Het evangelie kent, althans in mijn beleving, doorlopend één
hoofdpersoon: Jezus. Hij is de held in het verhaal, en de anderen zijn
figuranten, of vervullen bijrollen die onze aandacht des te meer
richten op de hoofdrol van Jezus. In die rol van aangever zijn zij zijn
leerling, (on)gelovig, zondaar, zieke, bangerik, twijfelaar, en zo
maken zij het ons gemakkelijk om ons in hen te verplaatsen, en via hen
beter te gaan begrijpen wie Jezus voor hen was en voor ons zou kunnen
zijn.
Vandaag is voor mij in het evangelie niet Jezus de hoofdpersoon, maar
die Kananese vrouw. Wat een geweldig mens is dat, en wat heb ik een
diep respect voor haar.
Het lijkt wel alsof ze voor Jezus kruipt, en misschien doet ze dat ook
wel, maar ze kent precies haar eigen grenzen, en is bereid daar
overheen te gaan. Omwille van haar zieke dochter is ze bereid zich de
beledigingen van die Joodse man te laten welgevallen. Ze accepteert dat
hij haar met een hond vergelijkt, ze gaat er ook niet tegenin, maar
gaat zelfs mee in de vergelijking en probeert daarin te krijgen wat zij
voor haar dochter nodig heeft. Zou ze zo weinig zelfvertrouwen hebben
dat ze zichzelf als een hond beschouwde, dat ze niets meer waard is dan
de kruimels die de hoge Joodse heren van hun tafel laten vallen? Nee,
zo ver gaat ze uit liefde voor haar dochter, zo sterk is haar
moederliefde dat ze omwille van haar dochter bereid is dit te
accepteren. Zo sterk is deze vrouw.
Het doet me denken aan Paulus VI die voor het eerst in eeuwen als paus
de patriarch van de orthodoxe kerk in het Vaticaan zou ontvangen.
Vooraf waren er allerlei adviseurs die tips hadden over de opstelling
van de stoelen zodat op subtiele wijze zou blijken dat de paus toch net
een trapje hoger stond dan de patriarch. Op het moment van de
ontmoeting kwam de paus van zijn zetel, ging naar de patriarch, boog
voor hem, kuste zijn voeten en zei: “Ik wil geen macht, ik wil
vriendschap.”
Natuurlijk kun je zeggen: Jezus doet maar net alsof om haar reactie uit
te lokken, om haar geloof (en vertrouwen) te wekken. Dat zou misschien
in het beeld van het Johannesevangelie passen, waar Jezus de goddelijke
held is die alles van tevoren weet, en alles alleen nog maar hoeft uit
te voeren om zo te komen tot de verheerlijking van hemzelf en zijn
hemelse Vader. Hier in het Matteüsevangelie lijkt het mij eerlijker om
te durven constateren dat Jezus oprecht verbaasd en onder de indruk is
van deze vrouw: “Groot is uw vertrouwen.” Als wij daardoor ons beeld
van Jezus moeten bijstellen, erkennen dat hij hier vooral een mens is
die in de loop van zijn leven en zijn roeping mag groeien, het zij zo.
Laten we de verschillende beelden van Jezus niet wegpoetsen, maar blij
zijn dat we vier evangeliën hebben en dit als verrijking beleven.
Overigens zouden we door de indrukwekkende ontmoeting van Jezus met
deze prachtige vrouw haast vergeten wát zij hem leert, namelijk dat
Gods heil en Jezus’ zending zich niet alleen tot de Joden beperken,
maar dat ook de andere volken hierin mogen delen.
Dat is ook de boodschap van Jesaja van ruim zeven eeuwen voor Jezus,
die ondanks dat Jesaja als een van de grote profeten werd gezien,
kennelijk toch geen gemeengoed was geworden. Het was kennelijk een
inzicht dat bij sommigen was doorgedrongen, en slechts met horten en
stoten geaccepteerd werd. Jesaja zegt hier dat voor God niet de
nationaliteit beslissend is, niet de bloedband, niet of iemand besneden
is, of zich aan de rituele handwassing houdt, maar vooral recht en
gerechtigheid, het onderhouden van de sabbat en een ander geen kwaad
doen.
Twee weken geleden lazen wij over de broodvermenigvuldiging. Toen werd
het volk van Israël, vijfduizend in getal, gevoed met vijf broden. Net
als twaalf is ook vijf een getal dat verwijst naar Israël, denk maar
aan de vijf boeken van Mozes en de vijf boeken van de Psalmen. Twee
weken geleden heb ik u gezegd dat er nog een tweede
broodvermenigvuldiging is, en heb u toen beloofd hier op terug te
komen. Dat tweede verhaal volgt namelijk meteen op de ontmoeting van
Jezus met de Kananese vrouw, maar is in ons zondagse lezingenrooster
weggelaten, kennelijk omdat men dacht: dat hebben we al gehad, maar
volgens mij is dit verhaal werkelijk - en zelfs letterlijk - een
aanvulling op het vorige.
Ik vertelde u toen dat er in de tempel op de sabbat altijd twaalf
toonbroden werden neergelegd, die de twaalf stammen van Israël
vertegenwoordigden. In het eerste verhaal over de
broodvermenigvuldiging hoorden we over de vijf broden, in het tweede
verhaal, dat volgt onmiddellijk op het evangelie van vandaag, wordt ons
verteld van (de overige) zeven broden. Zeven is het getal van de
volkeren die Israël omringen: “de Hethieten, Girgasieten, Amorieten,
Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, zeven volken,
talrijker en sterker dan uzelf” staat in het boek Deuteronomium (7,1).
Die zeven broden blijken nu voldoende en dan blijven er nog zeven
manden over, en er zijn vierduizend aanwezigen, misschien een
verwijzing naar de vier windstreken waar alle volkeren vandaan komen.
Kortom, de profeet Jesaja en deze verhalen leren ons dat zonder enige
twijfel het volk van Israël op de eerste plaats komt, maar dat ook de
overige volkeren daarin mogen delen. Daarover gaat het in de combinatie
van de beide verhalen van de broodvermenigvuldiging en in de discussie
met de Kananese vrouw over de messiaanse overvloed, Gods liefde die zo
groot is dat niet alleen Israël maar alle volkeren er in mogen delen.
“Heel de aarde jubelt en juicht voor de Heer, alleluia, alleluia.”
(Psalm 67) Wij mogen juichen voor de Heer, de God van Israël, Hij wiens
Naam zegt: Ik ben met jullie.
De Kananese accepteert als niet-Joodse dat het heil uit de Joden komt,
en leert ons een prachtig gebed, dat heel Joods is waar Jezus met een
messiaanse titel wordt aangesproken als zoon van David: “Heb medelijden
met mij, Heer, zoon van David.” Als niet-Joden mag dit ons vandaag met
de Kananese vrouw tot grote vreugde stemmen, en tegelijkertijd ook
enige bescheidenheid bijbrengen.
Met Jezus onze grenzen verleggen (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 20e zondag · groen