Heidenen vergelijken met honden lijkt ons heel onfatsoenlijk, maar het schijnt in Jezus tijd niet ongewoon te zijn geweest. De joden keken neer op wie niet tot Gods uitverkoren volk hoorden. Maar Jezus kennen we zo eigenlijk helemaal niet.
Een niet-joodse moeder vraagt hulp voor haar zieke dochter. En Jezus doet of Hij haar niet hoort. En als ze blijft aandringen, zegt Hij: ‘Ik heb het druk genoeg met mensen van mijn eigen volk’. Maar het is een volhoudster zoals bijna alle moeders als het gaat om het belang van hun kinderen: ‘We kunnen dan wel heidense honden worden genoemd, maar ik ben al tevreden met een beetje, met de kruimels. Toe, help me alsjeblieft!'.
‘Vrouw’, zegt Jezus, ‘wat heb jij een groot geloof. Je wens wordt ingewilligd; je dochter is genezen.
En zo maakt Jezus deze vrouw, een vreemdelinge, iemand die daar en nergens thuishoort tot voorbeeld van alle joodse volksgenoten, die weliswaar de joodse religieuze wetten en regels nauwkeurig onderhouden, maar hun liefde reserveren voor de mensen van hun eigen soort.
Met dit voorval maakt Jezus ons echter duidelijk dat onze liefde en zorg niet mag ophouden bij de eigen voordeur, je eigen familie- of vriendenkring, je eigen landsgrenzen of de muren van je eigen kerk.
De aandacht die Jezus aan deze en andere vreemdelingen besteedt, staat in tegenstelling met de joodse houding van toen en is ook heel anders dan onze houding. Wij, die ook te vaak in vakjes en kringen denken. Wie vreemd en anders doen, lopen we al gauw voorbij. Niet zij, maar wij gedragen ons wel eens ‘honds'.
‘Die mensen komen van elders en horen hier niet thuis, die kunnen ze maar het beste terugsturen, ze nemen onze huizen in’. Maar wat doen we dan met die broer van ons die in de ja¬ren vijftig emigreerde omdat er voor hem toen hier geen toekomst was… Of: ‘Hij of zij komt nooit in de kerk, maar als er getrouwd wordt…’. Jawel - dat denk ik ook wel eens - maar bij nader inzien ontdek ik ook bij hen een heimwee naar geloof en hopen ook zij op zegen. En dus rollen we ook voor hen natuur¬lijk evengoed de rode loper uit.
We mogen het geluk, de grond, het geloof, het land, de kerk niet voor onszelf reserveren. Hoe meer Jezus met mensen omging, hoe ruimdenkender Hij werd. Hoe meer Hij hun achtergrond en goede bedoelingen kende, hoe ruimhartiger Hij was.
Hij sloopte de muren van het eigen belang, het eigen gelijk en het eigen geloof. Hij noemde God ónze Vader en alle mensen¬kinderen broers en zussen van elkaar. Dat moeten we ons goed realiseren telkens als we bidden. Want Hij heeft ons geleerd te bidden: Onze Vader…