20e zondag door het jaar A

A-cyclus · Tijd door het jaar · 20e zondag · groen

TWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR – A

Zondag 16 augustus 2026

Evangelielezing: Matteüs 15, 21-28.

Elke ontmoeting kan grenzen verleggen

We lezen in het evangelie over de ‘bekering’ van Jezus. Een Kananese vrouw - een vreemdelinge en andersgelovige – breekt zijn wereld open, zodat er vanaf dat moment voor Hem geen grenzen meer kunnen bestaan tussen mensen, religies en volkeren. Elke interreligieuze dialoog is een kans tot ‘open-baring’. Christenen en andersgelovigen worden daarbij uitgedaagd om van grensgebieden ‘ontmoetingsplaatsen’ te maken. Dat veronderstelt dat zij allereerst de moeilijke ‘ontgrenzing’ van hun eigen geloof bij zichzelf durven toelaten.

OVERWEGING

Een scène met drie hoofdpersonen : zij, hij en op de achtergrond de duivel. Een scène, zeg dat wel. Zij, ten einde raad met haar bezeten dochter. Hij, op reis, alle aandacht voor zijn eigen joodse volk. Hij komt niet voor haar. Niet voor “de anderen”. Zij komt wel voor hem. Met heel haar wanhoop, met haar verdriet. Omdat het geen leven meer is. De duivel gaat het winnen.

Zie je het voor je : de demon heeft de dochter bij de keel. De vrouw grijpt de voeten van Jezus, maar hij klampt zich vast aan zijn zending : “ Alleen het eigen huis van Israël!” Maar geloof laat zich niet wegsturen. Het wordt een ware krachtmeting over en weer.

De vrouw vraagt om genezing. Hij gaat er niet op in. Er zijn grenzen. Hij komt niet voor haar, een Kanaänitische, een vreemdelinge in die dagen. Maar zij gelooft. En vraagt opnieuw : Heer, help mij! De stem van de doorzetter. Een pleidooi tegen de demon, die bezit heeft genomen van een meisje en vorstelijk haar leven regeert. Een pleidooi om recht aan de voeten van Jezus die de duidelijke roep van de Tora : “ Bescherm de vreemde!”, vergeten was.

Deze vrouw verzet zich tegen dat harde woord van Jezus : “ Het brood is niet voor de honden. Er zijn grenzen en jij staat er buiten. Brood is alleen voor de kinderen van Israël”. De Kanaänitische, de vreemde mag nu weggaan, terug achter de grens.

Maar juist nu richt zij zich op, groot, stralend in haar geloof, vertrouwend op het levenswoord van Gods Tora : “ Heb lief de vreemde!”

De rollen zijn omgedraaid. De vrouw bekeert Jezus. En Jezus herkent haar woorden. Zij spreekt Gods stem. Hij bekeert zich. Hij overschrijdt een grens. Vanaf dat moment wordt Jezus’ liefde grenzeloos, grenzeloos als de liefde van God.

	(Vrij naar Waarheen jij gaat, zal ik gaan,
	 bundel Franciskaanse gebedsdiensten)

Deze scène vormt een belangrijk scharniermoment in het evangelie van Matteüs. Deze ontmoeting markeert een overgang in tijd en ruimte, een transformatie van Jezus’ missionair besef, een herijking van zijn eigen identiteit. Matteüs schreef een paar jaar later zijn evangelie. Hij had Marcus voor zich liggen, maar herschreef het vanuit zijn context. Bij dit verhaal voegt hij iets toe: ‘O!’. ‘O, vrouw, groot is uw geloof!’ (Matt. 15, 28). Door die ‘O!’ wordt de vreemde vrouw van Matteüs ineens groter, mooier. Het is alsof Jezus door die ‘O!’ aan God vraagt mee te kijken naar die vrouw: ‘Zie nu toch eens’! Niet naar een vrouw die in de eerste plaats fysisch mooi is, - dan had Hij die ‘O!’ wel eerder gezegd – maar naar een vrouw die Hem verrast door haar visie op de verhouding tussen Israël en de volkeren, tussen eigen volk eerst en de vreemdelingen. Jezus is volstrekt verrast, ja overdonderd! Hij geeft onmiddellijk, ruiterlijk en in het openbaar toe: ‘O, vrouw, jij hebt een groot geloof!’ In die ene letter ‘O!’ proef je nog de vreugde van de verwondering. Wat een ‘O!’penbaring!

