Homilie op de 2e zondag door het jaar A: “Het lam en de duif” (Jo. 1, 29-34)
Tielt, 19 januari 2014
In de evangelietekst, die we zopas beluisterd hebben, zei Johannes de Doper over Jezus die naar hem toe kwam, merkwaardige dingen. Hij bestempelde Jezus als het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt en daarna als de man op wie de Geest van God als een duif is neergedaald. Het lam en de duif: allebei geen vechters. Integendeel! Zo geeft Johannes de kern weer van Jezus’ boodschap, namelijk dat het kwaad in de wereld niet bestand is tegen de onschuld van dienende liefde.
Eerst is er het beeld van het lam. Als de lente begint, is het ook lammetjestijd. We zullen ze weer zien huppelen in de wei, speels en zorgeloos en heel lief. Bij de aanblik van een klein weerloos lammetje wordt iedereen vertederd. Het doet niemand kwaad en is zo kwetsbaar als een klein kind. Het is symbool van onschuld, kwetsbaarheid en geweldloosheid. Dat wordt toegepast op Jezus. Dat is ook een boodschap voor elk van ons.
Van een lam kun je veel leren.
Het leert je de kracht van de eenvoud en de kwetsbaarheid in je omgang met de mensen.
Zouden b.v. ouders niet veel invloedrijker zijn als ze zich wat minder zelfzeker, wat meer kwetsbaar zouden opstellen ten opzichte van hun kinderen. Eens durven toegeven dat ze zelf ook fouten maken, dat ze zelf ook niet altijd weten wat er het beste is, dat ze zelf ook maar eerlijke zoekers zijn en vooral leren “par essai et par erreur”, door te proberen en vooral door te missen. Je kwetsbaar durven tonen in de relatie met je man of vrouw: het zou zoveel problemen onder gehuwden kunnen oplossen.
Van het lam, dat door de mens en zijn hond altijd moet beschermd worden tegen de aanvallen van andere dieren, kun je ook leren dat ook jij beschutting en genegenheid nodig hebt. Je mag best tonen dat je je soms verdrietig voelt en dat je soms diep in de put zit, dat je hunkert naar begrip en bedelt om waardering.
Het lam dat met zijn vacht zoveel warmte geeft, leert je ook dat ook jij warmte moet geven aan mensen die het koud hebben in onze kille maatschappij, die het lastig hebben omdat ze zich onbegrepen of onbemind voelen in hun relatie, niet gewaardeerd door hun kinderen, gepest op school of op het werk.
En soms, als het lam dat door de mensen geslacht en opgegeten wordt, moet je je ermee verzoenen dat dezelfde mensen, die je gesteund en geholpen hebt, je niet meer zien staan, over je roddelen of je zelfs kapot maken. Dat alles heeft ook Jezus ervaren.
Maar van Jezus zegt Johannes ook: “Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten.”
Die duif boeit me. Niet omdat ik iets van duiven afweet. Mijn vader was geen duivenmelker en, bij mijn weten, niemand in mijn familie. De liefde voor de duif heb ik dus niet van huis uit meegekregen. Ik ben ook niet opgegroeid in dat dorp hier in de streek, waarvan kwatongen beweren dat ze daar eerst een duivenkot bouwen en pas daarna een huis. Maar ik zie graag een duif.
In de Bijbel speelt ze ten andere een grote rol. Ze komt voor in de oudste liefdesgedichten van Israël, o.a. in het oudtestamentische Hooglied, waarin de jongen aan zijn geliefde zegt: “Sta toch op, vriendin van mij. Kom, mijn mooi meisje, mijn duif die je verscholen hebt in een kloof in de bergwand. Laat je toch zien.” En wat verder in hetzelfde Hooglied zegt de jongen aan zijn meisje: “Vriendin van mij, wat ben je mooi. Je ogen zijn net als duiven, zo door je sluier heen.” De duif is bode van de liefde: een boodschap waardoor zoveel mensen in onze tijd veel gelukkiger zouden zijn.
Ook in het oudtestamentische verhaal van de zondvloed speelt de duif een grote rol. Na de zondvloed liet Noë een duif uit zijn ark los. De eerste keer vond ze nergens een plek om te rusten omdat er nog overal water was. Zeven dagen later liet hij weer de duif los. Tegen de avond kwam ze bij hem terug met een vers olijfblad in haar snavel, want het water was weggestroomd. Toen Noë weer 7 dagen later de duif losliet, kwam ze niet meer terug. Zo wist Noë dat het nieuwe leven op aarde was aangebroken. De duif is symbool van vernieuwing, van hoop op nieuw leven. Ze leert je dat je jezelf nooit moet vastpinnen op je verleden en dat je ook niemand in je omgeving mag klasseren. Dat deed ook Jezus nooit. Integendeel! Hij gaf mensen steeds nieuwe kansen.
Als ik van een duif hou, is dat niet omdat ze de mooiste vogel is: ze heeft weinig kleurige veren om mee te pronken. Ze is niet de miss world in het vogelrijk. Maar van een duif kun je leren dat je niet alles moet opofferen aan het ideaal van de uiterlijke schoonheid, - en er wordt nogal wat aan opgeofferd in onze tijd! -dat innerlijke schoonheid zoveel kostbaarder is dan wat je uiterlijk merkt. Wat een duif wel heeft, is zachtheid en charme. Ze is mooi als ze vliegt, maar evenzeer als ze zit in een boom. Ze vliegt niet schichtig als een zwaluw en stort zich niet agressief neer als een valk. Ze trippelt ook niet onhandig als een mus. Een duif heeft stijl. Die vredelievende, stijlvolle charme: daaraan heeft onze agressieve en veelal stijlloze maatschappij zo een sterke behoefte. Daarom hou ik van een duif.
Een lam en een duif: ze hebben een sterke boodschap voor onze tijd!
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt