19e zondag door het jaar A

A-cyclus · Tijd door het jaar · 19e zondag · groen

Homilie op de 18e zondag door het jaar A: “Geeft gij hun maar te eten”

(Mt. 14, 13-21)

Tielt, 3 augustus 2014

Ik vermoed dat wij ons allemaal dikwijls voelen als Jezus in de evangelietekst die we zopas beluisterd hebben.

Hij wou zich uit zijn drukke bezigheden terugtrekken om wat uit te rusten. Maar de mensen lieten Hem niet met rust en zaten Hem overal achterna.

Ook velen onder ons hebben dikwijls nood aan rust en vinden die zo moeilijk. De zakenman die overbelast is, zou het zo graag wat rustiger aan doen. Maar de druk van de concurrentie is zo groot en agressief dat hij van de vroege morgen tot de late avond niet meer leeft maar geleefd wordt. Zelfs ’s avonds laat wordt hij nog lastig gevallen door een ontevreden klant en ’s morgens vroeg om 4 u. ligt hij reeds helder wakker te piekeren over de problemen van zijn bedrijf.

De ouders, die beiden uit werken gaan, zouden liefst en best hun nachtrust gebruiken, maar om 2 u. ’s nachts staat één van hun kinderen naast hun bed met buikpijn of een onrustig hart na een griezelige droom over een gevaarlijke wolf. Of, als je als vader rustig naar de T.V. zit te kijken, vindt je vrouw dat je nu dringend, liefst onmiddellijk, de fiets van je dochtertje moet herstellen.

En, als je na het middageten wat indommelt om te bekomen van de drukke voormiddag, belt iemand aan je deur om een aalmoes te vragen.

Op het ogenblik dat we aan rust toe zijn in ons gezin of op het werk, wordt soms op onze hulp een beroep gedaan. Dat komt vaak ongelegen. Vaak zijn we dan geneigd om korzelig de mensen door te sturen.

Dat wilden ook de leerlingen van Jezus doen in het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging. Maar Jezus wordt niet boos of bits, zoals wij in die omstandigheden zo gemakkelijk doen. Integendeel! Als Hij die menigte ziet, krimpt zijn hart ineen van medelijden. De leerlingen laten betijen, maar, als het donker wordt, fluisteren ze Jezus in het oor dat Hij die mensen naar huis moet sturen.

Dat wil Jezus niet. Hij vraagt aan zijn leerlingen dat ze aan de mensen eten zouden geven en Hij doet een beroep op dat jongetje met zijn 5 broden en 2 vissen.

Vandaag zegt Jezus ook aan elk van ons: “Geeft gij hun maar te eten!” Want ook vandaag zijn er op de wereld veel mensen die honger hebben en elke dag moeten vechten om te overleven.

Lichamelijke honger is er zeker. Je kunt niet onverschillig blijven bij de schrijnende T.V.-beelden die we dagelijks zien van volwassenen en kinderen die sterven van de honger, veraf of zelfs dichtbij. Die beelden zijn een smeekbede aan ons adres, die misschien wel ongelegen komt. We zijn juist een nieuw huis aan het bouwen of we sparen voor een nieuwe wagen of een nieuw salon. Dan sussen we gemakkelijk ons geweten met te zeggen: “Onze hulp is slechts een druppel op een hete plaat!” Maar geef toch iets, met groot geloof. Net als in het evangelieverhaal kunnen 5 broden en 2 vissen wonderen verrichten en een grote menigte voeden.