Ontmoeting - Stef Bos

Je moet van twee kanten komen om elkaar te ontmoeten. Je moet eigenlijk toevallig onderweg zijn. Je moet geen doel voor ogen hebben en je moet laten gebeuren waarvoor je bang bent. Je moet niet alles willen verklaren. Voor je het weet verklaar je elkaar de oorlog. Je moet van twee kanten komen om elkaar te ontmoeten. Je moet jezelf in de ander durven zien zonder in die ander te verdwijnen. Het kan opeens zomaar voor je staan. Het lijkt op iets om uit de weg te gaan.

Dat is het vreemde van geluk:

je maakt het waar of je maakt het stuk. Het kan jou bedreigen, het kan jou behoeden.

Maar je moet van twee kanten komen om elkaar te ontmoeten.

Paus laat half miljoen jongeren roepen: ‘Kerk is voor iedereen!’

Kerknet - 4 AUGUSTUS 2023 - 11:06

Honderdduizenden enthousiaste jongeren luisterden in het centrum van Lissabon naar een eerste toespraak van paus Franciscus. Honderdduizenden jongeren uit de hele wereld heetten paus Franciscus gisterenavond welkom in Lissabon. In een open pausmobiel reed de paus door de stad terwijl pelgrims en inwoners hem toejuichten. In het Parque Eduardo VII, omgedoopt tot ‘Ontmoetingsheuvel’, hadden zich intussen een half miljoen jongeren verzameld. Franciscus drukte de jongeren op het hart dat God hen heeft geroepen en hij moedigde hen aan om zich met hun vragen tot Jezus te wenden. ‘Hij geeft je geen simpele antwoorden - hij is namelijk geen zoekmachine, maar een echte vriend. Jij vraagt hem wat je nodig hebt en je begint in jezelf andere vragen te voelen: dat zijn Zijn vragen die je ziel ten diepste raken.’  De paus las voor uit een brief die een jonge gelovige hem had gestuurd: ‘Ik voel dat in mijn parochie geen plaats is voor fouten’, citeerde de paus. ‘Ik weet dat er mensen zijn die me niet accepteren en die denken dat er voor mij geen plaats is.’ ‘De Kerk is er voor iedereen’, benadrukte de paus. ‘Para todos!’, zei hij in het Spaans, en liet het de honderdduizenden jongeren herhalen: *‘Todos, todos, todos!’ * De jongeren zwaaiden met de vlaggen van hun land, zongen, applaudisseerden, verbroederden, juichten en dansten.  *Ik verkies een gehavende Kerk - gekneusd en vuil - omdat ze de straat is opgegaan, eerder dan een Kerk die ziek is, omdat ze in zichzelf is opgesloten, gehecht aan het comfort van haar eigen zekerheden. Ik hou niet van een Kerk die in het middelpunt wil staan en die uiteindelijk de gevangene wordt van een kluwen van bepalingen en procedures. Meer dan de vrees ons te vergissen in allerlei theologische en dogmatische kwesties, hoop ik dat we bezield blijven door de vrees opgesloten te zitten in structuren die ons een valse bescherming geven, in normen die ons tot onverbiddelijke rechters maken, in gewoontes waarin we ons comfortabel voelen, terwijl er buiten een uitgehongerde menigte wacht en Jezus maar voor ons blijft herhalen: “Jullie moeten hun te eten geven!” (Matt. 14,16). * (Paus Franciscus in ‘EvangeliiGaudium’, par. 49

Beeld van Omer Gielliet – The House of Compassion Brussel

Ontmoeting

Een mens gaat

en zoekt zijn weg

en ontmoet een

ander

-uit hetzelfde

hout gesneden-

zo nabij als

mogelijk

maar ook met de

nodige afstand.

Mensen

ontmoeten elkaar.

Ze spreken een

goed woord tot

elkaar

en zwijgen de

grote stilte.

En ze gaan verder,

elk zijn eigen weg.

Tekst bij het beeld van Omer Gielliet – The House of Compassion Brussel

samenstelling: geert dedecker


VAN GRENSGEBIEDEN ONTMOETINGSPLAATSEN MAKEN…

Commentaar bij Matteüs 15, 21-28 – over het belang van de ‘interreligieuze dialoog’

Toespraak in de cyclus ‘De monotheïstische godsdiensten’ – De Lier - zondag 14 januari 2018.

