Afgelopen maandagavond had ik een afspraak met mijn oude geschiedenisleraar van mijn middelbare school. Na vele jaren ontmoette ik hem onlángs weer bij de een reünie. Ik noemde hem “mijn oude geschiedenisleraar”, maar hij was geen dag ouder geworden. Hij herkende ook mij. We spraken op de reünie af om elkaar een keer uitgebreider te spreken. En dat was dus afgelopen maandagavond, in een café.
Het zal U niet verbazen, dierbare gasten en parochianen, dat we in ons gesprek ook op het onderwerp “geloof” kwamen. “Ik ben niet gelovig” zei Jan, maar toen ik op de dijk Enkhuizen-Lelystad een keer pech had met de auto stond ik toch ook mooi met m’n handen omhoog naar boven te roepen: “Dóe iets!”.
Vanmorgen, in alle vroegte, om zes uur, lazen we bij de lezingendienst hier in de kerk over Jona de profeet. God wil dat hij naar de grote stad Nineve gaat om aan de mensen daar te vertellen dat het daar niet goed gaat, dat God niet blij is met hoe ’t daar in Nineve toegaat en dat ze de zaak moeten bijsturen. God wil dat Jona dat doet. Maar Jona wil niet. Hij gaat er vandoor, hij vlucht. Hij monstert aan op een boot die naar Tarsis gaat. En die boot, veelgeliefden, krijgt te maken met zwaar weer - precies zoals de boot met Jezus’ leerlingen vandaag in het evangelie. En dan staat er, in het boek van de profeet Jona: “De zeelieden werden bang, en ieder van hen riep zijn eigen god aan.” Je kunt, getuige mijn geschiedenisleraar op de dijk Enkhuizen-Lelystad, God zelfs aanroepen al gelóóf je niet in Hem.
Ik denk, veelgeliefden: die zwaar-weer c.q. die in-nood-op-zee-scènes zijn voor ons gemakkelijk herkenbaar. Ik voelde mij zelf afgelopen week behoorlijk ontredderd: M’n mobieltje is gestolen en ik heb nog steeds geen nieuwe. M’n computer geeft alarm-signalen af dat ie bijna vol zit. De poes plaste buiten de kattenbak. Ik heb nog steeds geen nieuwe hulp in de huishouding maar wél een nieuwe huisgenoot èn er waren twee gasten. En ik moest twee uitvaarten doen. En ik was jarig. Ik zat niet lekker in m’n vel en ook niet in m’n geest. Wat moet ik met m’n leven? Wat moet ik met God? Wat moet ik met het geloof? Wat moet ik met die kerk? “Ik alleen ben overgebleven” zegt de profeet Elia in de eerste lezing van deze zondag. En precies díe woorden van Elia veelgeliefden, precies díe woorden gingen afgelopen week door mijn geest. Ik kwam trouwens allerlei mensen tegen die ook in zwaar weer zaten: iemand met een enge ziekte onder de leden, iemand die maar niet los kan komen van een verslaving, iemand die last heeft, al jarenlang, van stemmen in het hoofd, iemand van wie de kinderen plus hun vader vastzitten op een buitenlandse luchthaven. Allemaal omstandigheden, veelgeliefden, die er behoorlijk in kunnen hakken.
