Jullie moeten hen te eten geven (2005)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 18e zondag · groen

In tijden waarin het niet zo goed gaat is de verleiding groot om onszelf terug te trekken en op te sluiten in een veilige plek, een ivoren toren waar we op krachten en tot bezinning kunnen komen om daarna weer de confrontatie met de buitenwereld aan te kunnen. Dat geldt voor ons als privé persoon, dat geldt voor een samenleving, dat geldt ook voor kerkgemeenschappen. Eerst moeten we onszelf terugvinden, de kern van ons bestaan, en dan pas kunnen we ergens voor staan.

Als wij ons dus van tijd tot tijd willen terugtrekken, weg van de drukte en de druk van het dagelijks leven, als we ons als samenleving willen afsluiten van ongewenste en bedreigende mensen en situaties, als we als kerk of parochie besluiten onszelf te beperken tot de binnenkerkelijke aangelegenheden, dan is dat niet alleen begrijpelijk en heel menselijk, dan komt het vaak zelfs overeen met het advies dat verstandige en deskundige mensen geven, en we bevinden ons zelfs ook nog in het goede gezelschap van Jezus.

Als Hij hoort dat Herodes zijn neef Johannes de Doper in de gevangenis heeft laten onthoofden, dan neemt Jezus de wijk naar een eenzame plek, naar een plaats om alleen te zijn. In die eenzaamheid wil Hij opnieuw God zoeken, kracht opdoen om de confrontatie aan te gaan met zijn eigen levensroeping. Johannes was niet alleen zijn neef, maar ook zijn leermeester geweest, die Hem had gedoopt, en het verdriet en de schok zullen groot zijn. Daarnaast realiseert Jezus zich ook heel goed welk risico Hij zelf loopt als Hij in het spoor van Johannes verder gaat met de prediking van Gods koninkrijk. Het kan niet anders of Jezus moet zich op dit moment uitermate bewust zijn geweest van zijn eigen kwetsbaarheid. Niemand had Hem kwalijk kunnen nemen als Hij de risico’s te groot had gevonden en zich minstens voor een tijdje of zelfs voorgoed had teruggetrokken. Sterker nog, dat is waarschijnlijk het advies dat ieder van ons in zo’n situatie zou geven.

Waarom maakt Jezus dan toch een andere keuze? De ommekeer komt voor Jezus op het moment dat Hij de grote menigte ziet die Hem is gevolgd.
Hij ziet en hoort hun nood, en “Hij had zeer met hen te doen.” In die confrontatie wil en kan Jezus zich niet afkeren. Hij sluit zich niet op in de ivoren toren, maar laat zich raken, stelt zijn hart voor hun open. De prediking en vooral ook het werk van het koninkrijk gaan dan onmiddellijk door: zieken en armen, hongerigen en dorstigen staan aan de poort en kloppen bij Hem aan.

Wat er dan gebeurt, is een vooruitblik en een voorproefje van het koninkrijk. Eens, zo voorzegde de profeet Jesaja, zal God op de berg een maaltijd aanrichten en niet alleen het uitverkoren volk, maar alle volkeren zullen er aan zitten. Hier, in de eenzaamheid van deze plek die doet denken aan de woestijn, waar God de nood van het volk ziet en hen verzadigt met brood voor onderweg, daar treedt, als de avond valt en de symbolische duisternis over de aarde gaat vallen, Jezus op als gastheer die allen zonder uitzondering uitnodigt om plaats te nemen voor het feestmaal. De wonderbare maaltijd die volgt, gratis en overvloedig, is de viering van het aanbreken van Gods koninkrijk, van Gods heerschappij waarin arme, gebroken mensen met hun kwalen en noden de eregast zijn, waar zij niet langer mislukkelingen zijn, die samenvallen met hun tekorten, maar aan de voeten van Jezus leren met elkaar het feest te vieren om samen Gods volk te zijn.

