God zorgt dat zijn volk niets tekort komt (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 18e zondag · groen

Vandaag is een van die keren dat we goed moeten weten wat er dit stuk evangelie vooraf ging, want het is niet zomaar willekeurig en ook niet zomaar het vervolg op vorige week. Wat er na de gelijkenissen van Jezus over het koninkrijk der hemelen namelijk is gebeurd, is dat zijn neef en grote voorloper, Johannes de Doper is vermoord. Hij had, zoals het een profeet betaamt, de moed gehad om kritiek te hebben op de koning. Deze Herodes had Herodias, de vrouw van zijn broer, als zijn vrouw genomen. Vanwege zijn kritiek was Johannes gevangengezet, maar Herodes durfde hem niet te doden, maar toen zijn stiefdochter op zijn verjaardag voor hem danste beloofde hij haar alles te geven, en opgestookt door haar moeder vroeg zij het hoofd van Johannes de Doper op een schotel. En zo werd Johannes in de gevangenis onthoofd, en door zijn leerlingen begraven. Daarna gingen zijn leerlingen naar Jezus om hem te vertellen wat er gebeurd was. En dan begint ons evangeliegedeelte van vandaag.

“Toen Jezus dát hoorde, week Hij met een boot uit naar een eenzame plaats om alleen te zijn.” We mogen aannemen dat Jezus zeer geschokt was door dit nieuws, dat het hem aangrijpt dat zijn geliefde neef zo schaamteloos en rechteloos wordt vermoord, maar het ligt ook voor de hand dat Jezus zich ook bewust zal zijn van zijn eigen positie. Betekent dit niet dat Johannes ook in zijn dood zijn voorloper zal blijken te zijn? Kortom, loopt zijn eigen leven ook geen gevaar, als hij op dezelfde weg verder gaat?

En vervolgens staat er: “Toen Hij van boord ging, zag Hij een grote menigte. Hij had zeer met hen te doen en genas hun zieken.” Het doet me denken aan een andere plek waar staat: ze waren als een kudde schapen zonder herder.

In mijn beleving ligt hier een enorme omslag. Van de schok over de dood van Johannes, en wat dit met hemzelf doet, naar de zorg en bekommernis om al die mensen. Een omslag die ik vaker bij mensen zie en zeer bewonder, waar mensen in staat zijn om de eigen zorgen achter zich te laten en zich inzetten voor anderen.

En bij Jezus heb ik ook een sterk vermoeden waar die omslag in zit, of beter gezegd: het evangelie zegt ons wat er intussen gebeurt tussen het moment van de boodschap van de leerlingen van Johannes de Doper en zijn bekommernis over die grote menigte mensen. Daar tussenin ligt “het uitwijken naar een eenzame plaats om alleen te zijn.” Jezus vindt de kracht voor die omslag in God, vindt zijn eigen kern, zijn eigen weg, zijn roeping in God, die de herder is over het volk van Israël. “Mijn herder is de HEER, het ontbreekt mij aan niets, Hij legt mij in grazige weiden, Hij geeft rust aan mijn ziel. Hij bereidt voor mij een tafel, en mijn beker vloeit over.” Wie deze God leert kennen, weet zich geborgen, weet: “al moet ik door donkere dalen, ik hoef geen kwaad te vrezen, uw staf en uw stok zijn mijn troost, Gij zijt steeds bij mij.” (Psalm 23) God, de herder van Israël, die zorgt dat zijn volk niets tekort komt.

Wie deze God leert kennen, weet zich tegelijkertijd ook aangespoord om zo ook met anderen om te gaan, om zelf ook als een herder te zijn voor de ander, en dat is precies wat we bij Jezus dan ook zien gebeuren.

Maar niet bij zijn leerlingen. Die zijn nog niet zo ver. Zij zien diezelfde mensen in de menigte, maar als het avond wordt, willen zij ze wegsturen. Maar Jezus spoort ze aan: “Stuur ze niet weg. Jullie moeten hun te eten geven.”

Zij kijken alleen nog hun eigen gebrekkige mogelijkheden in plaats van naar God en naar hun medemens. Had God in de tijd van Mozes niet elke dag manna te eten gegeven, zodat ze de tocht door de woestijn konden maken op weg naar het land van belofte? Had Elia niet tegen de weduwe van Sarefat die net haar laatste beetje voedsel wilde opmaken, gezegd dat ze eerst hem een broodje moest geven, en hadden ze toen niet voldoende gehad voor elke dag, hun dagelijks brood?

Vijf broden zullen genoeg blijken voor het hele volk, want vijf is het getal dat staat voor Israël. Twaalf broden worden er elke sabbat in de tempel gelegd voor de twaalf stammen van Israël. Vijf daarvan kreeg David toen hij en zijn mannen honger hadden. Vijf broden krijgt het verzamelde volk van Israël nu, wat er met de overige zeven gebeurde, zullen we over een paar weken horen (op de 20e zondag).

Jezus leert zijn leerlingen toen en ons nu dat wij ons niet moeten laten ontmoedigen door al wat er in ons leven ontbreekt, aan brood, aan mogelijkheden, aan vreugde, aan gezondheid, aan liefde, maar dat we met Jezus onze ogen ten hemel mogen heffen, in gebed onze dank mogen uitspreken, en mogen breken en delen, en dat we zo zullen ontdekken dat we verzadigd worden, dat er meer dan genoeg is om samen goed te kunnen leven, niet alleen in de viering van de Eucharistie waar wij tot zijn gedachtenis het dankgebed spreken, het brood breken en delen, maar ook in ons dagelijks leven, buiten de muren van de kerk, waar wij in het echte leven dat wij met elkaar delen, voortzetten wat we hier symbolisch inoefenen.

Daar geldt voor ieder van ons, wat Jesaja ons in de eerste lezing als een marktkoopman toeroept: Kom toch hier bij mij, waarom zou je je goede geld uitgeven aan wat je toch niet verzadigt, aan brood dat geen echt brood is, waar je niet van kunt leven. Hoor toch mijn wóórden, en eet wat goed voor je is, neig je oor en kom tot mij, luister, en je ziel zal leven. Kom, al jullie die dorst hebben, kom drinken van het water van de heilige Tora. Hier vind je wijn en melk, de overvloed van het goede land, het einde van je ballingschap.

Op het koninklijk banket van Herodes vloeide uiteindelijk bloed, maar waar Jezus maaltijd houdt met zijn vrienden en leerlingen, in naam van God, de goede herder van Israël, daar leeft iedereen op. Daarom ook gebruikten de eerste leerlingen voor hem het symbool van de vis, het Griekse woord ichthus dat staat voor Iesous CHristos THeou Uios Sotèr: Jezus Christus, Zoon van God, Redder.

Zoeken in Preken Online