Wat moet je ermee? Wát moet je doen als je er ín zit, in dat zware weer? Nou mensen, het bijbels recept is vandaag duidelijk, zo dunkt mij. Doe zoals de zeelieden op die boot naar Tarsis. Doe zoals mijn geschiedenisleraar op de dijk Enkhuizen-Lelystad bij z’n kopotte auto. En doe zoals Petrus doet als hij over het water naar Jezus toeloopt maar dan bang wordt en dan wegzinkt in de golven. Roep je god aan! Roep God aan! Roep Jezus aan! “Heer, red me!” roept Petrus. Ik heb op m’n slaapkamer een kleine ikoon van het gezicht van Jezus, héél mooi geschilderd door een Servische non. Hij kijkt je echt áán als je ernaar kijkt. Ervoor staat een bidstoel. En daarop knielde ik afgelopen week op een gegeven moment toen het me te veel werd een half uurtje neer. En dat hielp veelgeliefden. Dat helpt, zo is mijn ervaring. De ogen sluiten. Je eigen ademhaling ervaren, de levensadem die God je geeft, die je in- en uitademt. En weten vooral: Hij ziet mij. Hij beziet mij met liefde. Hij leeft met mij mee. Hij staat achter mij. Hij steekt Zijn hand naar mij uit. Hij redt mij. Ik denk veelgeliefden. De ervaring van de profeet Elia, waarover wij hoorden in de eerste lezing, en de ervaring van Jezus zelf waarover wij hoorden in het evangelie was géén andere. Elia ervoer: De Heer was aanwezig in het suizen van een zachte bries, een bries zo zacht als je eigen ademhaling. En Jezus ging alleen de berg op - om met God te zijn. Ik denk: het is goed voor een mens om af en toe alléén te zijn en om daarin te ervaren dat God, dat Zijn Geest, Zijn adem, je draagt.
Hij komt naar je toe. Hij reikt je de hand - heel eenvoudig meestal, maar soms ook op verbijsterende wijze. Mijn ongelovige geschiedenisleraar vertelde mij over een eigen ervaring die dit goed illustreert. “Het mirakel van Amsterdam! Nou, zo heb ik zelf ook eens een mirakel meegemaakt”, zo zei hij. Hij zei: Ik ben enig kind. Mijn ouders hielden veel van mij en ik ook van hen. We waren heel hecht met z’n drie. Ik wilde ze een keer een reisje aanbieden. Naar Wenen wilden ze wel. Dus wij met z’n drie in een ouwe Citroën naar Wenen. De eerste dag kwam we tot Frankurt. Ging heel goed. De tweede dag over de “Romantische Straße”, Rothenburg-ob-der-Tauber en zo. Heel mooi. Maar dan rijden we op een gegeven moment weer op de Autobahn: Komt er rook van onder de motorkap vandaan. We zitten vlak onder München en het lukt ons nog om heel rustig rijdend daar te komen. We komen bij een garage, een grote, hypermoderne garage. Daar lachen ze ons uit, met die ouwe brik. Die hoort op de schroothoop! Daar kunnen we U echt niet mij helpen. Maar daar-en-daar zit een Citroën-garage, misschien dat ze daar iets kunnen doen. Nou, vergeet ’t maar. Ook dáár zien ze er geen gat in, in die auto uit pre-historische tijden. De mensen van de garage hebben ook weinig geduld. “Meneer, gaat U toch weg. We hebben ’t druk.” Jan, mijn leraar, is ten einde raad. Zijn ogen speuren de schappen van ook déze tweede ultra-moderne garage af. En dan vallen zijn ogen op een voorwerp dat omwikkeld is in vettig pakpapier. Veelgeliefden, geloof het of niet: In dat papier blijkt exact het onderdeel te zitten dat past in die auto uit het jaar nul, die stokoude Citroën. Jan en de garagehouder zijn beiden verbijsterd. “Het kan niet” zegt de garagehouder: “Ik héb dat niet”. Maar hij heeft dus wel.
“Nabij is de Heer voor elk die Hem aanroept, voor elk die oprecht tot Hem bidt. De wensen van hen die Hem eren vervult Hij, Hij hoort hun geroep en komt hen te hulp. De Heer bewaart al wie Hem bemint.” Woorden, veelgeliefden, uit de hondervijfenveertigste psalm. Deze wereld vol onrecht geeft vaak genoeg aanleiding om te denken: God bestaat niet. En: wij leven in een leeg en koud, in een zielloos universum. Maar soms mogen mensen ook meemaken dat ’t inderdaad ánders is, dat Gód is - en dat Hij hoort en redt. Amen.