De Eucharistie, en in afgeleide vorm ook de Woord- en Communieviering, is dit feest. Dezelfde Jezus, hier aanwezig in het Woord en in het Brood van de Eucharistie, nodigt ons uit, niet om in een ivoren toren de buitenwereld uit te sluiten en onze zorgen achter ons te laten en even te vergeten, maar om hier sámen te komen en als leerlingen aan zijn voeten te zitten en rond zijn tafel. Hij vraagt niet dat we onze kwalen en fouten vergeten, maar dat we elkaar daar niet op afrekenen. Hij vraagt dat we bij onszelf en elkaar door alles wat niet volmaakt is, heenkijken en zegt ons dat Hijzelf te vinden is in de minste van ons: in de arme, de naakte, de hongerige.

Wat wij in de Eucharistie doen, is niet alleen hetzelfde als Hij deed bij het laatste avondmaal, maar evenzeer wat Hij deed temidden van de hongerige menigte: nemen, zegenen, breken en geven.
Hij nam in handen wat voorradig was, niet meer dan vijf broden en twee vissen.
Hij keek naar de hemel, de plaats waarvandaan God het manna schonk als brood dat verzadigt. Hij sprak de zegen uit. Niet: Hij zegende het brood, want het gewone brood wordt niet gezegend. Nee, Hij sprak de zegen uit: Hij zegende God die dit brood schenkt en alle leven. Naar alle waarschijnlijkheid zei Jezus de gewone Joodse zegen over het brood: “Gezegend Gij, die het brood uit de aarde doet voortkomen. “
Hij brak het brood, omdat het ene brood alleen dan gemeenschap en leven kan geven.
Hij gaf het aan zijn leerlingen, zoals Hij zijn leven, gebroken als dat van hen, voor hen gaf.
Hij gaf het aan zijn leerlingen … en de leerlingen gaven het brood aan de mensen, en allen werden verzadigd door de overvloed.

Zo gemakkelijk zijn wij geneigd om onszelf af te sluiten voor de noden in onze wereld, voor de armoede, het vuil en het kwaad, enerzijds omdat we denken dat we dit er niet meer bij kunnen hebben, omdat we genoeg hebben aan onze eigen problemen en verantwoordelijkheden, en ons niet voldoende realiseren hoe goed het doet die te vergeten door een ander te helpen. Niemand is zo arm dat die niet ook een ander kan helpen die op een andere manier nog armer is. De andere reden om onszelf af te sluiten, is dat we onszelf hebben wijsgemaakt dat wij er toch niets aan kunnen doen, dat wat wij te bieden hebben niet meer is dan een druppel op een gloeiende plaat.

Voor ons als leerlingen van Jezus klinken vandaag zijn woorden: “Jullie moeten hun te eten geven”. We mogen er op vertrouwen dat wij meer dan genoeg te bieden hebben, dat wij zelf alles hebben gekregen, niet om te bewaren of te verstoppen, maar om uit te delen. Als Jezus tegen ons zegt: “Jullie moeten hun te eten geven”, gaat het allereerst om het hele concrete brood, voedsel voor vandaag. In september wordt er vanuit de kerken hier in Osdorp begonnen met het uitdelen van eten aan mensen die werkelijk voedsel tekort komen, die niet zeker zijn van hun dagelijks brood. Ik ben blij dat op die nood een concreet antwoord komt, in plaats van te bedenken dat we er vast niet in slagen om iedereen te helpen, of ons alleen maar af te vragen of het niet hun eigen schuld is. Daarnaast is er nog een andere manier uitdelen waardoor er niet minder komt maar meer. Als je taart uitdeelt of geld, komt op een gegeven moment het eind in zicht, en mag je je zelfs afvragen met hoeveel mensen je dit zinvol kunt delen, maar als het om oprechte aandacht gaat, om concrete liefde, dan hoef je alleen maar te beginnen bij de mensen die je onderweg tegenkomt, en dan zal blijken dat dit de uitzondering op de regel is: wie liefde uitdeelt, krijgt niet steeds minder, maar er komt steeds meer.

Zo worden wij - ook hier vandaag weer in deze viering - uitgenodigd om, zoals we zijn, deel te nemen aan de feestmaal van Gods koninkrijk, niet passief maar door te helpen uitdelen.

Zoeken in Preken Online