Vandaag is een van die keren dat we goed moeten weten wat er dit stuk
evangelie vooraf ging, want het is niet zomaar willekeurig en ook niet
zomaar het vervolg op vorige week. Wat er na de gelijkenissen van Jezus
over het koninkrijk der hemelen namelijk is gebeurd, is dat zijn neef
en grote voorloper, Johannes de Doper is vermoord. Hij had, zoals het
een profeet betaamt, de moed gehad om kritiek te hebben op de koning.
Deze Herodes had Herodias, de vrouw van zijn broer, als zijn vrouw
genomen. Vanwege zijn kritiek was Johannes gevangengezet, maar Herodes
durfde hem niet te doden, maar toen zijn stiefdochter op zijn
verjaardag voor hem danste beloofde hij haar alles te geven, en
opgestookt door haar moeder vroeg zij het hoofd van Johannes de Doper
op een schotel. En zo werd Johannes in de gevangenis onthoofd, en door
zijn leerlingen begraven. Daarna gingen zijn leerlingen naar Jezus om
hem te vertellen wat er gebeurd was. En dan begint ons
evangeliegedeelte van vandaag.
“Toen Jezus dát hoorde, week Hij met een boot uit naar een eenzame
plaats om alleen te zijn.” We mogen aannemen dat Jezus zeer geschokt
was door dit nieuws, dat het hem aangrijpt dat zijn geliefde neef zo
schaamteloos en rechteloos wordt vermoord, maar het ligt ook voor de
hand dat Jezus zich ook bewust zal zijn van zijn eigen positie.
Betekent dit niet dat Johannes ook in zijn dood zijn voorloper zal
blijken te zijn? Kortom, loopt zijn eigen leven ook geen gevaar, als
hij op dezelfde weg verder gaat?
En vervolgens staat er: “Toen Hij van boord ging, zag Hij een grote
menigte. Hij had zeer met hen te doen en genas hun zieken.” Het doet me
denken aan een andere plek waar staat: ze waren als een kudde schapen
zonder herder.
In mijn beleving ligt hier een enorme omslag. Van de schok over de dood
van Johannes, en wat dit met hemzelf doet, naar de zorg en bekommernis
om al die mensen. Een omslag die ik vaker bij mensen zie en zeer
bewonder, waar mensen in staat zijn om de eigen zorgen achter zich te
laten en zich inzetten voor anderen.
En bij Jezus heb ik ook een sterk vermoeden waar die omslag in zit, of
beter gezegd: het evangelie zegt ons wat er intussen gebeurt tussen het
moment van de boodschap van de leerlingen van Johannes de Doper en zijn
bekommernis over die grote menigte mensen. Daar tussenin ligt “het
uitwijken naar een eenzame plaats om alleen te zijn.” Jezus vindt de
kracht voor die omslag in God, vindt zijn eigen kern, zijn eigen weg,
zijn roeping in God, die de herder is over het volk van Israël. “Mijn
herder is de HEER, het ontbreekt mij aan niets, Hij legt mij in grazige
weiden, Hij geeft rust aan mijn ziel. Hij bereidt voor mij een tafel,
en mijn beker vloeit over.” Wie deze God leert kennen, weet zich
geborgen, weet: “al moet ik door donkere dalen, ik hoef geen kwaad te
vrezen, uw staf en uw stok zijn mijn troost, Gij zijt steeds bij mij.”
(Psalm 23) God, de herder van Israël, die zorgt dat zijn volk niets
tekort komt.
Wie deze God leert kennen, weet zich tegelijkertijd ook aangespoord om
zo ook met anderen om te gaan, om zelf ook als een herder te zijn voor
de ander, en dat is precies wat we bij Jezus dan ook zien gebeuren.
Maar niet bij zijn leerlingen. Die zijn nog niet zo ver. Zij zien
diezelfde mensen in de menigte, maar als het avond wordt, willen zij ze
wegsturen. Maar Jezus spoort ze aan: “Stuur ze niet weg. Jullie moeten
hun te eten geven.”
Zij kijken alleen nog hun eigen gebrekkige mogelijkheden in plaats van
naar God en naar hun medemens. Had God in de tijd van Mozes niet elke
dag manna te eten gegeven, zodat ze de tocht door de woestijn konden
maken op weg naar het land van belofte? Had Elia niet tegen de weduwe
van Sarefat die net haar laatste beetje voedsel wilde opmaken, gezegd
dat ze eerst hem een broodje moest geven, en hadden ze toen niet
voldoende gehad voor elke dag, hun dagelijks brood?
Vijf broden zullen genoeg blijken voor het hele volk, want vijf is het
getal dat staat voor Israël. Twaalf broden worden er elke sabbat in de
tempel gelegd voor de twaalf stammen van Israël. Vijf daarvan kreeg
David toen hij en zijn mannen honger hadden. Vijf broden krijgt het
verzamelde volk van Israël nu, wat er met de overige zeven gebeurde,
zullen we over een paar weken horen (op de 20e zondag).
Jezus leert zijn leerlingen toen en ons nu dat wij ons niet moeten
laten ontmoedigen door al wat er in ons leven ontbreekt, aan brood, aan
mogelijkheden, aan vreugde, aan gezondheid, aan liefde, maar dat we met
Jezus onze ogen ten hemel mogen heffen, in gebed onze dank mogen
uitspreken, en mogen breken en delen, en dat we zo zullen ontdekken dat
we verzadigd worden, dat er meer dan genoeg is om samen goed te kunnen
leven, niet alleen in de viering van de Eucharistie waar wij tot zijn
gedachtenis het dankgebed spreken, het brood breken en delen, maar ook
in ons dagelijks leven, buiten de muren van de kerk, waar wij in het
echte leven dat wij met elkaar delen, voortzetten wat we hier
symbolisch inoefenen.
Daar geldt voor ieder van ons, wat Jesaja ons in de eerste lezing als
een marktkoopman toeroept: Kom toch hier bij mij, waarom zou je je
goede geld uitgeven aan wat je toch niet verzadigt, aan brood dat geen
echt brood is, waar je niet van kunt leven. Hoor toch mijn wóórden, en
eet wat goed voor je is, neig je oor en kom tot mij, luister, en je
ziel zal leven. Kom, al jullie die dorst hebben, kom drinken van het
water van de heilige Tora. Hier vind je wijn en melk, de overvloed van
het goede land, het einde van je ballingschap.
Op het koninklijk banket van Herodes vloeide uiteindelijk bloed, maar
waar Jezus maaltijd houdt met zijn vrienden en leerlingen, in naam van
God, de goede herder van Israël, daar leeft iedereen op. Daarom ook
gebruikten de eerste leerlingen voor hem het symbool van de vis, het
Griekse woord ichthus dat staat voor Iesous CHristos THeou Uios Sotèr: Jezus Christus, Zoon van God, Redder.
God zorgt dat zijn volk niets tekort komt (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 18e zondag · groen