We hebben zopas uit het Matteüs-evangelie het verhaal gelezen van de ontmoeting van Jezus met een Kananese vrouw. Het is een scène met drie hoofdpersonen: zij, Hij en op de achtergrond een dochtertje - symbool bij uitstek in de Schrift van kwetsbare hoop op de toekomst. Maar die toekomst is in gevaar, want het ‘kleine meisje hoop’ is door een boze geest bezeten. Het wordt een hele scène, zeg dat wel. De vrouw mààkt er een scène van, ten einde raad als ze is omwille van haar bezeten dochter. Maar Hij hoort haar niet. ‘Geen commentaar’ zegt Hij, als een volleerd politicus die heel wat cursussen mediatraining heeft gevolgd. Al Zijn aandacht is nog altijd toegespitst op Zijn eigen volk binnen de grenzen van Israël; Hij zit nog vast in de uitzichtloze, verharde discussie die daar volop woedt over ‘rein en onrein’. Hij is niet voor hààr naar hier gekomen. Niet voor ‘de anderen’. Zij echter komt wel voor Hèm. Met heel haar wanhoop en verdriet. Zo is het voor haar geen leven meer. De toekomst lijkt verloren spel, en geen moeder ter wereld kan zoiets verdragen – en al zeker deze ‘Moeder Coerage’ niet…

We schrikken van de harde, de letterlijk ‘cynische’ reactie die Jezus in tweede instantie geeft (ware het vandaag gebeurd, dan zou hij deze boodschap wellicht ‘Franck en vrij’ de hele wereld rond ge’twitterd’ en ge’trumpt’ hebben..): ‘Het brood is niet voor de honden. Er zijn grenzen en jij staat daar buiten. Brood is alleen bestemd voor de kinderen van Israël’. ‘Toch wel, Heer!’, zegt zij. ‘Toch wel!’ Er kan hoogstens een niveauverschil zijn tussen jou en mij. Een kwestie van ‘op’ of ‘onder’ de tafel, en als de nood het hoogst is, maakt dat niet zoveel uit. Want ‘brood’ is ‘brood’ – zeker voor wie honger heeft, zoals ik. Geeft niet uit welke geloofstrommel het vandaan komt. Maar Jij beweert dat Je het overvloedig in jouw bezit hebt, en ik heb het nodig. Wat ons verbindt is, dat wij beiden ‘mensen’ zijn, kinderen van dezelfde Vader. Een handvol kruimels empathie van jouw brood zijn voor mij meer dan genoeg…

En Jezus ‘bekeert’ zich – of beter: die vreemde, anders-gelovige vrouw bekeert Hèm. Hij keert zich helemaal om - van het eigen volk weg naar haar en haar diepste vraag toe. Straks, in Matt. 15, 32, onmiddellijk na deze grensverleggende en openbarende ontmoeting, zal Hij zeggen dat Hij ‘medelijden voelt met àl die mensen in nood, àl die vele mensen die honger hebben naar brood’. Matteüs heeft deze universaliteit van het heil, van de genade en van de empathie verderop in zijn evangelie heel sterk benadrukt. Hoe zou dit merkwaardige evangeliefragment ‘in Gods-naam’ (!) in het evangelie van Matteüs terecht gekomen zijn? We mogen veronderstellen dat de gemeente waarmee hij verbonden was te kampen had met hevige weerstand, toen ze voor haar ogen de toeloop van ‘heidenen’ tot de joods-christelijke ‘kerk’ zag gebeuren. Wat Jezus tot twee keer toe zeer afwijzend tegen die vreemdelinge zegt, vertolkt waarschijnlijk de gedachten van velen toendertijd in die joods-christelijke gemeente. Zij moesten in het reine (!) komen met de realiteit dat de christelijke beweging én de toenmalige maatschappij meer en meer gemengd en divers van samenstelling werd. Matteüs wilde daar iets aan doen. En liever dan een theologisch en theoretisch discours voor te leggen aan zijn mensen, gaat hij een verhaal vertellen. Dat doen bijbelse schrijvers en vertellers immers altijd weer. Wanneer zij belangrijke zaken duidelijk willen maken, vertellen of verzinnen zij een verhaal… (Niet toevallig past Matteüs het verhaal hier in, direct na een hevig en uitzichtloos twistgesprek met de Schriftgeleerden en Farizeeën over die kwestie van ‘rein en onrein’ - Matt. 15,1-20) . Met dit verhaal wil hij aan zijn gemeenteleden zeggen: op het moment dat je ingaat op de concrete nood waarin daadwerkelijk geholpen moet worden, op het moment dat je de dialoog aandurft en de ontmoeting riskeert met een ander mens ‘van aangezicht tot aangezicht’, blijkt veel theoretisch en theologisch geredeneer en gediscussieer (over het dragen van de hoofddoek op openbare plaatsen, over de grootte van religieuze kentekens, over het onverdoofd slachten of het al op niet mogen plaatsen van een kerststal voor het gemeentehuis – ik zeg maar wat…) vaak weinig zoden aan de interreligieuze dijk te zetten. Omdat die ‘andere’ vanuit zijn of haar concrete nood in de eerste plaats gewoon een mèns blijkt te zijn als jij, met dezelfde hunker naar ‘brood’ en leven volop. En enkel wanneer we dààr van uit gaan, kan de échte dialoog over de waarde en de betekenis, over de ‘waar-achtigheid’ vooral van ons wederzijds geloof volwaardig starten.