Materiële nood is er ook in ons eigen midden, veelal bij mensen die achter een masker van welvarendheid veel armoede en financiële zorgen verbergen. Want in onze maatschappij mag je niet tonen dat je arm bent. Er rust altijd een verdenking op je dat je onbekwaam bent of gefaald hebt. Precies alsof het altijd de schuld is van die vrouw die door haar man verlaten is, dat ze nu, zonder onderhoudsgeld en zonder werk, het moet stellen met het levensminimum! Precies alsof het de schuld is van die jonge boer die zwaar geïnvesteerd heeft, dat zijn bedrijf niet meer rendeert omwille van de steeds maar stijgende kosten en overregelmentering en de te lage prijzen! Maar daarnaast zijn er zoveel mensen in onze onmiddellijke omgeving die achter een vriendelijk en lachend gezicht zoveel angst, verdriet, depressie en eenzaamheid verbergen. Ze smeken ons, zonder woorden, dat we wat tijd zouden maken voor een bezoekje en een lief woord of om even te luisteren naar hun eentonig en soms onsamenhangend verhaal. Veel meer vragen ze niet dan een open oog, een luisterend oor, een ontvankelijk hart, een menselijke nabijheid. Het is niet veel, maar, net als in het evangelieverhaal, kunnen 5 broden en 2 vissen, in geloof geschonken, een grote menigte voeden van 5.000 mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend.

Maar we ontwijken zo graag de bedroefde of smekende blik van een bejaarde, een zieke, een eenzame, een ontgoochelde of angstige mens. Want hun smeekbede om begrip en medeleven komt zo vaak ongelegen: we hebben nu juist geen tijd of we zijn er niet voor opgeleid en hebben zo weinig talent om om te gaan met bejaarden, met zieken, met mensen in verdriet of problemen. Onze beperkte tijd of geringe mogelijkheden zijn veelal een alibi, een uitvlucht, voor onze onverschilligheid t.o.v. de honger en de miserie van de anderen.

Jezus leert ons vandaag in de wonderbare broodvermenigvuldiging dat het brood niet smaakt als je het alleen voor jezelf houdt maar pas als je het deelt met anderen.

Hij vraagt daarom aan elk van ons wat tijd, een open oog, een luisterend oor, een ontvankelijk en edelmoedig hart: 5 broden en 2 vissen.

Het is niet veel, maar voldoende om wonderen te verrichten!

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt


Homilie op de 19e zondag A: “Niet in de storm, niet in de aardbeving, niet in het vuur, wel in het suizen van een zachte bries” ( Kon. 19, 9a.11-13a en Mt. 14, 22-33)

Tielt, 10 augustus 2014

Onze levenstocht is zo anders dan een goed georganiseerde vakantiereis. Daar kun je niets vooraf boeken, er valt maar weinig te plannen. En, doe je dat wel, dan komt het dikwijls heel anders uit. Onze levensreis is er een vol verrassingen: heel plezierige soms, maar soms ook heel vervelende. Dat kan je angstig maken. Je trouwt en je weet niet wat het worden zal. Er is de angstige bezorgdheid bij de bevalling van je kind. De schrik en de onzekerheid als een geliefde ziek of stervende is, als je het moordend verkeer ziet dat elke week zoveel slachtoffers maakt. Of als je op T.V. terroristische aanslagen ziet met tientallen onschuldige doden, of als je de bedreigingen aanvoelt voor je toekomst, je werk, je veiligheid, je gezondheid.

We voelen dikwijls wat de profeet Elia overkwam. Hij werd verdacht gemaakt, weggejaagd en in zijn bestaan bedreigd. Bang kroop hij weg en verschool zich in een grot. Of we voelen wat de leerlingen meemaakten. Jezus had hen gedwongen naar de overkant van het meer te varen, maar hun boot werd geteisterd door de storm en de tegenwind.

Dat alles is zeker ook het verhaal van vele christenen op onze dagen. Ze voelen zich onzeker, angstig en zelfs ontmoedigd. Dalende zondagspraktijk. In de voorbije 20 jaar is het aantal kerkgangers tot een derde of een vierde herleid, ook en misschien nog meer op vele landelijke parochies. De Romeinen noemden de bewoners van het platteland “pagani”; vandaar het Franse woordje “payens”, wat “heidenen” betekent. Vroeger gingen de mensen de zondagvoormiddag op café na de mis. Nu zitten ze er nog, maar tijdens de mis. Er is de onverschilligheid bij heel veel mensen: geen nood aan Jezus’ boodschap. Een vereenzaamde priester zei me: “Ze hebben geen priester en Kerk meer nodig!” Bij sommigen is er de ontgoocheling over de leiding van de Kerk; wrevel om de standpunten die de Kerk inneemt inzake seksuele moraal, het weigeren van de communie aan uit de echt gescheiden mensen die hertrouwen…

Dan willen we doen wat Elia deed in de eerste lezing: ons terugtrekken in een grot, ons niets meer aantrekken en ons koesteren in ons eigen coconnetje.

