In tijden waarin het niet zo goed gaat is de
verleiding groot om onszelf terug te trekken en op te sluiten in een
veilige plek, een ivoren toren waar we op krachten en tot bezinning
kunnen komen om daarna weer de confrontatie met de buitenwereld aan te
kunnen. Dat geldt voor ons als privé persoon, dat geldt voor een
samenleving, dat geldt ook voor kerkgemeenschappen. Eerst moeten we
onszelf terugvinden, de kern van ons bestaan, en dan pas kunnen we
ergens voor staan.
Als wij ons dus van tijd tot tijd willen terugtrekken, weg van de
drukte en de druk van het dagelijks leven, als we ons als samenleving
willen afsluiten van ongewenste en bedreigende mensen en situaties, als
we als kerk of parochie besluiten onszelf te beperken tot de
binnenkerkelijke aangelegenheden, dan is dat niet alleen begrijpelijk
en heel menselijk, dan komt het vaak zelfs overeen met het advies dat
verstandige en deskundige mensen geven, en we bevinden ons zelfs ook
nog in het goede gezelschap van Jezus.
Als Hij hoort dat Herodes zijn neef Johannes de Doper in de gevangenis
heeft laten onthoofden, dan neemt Jezus de wijk naar een eenzame plek,
naar een plaats om alleen te zijn. In die eenzaamheid wil Hij opnieuw
God zoeken, kracht opdoen om de confrontatie aan te gaan met zijn eigen
levensroeping. Johannes was niet alleen zijn neef, maar ook zijn
leermeester geweest, die Hem had gedoopt, en het verdriet en de schok
zullen groot zijn. Daarnaast realiseert Jezus zich ook heel goed welk
risico Hij zelf loopt als Hij in het spoor van Johannes verder gaat met
de prediking van Gods koninkrijk. Het kan niet anders of Jezus moet
zich op dit moment uitermate bewust zijn geweest van zijn eigen
kwetsbaarheid. Niemand had Hem kwalijk kunnen nemen als Hij de risico’s
te groot had gevonden en zich minstens voor een tijdje of zelfs
voorgoed had teruggetrokken. Sterker nog, dat is waarschijnlijk het
advies dat ieder van ons in zo’n situatie zou geven.
Waarom maakt Jezus dan toch een andere keuze? De ommekeer komt voor
Jezus op het moment dat Hij de grote menigte ziet die Hem is gevolgd.
Hij ziet en hoort hun nood, en “Hij had zeer met hen te doen.” In die
confrontatie wil en kan Jezus zich niet afkeren. Hij sluit zich niet op
in de ivoren toren, maar laat zich raken, stelt zijn hart voor hun
open. De prediking en vooral ook het werk van het koninkrijk gaan dan
onmiddellijk door: zieken en armen, hongerigen en dorstigen staan aan
de poort en kloppen bij Hem aan.
Wat er dan gebeurt, is een vooruitblik en een voorproefje van het
koninkrijk. Eens, zo voorzegde de profeet Jesaja, zal God op de berg
een maaltijd aanrichten en niet alleen het uitverkoren volk, maar alle
volkeren zullen er aan zitten. Hier, in de eenzaamheid van deze plek
die doet denken aan de woestijn, waar God de nood van het volk ziet en
hen verzadigt met brood voor onderweg, daar treedt, als de avond valt
en de symbolische duisternis over de aarde gaat vallen, Jezus op als
gastheer die allen zonder uitzondering uitnodigt om plaats te nemen
voor het feestmaal. De wonderbare maaltijd die volgt, gratis en
overvloedig, is de viering van het aanbreken van Gods koninkrijk, van
Gods heerschappij waarin arme, gebroken mensen met hun kwalen en noden
de eregast zijn, waar zij niet langer mislukkelingen zijn, die
samenvallen met hun tekorten, maar aan de voeten van Jezus leren met
elkaar het feest te vieren om samen Gods volk te zijn.