Deze scène vormt een belangrijk scharniermoment in het evangelie van Matteüs. Ze brengt een transformatie mee van Jezus’ missionair besef en een herijking van Zijn eigen religieuze identiteit. Matteüs laat uitschijnen dat de ‘heidense’, Kananese vrouw bij deze doorbraak een beslissende rol heeft gespeeld. In zijn compositie is dit verhaal een keerpunt geworden waarrond letterlijk het gehele evangelie ‘draait’. De blik wordt verruimd en het doelpubliek wordt uitgebreid. De eigen religieuze identiteit wordt opengebroken. Van een boodschap voor Israël alleen, wordt het evangelie nu ineens goed nieuws voor àlle volkeren.

‘Groot geloof’ noemt Hij de houding van die vreemde, anders-gelovige vrouw. Zoals Hij eerder ook de aandringende argumentatie van een Romeinse honderdman al had bestempeld (Matt. 8,10). Juist bij hen – mensen van buiten Israël – viel het blijkbaar zo sterk op. Maar het is goed dat wij ‘christenen’ het nog eens duidelijk horen: schreeuwen om ontferming en opkomen voor een kwetsbare andere is ‘groot geloof’; huilen en knielen, smeken en aandringen, zelfs je even laten vernederen maar toch doelbewust doorbijten is ‘groot geloof’. Eigen-wijze, aanhoudende stappen zetten naar wie vreemd en anders is – dat allemaal en zoveel meer is ‘groot geloof’…

Het is verder ook opvallend dat deze ‘heidense’ vrouw Jezus onomwonden aanspreekt als ‘Heer’ (Kyrie), en met de typisch Joodse eretitel ‘Zoon van David’. Zo erkent zij dat Hij tot de traditie van Israël behoort, en laat horen dat zij weet heeft van die traditie en er respect voor betoont. Tegelijk weet zij Jezus heel trefzeker aan te spreken bij het beste en meest kenmerkende van Zijn Joodse religieuze identiteit: dat men gehoor geeft aan wie om ‘brood’ vraagt, en dat men wie om hulp vraagt niet aan de kant laat staan. ‘Sjema Israël – Hoor Israël!’ Zo begint vanouds Zijn geloofsbelijdenis – en zij wèèt dat. Hier gebeurt dus iets van twee kanten. De niet-joodse begint met iets van het unieke van Israël te erkennen; en bijna op hetzelfde moment ontdekt de Zoon van Israël een ‘groot geloof’ buiten Zijn eigen volk. Zo’n wederzijdse erkenning en herkenning behoort tot het mooiste wat een mens kan overkomen.

Ons hele kerk- en geloofsverhaal moet vanuit de interreligieuze dialoog en ontmoeting worden herschreven…

Het verhaal van de Kananese vrouw staat niet voor niets tussen twee verhalen van broodvermenigvuldiging ingekaderd. Matteüs heeft immers direct ook de consequentie ingezien van de ‘bekering’ van Jezus: na het wondere verhaal van de ontmoeting met de Kananese vrouw over alle grenzen heen, moèt het eerder vertelde verhaal van broodvermenigvuldiging op-nieuw worden verteld, want de boodschap moet absoluut worden bijgesteld! De tweede broodvermenigvuldiging die op deze ontmoeting volgt is er niet meer één voor de ‘eigen groep’ (zie de typisch ‘Joodse’ getallen *vijf *en twee, twaalf en vijfduizend), maar breeduit voor de hele mensheid zonder onderscheid, voor al wie honger heeft, voor al wie mens zoekt te zijn (zie nu de ‘kosmische’ getallen vier, *zeven *en vierduizend). Het gaat nu niet langer meer om Israël alleen, het gaat nu om alle volkeren. Er is de tweede keer meer dan ‘brood’ genoeg voor de hele oikoumene, de hele bewoonde wereld.

