Ik zou jullie vandaag eens iets willen zeggen over het merkwaardig evangelie van deze dag: het is het verhaal van Jezus die van gedacht verandert. Het is een sterk verhaal. Een vrouw, een heidense - geen Joodse - spreekt Jezus tegen en Hij zal haar gelijk moeten geven. Hij zal erkennen dat Hij verkeerd was. Geef toe dat we zoiets niet gewend zijn.
Jezus was op weg naar de streek van Tyrus en Sidon. Dat was het land van de heidenen. Heidenen werden door de Joden hardvochtig ‘honden’ genoemd. Een van hen, een heidense vrouw, liep luid roepend Jezus achterna. Ze smeekte om redding voor haar dochter die gekweld werd door boze geesten. Maar Jezus trok er zich niets van aan. Hij deed alsof hij haar niet hoorde. Die vrouw bleef maar aandringen. Dat werkte op de zenuwen van de leerlingen van Jezus.: “Stuur die vrouw toch weg”, zeiden ze.
Jezus zei toen iets wat helemaal niet past in het beeld dat we over Hem hebben. Het beeld dat Hij gebruikt is choquerend. Hij vind het niet goed het brood dat voor het uitverkoren volk bestemd is aan de honden, de heidenen, te geven. Dat is pure discriminatie. In die tijd werd dat zo niet aangevoeld. Achteraf gezien strookt dat echter helemaal niet met andere uitspraken in het evangelie. Denk maar eens aan het verhaal van de barmhartige Samaritaan in het Lucasevangelie (10e hfst.). We zitten hier dus met een probleem. We herkennen Jezus niet in zijn reactie.
De Kananese vrouw laat zich echter niet uit het lood slaan. Zij zet Jezus schaakmat door te zeggen dat ze genoegen neemt met de kruimels die van tafel vallen, want de honden doen dat toch ook? Ik heb de indruk dat Ons Heer verschoten is van dit antwoord. Hij zat met zijn mond vol tanden, als ik het zo mag uitdrukken. Hij moet ten diepste geraakt geweest zijn door die woorden.
Die ontmoeting kan men interpreteren als een ommekeer in zijn zending. Een doorbraak naar de heidenen toe. De vreemdelingen breken plots door in het leven van Jezus. Hij schijnt plots te beseffen dat Hij er niet alleen is voor zijn eigen volk, maar ook voor de heidenen.
[Tussen haakjes toch deze opmerking: we zeggen zo vaak dat Jezus echt mens was… ook in zijn manier van denken en handelen. Hier is het duidelijk: Hij geeft toe dat hij zich kan vergissen en dat hij van houding moet veranderen.]
We kunnen daar ook lessen uit trekken. We moeten het toegeven dat wij onze manier van doen en denken vaak als norm nemen voor het doen en denken van anderen. Zo vergelijken wij vreemdelingen altijd met onze manier van leven. Wij christenen nemen vaak ons geloof als enige norm van handelen, zeker als het gaat om anderen. Of anders gezegd: wij hier in het Westen zijn niet langer de norm die bepaalt hoe mensen overal ter wereld moeten leven en denken. En dat wordt een hele opdracht als we met die mensen moeten leren leven. De vreemdeling in ons midden vraagt om een omgekeerd perspectief. Om een nieuwe wending in ons christen_zijn. We kunnen onmogelijk nog vasthouden aan :“Wij christenen zijn de goeden en de anderen de slechten of althans de minder goeden.”
Jezus heeft eerbied voor deze vrouw met een ander geloof. Dat wil dus zeggen dat Jezus tolerant is en zijn eigen geloof niet opdringt.
Wij moeten dit goed voor ogen houden. In onze aardse wereld is niets absoluut. Bij een commentaar op dit evangelie las ik het volgende. “Niets kan aanspraak maken op een goddelijk statuut. Geen enkele norm of wet, geen kerk, geen traditie, geen principe. God is ook geen autoritaire machtsinstantie die je via allerlei godsopvattingen of normen kan opleggen aan anderen.” Dit is straffe taal, maar we moeten er toch eens goed over nadenken.
Om tot vrede t(e komen met andersdenkenden moet men in dialoog treden, in openheid en respect voor de ander. Dat is veel meer dan slappe ‘verdraagzaamheid’! We moeten de nederigheid hebben om te willen leren van anderen maar ook de fierheid dat wij waarden aan te bieden hebben zoals deze van het evangelie van vandaag. Zoals Jezus die uiteindelijk in dialoog treedt met die Kananese vrouw.
Dat kan ook bij ons leiden tot een ommekeer. Wat hebben joden ons te zeggen vanuit hun geloof? Ik zie haast elke zondag rond half tien naar een uitzending in Parijs over de Joodse godsdienst. - En wat hebben moslims ons te zeggen? En boeddhisten? En de vele ongelovigen die vroeger ‘heidenen’ werden genoemd? En wat hebben wij christenen hen te zeggen? Het is noodzakelijk dat we onze vooroordelen tegenover hen afleggen. Hen negeren of miskennen is niet christelijk. Dat wil niet zeggen dat er geen toestanden zijn waarmee we het niet eens zijn. Het wil wel zeggen dat we wat waardevol is moeten kunnen waarderen en respecteren.
Bij het ontstaan van het christendom is het zo gegaan. Paulus, die een echte Jood was, heeft aan de heidenen, die christen werden, de eisen van de mozaïsche Wet niet opgelegd. Joods_christenen leefden aanvankelijk anders dan christenen uit het heidendom.
Hoe staan wij, christenen, tegenover velen die niet langer kerkelijke voorschriften willen onderhouden? Accepteren wij hun anders_zijn? Hoe gaan we om met de manier waarop zij geloven of niet meer geloven? Jongeren worden wel eens de moderne heidenen genoemd. Veel vurige katholieken ergeren zich aan hun levenswijze. Ik stel me dan wel eens de vraag of zij soms geen redenen hebben om zich wel eens te ergeren aan onze manier van doen?
Kijken we altijd naar het wezenlijke, de kern van het christendom. Dat is de liefde. De liefde van Jezus die zich keert naar deze heidense vrouw. De liefde van de barmhartige Samaritaan. Van de Vader voor zijn verloren zoon. Die liefde is - ik zou haast durven zeggen - de enige absolute norm.
Inspiratie gevonden bij Rob Moens, dominicaan, Genk