Aan die mensen zegt de Heer vandaag wat Hij zei aan de leerlingen in het evangelieverhaal: “Vaar naar de overkant, ondanks de golven en de tegenwind.” Of dan zegt God wat Hij zei aan Elia: “Ga naar buiten en treed voor de Heer.”

Daarna volgt die veelzeggende tekst in het verhaal van de profeet: De Heer trok voorbij. Eerst kwam er een geweldige storm, dan een aardbeving en dan vuur. Maar noch in de storm, noch in de aardbeving, noch in het vuur was de Heer!

We zouden het nochtans zo graag zien gebeuren in de Kerk: spectaculaire initiatieven die als een storm de broze kaartenhuisjes van de oppervlakkige mensen rondom ons omverkegelen. Maar, zo zegt de Bijbel, “het Rijk Gods komt niet met veel gedruis!” Soms willen we een nieuwe revolutionaire aanpak, door alle media verspreid, die als een aardbeving de mensen wakker schudt. Maar een aardbeving verwoest zoveel waardevols. Of soms zouden we vuur uit de hemel willen zien neerdalen dat lauwe harten verwarmt en erin weer een heilig vuur jaagt. Maar zo werkt God niet.

God is niet in de storm, niet in het lawaai, niet in het geweld. Wel in een zachte bries. Franciscus van Sales heeft het raak gezegd: “Het lawaai doet geen goed en het goede maakt geen lawaai”.

Jezus boodschap is als een zachte bries over de mensen om ons heen: een zacht opbeurend woord voor wie het moeilijk heeft, een bescheiden uitgestoken hand van stille dienstbaarheid, een lieve attentie voor wie op de goede weg is…

De vraag is of we daarin geloven. Jezus mag geen spook zijn, zoals in het evangelie, maar een levende realiteit. Dat geloof mankeerden de leerlingen, zelfs Petrus. “Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?” was het verwijt dat hij van Jezus moest horen. Daarom zakte hij in het water. Dat verwijt verdienen ook wij dikwijls.

Wie echt gelooft, kan wonderen doen. Niet in de stijl van Harry Potter. Die kan van alles. Geen wonder, want zijn hele hocuspocus is verzonnen. Maar geloof en liefde zijn niet verzonnen en kunnen mensen wondere dingen laten doen die we niet voor mogelijk houden. Mensen die hun zieke partner jarenlang dag en nacht verzorgen en waarbij iedereen vraagt: “Hoe hou je dat vol?” Ouders met een zwaar fysiek of mentaal gehandicapt kind en het toch zo graag zien. Mensen als een Pater Damiaan of een Mother Teresa of een Soeur Emmanuelle of Zuster Jeanne Devos. Zoveel mensen die, na een hele reeks tegenslagen, toch niet bitter worden. Mensen met een sterk geloof, die kunnen wat eigenlijk niet kan: over het water lopen, zoals Petrus.

Wat de evangelist ons vandaag wil zeggen is: Wat je ook meemaakt aan pijn, verdriet, tegenslagen of grote zorgen en uiteindelijk de dood…, de Heer is je nabij. Hij steekt zijn reddende hand naar je uit en zegt: “Wees maar niet bang!”

Herman Van Veen zingt het mooi in zijn liedje “Suzanne”:

“En Jezus was een visser,

die het water zo vertrouwde

dat Hij zomaar overzee liep,

omdat Hij had leren houden

van de golven en de branding

waarin niemand kan verdrinken.

Hij zei: “Als men blijft geloven,

kan de zwaarste steen niet zinken.”

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online