Zsuza de Faykod, gekapt uit blokken wit carraramarmer van drie ton, is de Christus van de eerste statie gekeerd naar de pelgrim. Hij kijkt ons in de ogen. Wij kijken naar Hem. Van gezicht tot gezicht. Zulke houding spreekt: Jezus wordt door ons beoordeeld of veroordeeld. Wij kunnen kiezen voor of tegen Hem. Wij spreken onze keuze uit. “Wie zegt gij dat Ik ben ?” Van welke Jezus dromen wij ? Vaak houden we van een Jezus die we zelf ontwerpen, naar onze smaak. Onze verlangens ontstaan meestal vanuit “vlees en bloed”, vanuit menselijke ik-overweging, en komen niet vanzelfsprekend van “de Vader die in de Hemel is”. Wij projecteren een Messias zoals wij die zelf willen, op gevaar af Hem te verwerpen als Hij niet aan onze verzuchtingen beantwoordt. Aanvaarden we Hem zoals Hij zich aandient ?
-
Anno 1985 zei Johannes-Paulus II in Leuven: “Jezus is het antwoord”. Het werd het thema van de missiemaand 1986. Dit woord wekte hilariteit: Hoe kan Jezus het antwoord zijn op onze actuele economische, sociologische en politieke vragen ? Maar eerst komt de vraag: van welke vragen leven wij ? Welke wereld willen wij ? In onze verlangens en verwachtingen leren we onszelf kennen. Onderzoek uw verlangens en ge zult weten wie ge zijt. Precies als Mensenzoon komt Hij naar ons toe. Door het zuiverend venster van het begrip ‘Mensenzoon’ leren we de ware zin van “Christus, Zoon van de levende God” verstaan. Dan leren we Hem kennen zoals Hij is. Als we Hem toelaten corrigeert Hij onze verlangens, verandert Hij ons leven. Dat zal onze pijn zijn, maar het wordt onze grote vreugde. Pas dan kan de wereld langzamerhand echt genezen door Hem.