Zo wordt het doelpubliek van het ‘goede nieuws’ uitgebreid, en wordt de blik verruimd. De plaats van Israëls tent wordt steeds ruimer (Jes. 54,2). Daar, aan de overkant van de eigen landsgrens, heeft de Man van Nazareth ook aan de “heidenen” het Brood des Levens aangereikt. Daarmee wordt deze tweede spijziging een voorafbeelding van de grote maaltijd die eens zal komen: ‘Dan zullen ze komen van oost en west, van noord en zuid, en aan tafel gaan in het koninkrijk van God. Let op, laatsten zullen eersten zijn, en eersten zullen laatsten zijn…’ (Lk.13,29-30) Zo wordt Hij de verlosser en bevrijder van alle mensen, wereldwijd… Vanaf die dag werd Jezus van Nazareth ‘de Mensenzoon genoemd’: kind van de mensen én van God, broer van de uitgeslotenen, behoeder van eigen volk én van de vreemdelingen. Vanaf die dag waren er voor Hem geen eersten en geen laatsten meer, geen witten en geen zwarten, geen autochtonen of allochtonen, geen mensen met of zonder papieren…Voortaan waren het allemaal tezamen en één voor één: mensenkinderen, kinderen van God!

Het verhaal over de ontmoeting van Jezus met de Kananese vrouw mochten we bij het nadenken over ‘de interreligieuze dialoog’ binnen deze cyclus over ‘de monotheïstische godsdiensten’ echt niet overslaan. Niet alleen omdat het zo mooi is, maar vooral omdat het zo sterk is. Dit wondere verhaal gaat – hoe vreemd dat misschien ook klinkt (ja, voor sommigen klinkt dit misschien zelfs godslasterlijk en ketters in de oren!) niet over de bekering van een andersgelovige vrouw tot het ‘ware geloof’ (het onze dus) – maar over de bekering van Jezus én over de bekering van Zijn Kerk (dat zijn wij) naar àlle mensen toe. Die bekering kan maar gebeuren; die open-baring vanuit de andere kan maar plaatsvinden, als wij ons over de grenzen durven te wagen, en volop in het werkveld van alledag gaan staan, waar we de noden en vragen van de mensen kunnen horen. Zoals Paus Franciscus schrijft in ‘Evangelii Gaudium’, par. 49:

Ik verkies een gehavende Kerk - gekneusd en vuil - omdat ze de straat is opgegaan, eerder dan een Kerk die ziek is, omdat ze in zichzelf is opgesloten, gehecht aan het comfort van haar eigen zekerheden. Ik hou niet van een Kerk die in het middelpunt wil staan en die uiteindelijk de gevangene wordt van een kluwen van bepalingen en procedures. Meer dan de vrees ons te vergissen in allerlei theologische en dogmatische kwesties, hoop ik dat we bezield blijven door de vrees opgesloten te zitten in structuren die ons een valse bescherming geven, in normen die ons tot onverbiddelijke rechters maken, in gewoontes waarin we ons comfortabel voelen, terwijl er buiten een uitgehongerde menigte wacht en Jezus maar voor ons blijft herhalen: “Jullie moeten hun te eten geven!”* (Matt. 14,16).*

Tenslotte – en omdat evangelie nu eenmaal evangelie is - gaat het hier in de eerste plaats ook om een duidelijke ‘afspraak rond God’. Heel deze passage uit Matteüs 14 en 15 levert op zijn minst deze geruststellende conclusie op – voor onszelf, én voor alle anders-gelovigen: dat wij onszelf steeds meer en steeds nadrukkelijker ‘katholieken’ mogen blijven noemen, en dat ‘onze God’ zonder twijfel de grootste ‘katholiek’ is van allemaal. Dat wil zeggen: Hij is altijd en overal op het geheel gericht – in het Grieks: ‘kata hólos’. Ja ‘onze God’ is radicaal en fanatiek ‘katholiek’. Want Zijn heil is bestemd voor ieder mens, waar ook ter wereld… Zo moge het zijn! Amen. geert dedecker

Zoeken in Preken Online