De Eucharistie, en in afgeleide vorm ook de Woord- en Communieviering,
is dit feest. Dezelfde Jezus, hier aanwezig in het Woord en in het
Brood van de Eucharistie, nodigt ons uit, niet om in een ivoren toren
de buitenwereld uit te sluiten en onze zorgen achter ons te laten en
even te vergeten, maar om hier sámen te komen en als leerlingen aan
zijn voeten te zitten en rond zijn tafel. Hij vraagt niet dat we onze
kwalen en fouten vergeten, maar dat we elkaar daar niet op afrekenen.
Hij vraagt dat we bij onszelf en elkaar door alles wat niet volmaakt
is, heenkijken en zegt ons dat Hijzelf te vinden is in de minste van
ons: in de arme, de naakte, de hongerige.
Wat wij in de Eucharistie doen, is niet alleen hetzelfde als Hij deed
bij het laatste avondmaal, maar evenzeer wat Hij deed temidden van de
hongerige menigte: nemen, zegenen, breken en geven.
Hij nam in handen wat voorradig was, niet meer dan vijf broden en twee vissen.
Hij keek naar de hemel, de plaats waarvandaan God het manna schonk als
brood dat verzadigt. Hij sprak de zegen uit. Niet: Hij zegende het
brood, want het gewone brood wordt niet gezegend. Nee, Hij sprak de
zegen uit: Hij zegende
God die dit brood schenkt en alle leven. Naar alle waarschijnlijkheid
zei Jezus de gewone Joodse zegen over het brood: “Gezegend Gij, die het
brood uit de aarde doet voortkomen. “
Hij brak het brood, omdat het ene brood alleen dan gemeenschap en leven kan geven.
Hij gaf het aan zijn leerlingen, zoals Hij zijn leven, gebroken als dat van hen, voor hen gaf.
Hij gaf het aan zijn leerlingen … en de leerlingen gaven het brood aan de mensen, en allen werden verzadigd door de overvloed.
Zo gemakkelijk zijn wij geneigd om onszelf af te sluiten voor de noden
in onze wereld, voor de armoede, het vuil en het kwaad, enerzijds omdat
we denken dat we dit er niet meer bij kunnen hebben, omdat we genoeg
hebben aan onze eigen problemen en verantwoordelijkheden, en ons niet
voldoende realiseren hoe goed het doet die te vergeten door een ander
te helpen. Niemand is zo arm dat die niet ook een ander kan helpen die
op een andere manier nog armer is. De andere reden om onszelf af te
sluiten, is dat we onszelf hebben wijsgemaakt dat wij er toch niets aan
kunnen doen, dat wat wij te bieden hebben niet meer is dan een druppel
op een gloeiende plaat.
Voor ons als leerlingen van Jezus klinken vandaag zijn woorden: “Jullie
moeten hun te eten geven”. We mogen er op vertrouwen dat wij meer dan
genoeg te bieden hebben, dat wij zelf alles hebben gekregen, niet om te
bewaren of te verstoppen, maar om uit te delen. Als Jezus tegen ons
zegt: “Jullie moeten hun te eten geven”, gaat het allereerst om het
hele concrete brood, voedsel voor vandaag. In september wordt er vanuit
de kerken hier in Osdorp begonnen met het uitdelen van eten aan mensen
die werkelijk voedsel tekort komen, die niet zeker zijn van hun
dagelijks brood. Ik ben blij dat op die nood een concreet antwoord
komt, in plaats van te bedenken dat we er vast niet in slagen om
iedereen te helpen, of ons alleen maar af te vragen of het niet hun
eigen schuld is. Daarnaast is er nog een andere manier uitdelen
waardoor er niet minder komt maar meer. Als je taart uitdeelt of geld,
komt op een gegeven moment het eind in zicht, en mag je je zelfs
afvragen met hoeveel mensen je dit zinvol kunt delen, maar als het om
oprechte aandacht gaat, om concrete liefde, dan hoef je alleen maar te
beginnen bij de mensen die je onderweg tegenkomt, en dan zal blijken
dat dit de uitzondering op de regel is: wie liefde uitdeelt, krijgt
niet steeds minder, maar er komt steeds meer.
Zo worden wij - ook hier vandaag weer in deze viering - uitgenodigd om,
zoals we zijn, deel te nemen aan de feestmaal van Gods koninkrijk, niet
passief maar door te helpen uitdelen.
Jullie moeten hen te eten geven (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 18e zondag · groen