Preek 19e zondag A jaar; 9 en 10 Augustus 2014
Ieder mens heeft zijn favorieten, zijn helden waar hij naar opkijkt. En als je mensen hoort praten, dan merk je direct naar wie hun sympathie uitgaat. Dat is zo in de gesprekken van elke dag; dat is ook zo voor het geschreven woord. Je merkt al vlug naar wie de sympathie van de schrijver gaat, wie de koene held is die hij graag tot voorbeeld stelt. En je merkt in een boek al vlug wie tegenwind krijgt en wie negatief wordt afgeschilderd.
Dit is ook zo voor bijbelse schrijvers, ja ook voor evangelisten. Matteus, die we jongste weken lezen, heeft bijvoorbeeld een duidelijk boontje voor Petrus. Naast Jezus is Petrus de hoofdrolspeler in het verhaal. Hij is de moedige visser die have en goed achterlaat om Jezus te volgen, die als eerste zal belijden dat Jezus de Christus is, de messias. En Petrus wordt de leider van de twaalf apostelen. Ja, Matteus heeft het voor Petrus, al zou je dat niet zeggen na de evangelielezing van vandaag.
Want vandaag komt Petrus er niet zo goed uit. Vandaag zakt Petrus door het ijs, of liever … door het water.
Deze keer staat Petrus symbool voor ieder van ons, voor elke leerling, voor elke Christen. Het is geen verhaal over wat ooit gebeurd is met de historische Simon Petrus alleen; het is veeleer een verhaal dat elke dag gebeurt men mensen die leerling van Jezus proberen te zijn. Petrus kan symbool staan voor elk van ons.
Het verhaal is dan ook zeer symbolisch geschreven, het was voor de toehoorders van toen wellicht duidelijk, voor ons is dit veel minder het geval.
Het verhaal speelt zich af op het meer, bij felle tegenwind en storm. Voor de joden wad de zee en het meer de plek van de dood, het gevaar. Vissers beleven dicht bij de kust, en om het meer over te steken, vaarde men liever langs de kust rond het meer. De storm steekt op ’s nachts. Opnieuw staat de nacht symbool voor duisternis en dood.
Tegen de morgen komt Jezus hen tegemoet. Tegen de morgen, de overgang van duisternis naar licht, van dood naar leven en verrijzenis. De verrijzenisverhalen zijn dan ook ’s morgens gesitueerd.
De apostelen herkennen Jezus niet, ze menen een spook te zien. Een spook, de resten van een overledene, een dode. En, zegt Matteus, ze beginnen van angst te schreeuwen.
Het evangelieverhaal van dit weekend gaat over de angst van de mens voor de dood. Alle aangehaalde elementen wijzen al in die richting: de plaats - het meer,
het tijdstip – de nacht, het spook dat ze menen te zien…
Het is een universeel verhaal: hoe ga je om met het besef ooit te zullen sterven? Kun je leven met de dood voor ogen?
De angstschreeuw van de apostelen is begrijpelijk en herkenbaar.
De reactie van Jezus is duidelijk. Hij zegt: ’Vreest niet. Ik ben het’.
“Vreest niet”, het zijn de woorden die – niet toevallig – als een refrein zullen terugkeren in de verschijningsverhalen. Het is een paasverhaal avant la lettre. Jezus zegt aan Petrus, en in Petrus aan ieder van ons:’Vreest niet’.
En dan laat Petrus zijn menselijke kant zien: eerst is hij de held, de moedige. Hij stapt over het water naar Jezus toe. Maar dan wordt hij bang en begint te zinken en schreeuwt hij om redding.
Het is een verhaal waar veel mensen zich in kunnen herkennen. Als alles goed gaat, dan kost het geloven ons geen moeite. Dan gaat geloven ons gemakkelijk af.
Maar als er tegenwind komt, als de angst ons om het hart slaat, waar staan we dan?
Jezus laat Petrus niet verdrinken in zijn angst. Jezus steekt terstond zijn hand uit en grijpt Petrus vast. Als de angst Petrus dreigt te overspoelen, dan is Jezus reddend nabij.
Christenen mogen er op rekenen dat Jezus hen niet in de steek zal laten. Als de angst voor de toekomst, voor het onbekende, voor de dood ons dreigt te verlammen, laten we dan weten dat Jezus met zijn reddende hand aanwezig zal zijn.
Christenen hoeven geen mensen van angst te zijn. Dank zij Jezus kunnen we wandelen op de paden van het leven, ja mogen we zelfs wandelen op de zeeën van de angst. En dat is blijde boodschap, voor alle tijden, voor ieder van ons.
Amen.