18e zondag door het jaar A - 2005

A-cyclus · Tijd door het jaar · 18e zondag · groen

Zusters en broeders,

Drie weken na elkaar sprak Jezus in gelijkenissen over het Rijk der hemelen. We hoorden de parabel van de zaaier, van het onkruid tussen de tarwe, het mosterdzaadje, de gist in het deeg, de schat in de akker, de kostbare parel en het overvolle visnet. Uit al die parabels kwam telkens hetzelfde beeld naar voor: het Rijk der hemelen is pure overdaad, het geeft veel meer dan je verwacht. Zaad dat zestigvoudige vrucht oplevert; een mosterdzaadje dat in een jaar uitgroeit tot een sterke, hoge, brede struik; een beetje gist dat volstaat om 150 broden te bakken.

Vandaag horen we dat duizenden mensen gevoed worden met vijf broden en twee vissen, en na de maaltijd zijn er twaalf overvolle korven overschot. Dit evangelie lijkt dus wel een vervolg van de parabelverhalen van de vorige weken. Net of er een andere parabel verteld wordt, iets als: het Rijk der hemelen is als een overdadige maaltijd, waarbij duizenden mensen om niet gespijzigd worden. We zouden dan spreken van de parabel van de feestmaaltijd.

Het gaat evenwel niet om een parabel, wel om een toepassing ervan. ‘Het Rijk der hemelen ontstaat als je doet wat Ik doe’, zegt Jezus vandaag. Want de kern van het verhaal ligt in de verschillende reactie van de apostelen en van Jezus. Duizenden mensen zijn Hem gevolgd en als het avond wordt, hebben de apostelen maar één oplossing: ‘Het wordt al donker en er is geen eten. Stuur ze maar weg, ze moeten hun eigen boontjes maar zien te doppen. ’t Is ieder voor zich. Misschien vinden ze in de dorpen in de buurt wel wat te eten, en ook onderdak voor de nacht.’

Ze krijgen meteen het deksel op de neus: ‘Geef gij ze maar te eten’, is Jezus’ antwoord. Ik zie hun gezichten al. Petrus die zich kwaad maakt, Johannes die niet-begrijpend voor zich uitstaart, Jacobus die radeloos is omdat hij wel wil helpen maar niet kan, Thomas die, praktisch als altijd, zegt: ‘Maar Heer, we hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen. Dat is nauwelijks genoeg voor onszelf. Hoe moeten we daarmee dan ook nog al die mensen te eten geven?’ ‘Breken en delen’, is het antwoord van Jezus. Nadat Hij de zegen over het voedsel heeft uitgesproken, geeft hij de broden en de vissen aan hen, en zij geven ze aan het volk. ‘Geef gij ze maar te eten.’ Precies zoals Hij voordien gezegd had.

‘Geef gij de melaatsen maar hun zelfrespect terug, schop gij de wereld maar een geweten’, zei Hij meer honderd jaar geleden tot pater Damiaan. ‘Ga gij maar naar hen naar wie niemand omziet’, zei Hij tot moeder Theresa. ‘Maak gij ze maar vrij,’ zei hij tegen zuster Jeanne Devos, die een paar jaar geleden tegen een eeuwenoude traditie en één miljard Indiërs in de slavernij van de Indiase dienstmeisjes onwettig kon doen verklaren. ‘Geef gij ze maar te eten’, zegt God al eeuwenlang tegen de leiders van het volk, maar die geven liever wapens dan voedsel, die laten liever miljoenen omkomen van de honger, een honger die meteen de wereld uit zou zijn als nog maar de helft van al het geld en al de energie die in wapens wordt geïnvesteerd aan voedsel werd besteed. ‘Geef gij maar vrede’, zegt Hij tegen Bush, Blair, Poetin, Bin Laden, Sharon, de terroristen, maar ze luisteren niet.

‘Geef gij ze maar te eten’, zegt God ook tot ons, ‘en wees gijzelf maar voedsel voor uw medemensen.’ Want het gaat hem hier niet alleen om het geven van een stukje brood of om het steunen van Welzijnszorg en Broederlijk delen, het gaat er hem ook om dat we stukje van onszelf willen geven. ‘Wijs gij maar de weg aan wie die verloren lijkt. Spreek gij de moedelozen maar moed in. Heb gij maar tijd voor voor uw huisgenoten, uw buren, uw vrienden, de zieken, de ouden, de armen in uw buurt. Wees gij maar vriendelijk voor iedereen.

Zusters en broeders, het wonder van de broodvermenigvuldiging kan elke dag opnieuw gebeuren, ook in ons eigen leven. Het hangt alleen van onszelf af. Reageren we als de apostelen en zeggen we: ‘Dat ze hun eigen boontjes maar doppen? Het is hier ieder voor zich’, of luisteren we liever naar Jezus die ons zegt te breken en te delen? Willen we lijken op God de Heer uit de eerste lezing die zegt: ‘Kom naar het water, gij allen die dorst lijdt! Ook gij die geen geld hebt, kom toch.’ Willen we iets geven van onszelf voor anderen? Pas wanneer we dat doen, en wanneer we dat consequent blijven doen, ontstaat het visioen van het Rijk der hemelen, het Rijk van broederlijkheid, gerechtigheid en vrede. Amen.

Zoeken in Preken Online