ZEVENTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR A
GODELIEVEPAROCHIE ROESELARE– 29 / 30 juli 2017
Lezingen : 1 Kon. 3, 5.7-12 en Mt. 13, 44-52
Geert Dedecker
Inleiding op de lezingen
Een hartenwens uitspreken – dat is het allereerste wat koning Salomo van God mag doen, nog voor hij goed en wel als koning geïnstalleerd wordt in het Rijk Gods. Inderhaast overloopt de Zoon van David in gedachten al wat hij mogelijk zou kunnen wensen: een groot paleis, een machtig leger, overvloedige rijkdom, een massa trouwe onderdanen, of misschien een goeie smartphone om op tijd te kunnen twitteren, trumpen, francken en tweeten… Maar na rijp beraad vraagt hij aan God: Weet je wat je doet, Lieve Heer, - schenk mij maar meteen een cadeaubon (of beter nog: een garantie-bon!) voor een luisterhart. Letterlijk staat er: Geef mij wat “lef”, wat zachte moed om een goede en wijze koning te kunnen zijn.
In het evangelie horen we dan weer over een gekke boer die omwille van een plotseling gevonden schat in zijn akker alles verkoopt wat hij bezit: zijn hooischelf en zijn geit, zijn stallen en zijn kippenhokken, zijn greep, zijn spade en zijn ploeg, zijn hofstee en zijn landerijen. Juridisch is er niets geregeld, en wat zijn vrouw daarvan zal zeggen en zijn kinderen, zijn boekhouder, zijn adviseur van de Boerenbond… – hij trekt er zich niets van aan. Want hij heeft ‘lef’, die boer. Hij heeft zijn hele hart verloren aan die wonderbaarlijke pas gevonden schat.
Zou het kunnen dat die gekke boer volgens Jezus een beeld is van God zelf, die ooit de aarde en de mensen heeft gekocht omdat Hij er zot van was, en er een hoge prijs heeft voor betaald? Een God die élke mens – jij en ik, en àlle mensen zondermeer, de zwaksten en de kleinsten nog het meest - in het oog heeft gekregen, en sindsdien hen allen naar waarde schat, hen eer-biedigt en hoog-acht – en er dus maar blijft in investeren…? Die gekke boer – waarempel: het zou wel eens God zelf kunnen zijn, maar dan incognito zoals zo vaak in de Schrift; de Herenboer van het Rijk Gods in camouflagepak…
Twee prachtige lezingen vandaag – we hebben ‘chance’! Wie oren heeft om te horen, hij luistere…
Homilie
Gode-lieve mensen,
soms, een enkele keer, wanneer ik bijvoorbeeld in volle vakantie gevraagd word om in een kerk als deze te preken, overvalt het me even. Daar gaan we dus nog maar een keer, denk ik dan. Ik mag het weer eens een keer proberen uit te leggen. Dat wat niet uit te leggen is. Dat wat door mijn vingers vloeit als stromend water. Dat wat zo genesteld en verweven zit in mezelf. Dat wat samen met mij langzaam ouder wordt, verandert, rimpels krijgt, verschrompelt soms, bedachtzamer wordt, meer verinnerlijkt. Dat wat toch altijd nog verwarrend blijft en mysterieus, en steeds meer schuchter en bedeesd om naar buiten te komen. Dat alles waarvan ik niet weet wat het is, en of het wel écht bestaat, en hoe het uit te leggen is. Of ik dat eigenlijk wel kan, die uitleg geven. En of dat er zoveel toe doet…
Neem nu God. Ooit las ik in het seminarie hardop de gebeden mee met Zijn naam: *God, onze Heer; God, Almachtige Vader; God, Schepper van hemel en aarde… *Maar met de tijd is alles een stuk verschoven. De Grote God is kleiner geworden, en de kleine God wat groter. De Hoge God is dichterbij gekomen. God zelf is beeld-lozer geworden, terwijl ik soms in het dagelijks bezig zijn van mensen juist zoveel meer goddelijke beelden zie. De God-van-de-hoge-hemel is niets-zeggender geworden, terwijl ik bij momenten zoveel goddelijke woorden opvang van de mensen om me heen. Hij is leger geworden, terwijl de volheid van het Leven me soms overrompelt. Hij is machtelozer geworden, terwijl er soms in doodgewone mensen zoveel kracht te ervaren is. Hij is zoveel minder hemels, terwijl er zoveel goddelijks op aarde is. Misschien is *God *niet meer de juiste naam. En Hij al zeker niet. Het goddelijke past beter, het onzegbare, het Leven zelf.
God is een werkwoord geworden in plaats van een zelfstandig naamwoord. God brengt in beweging, God verbindt, God brengt stilte of onrust, God lacht, God ruist en bruist, God raakt je aan, God schreeuwt je toe vanuit een ander mens, God vloekt om zoveel onrecht. Uiteindelijk is God het Leven zelf dat telkens weer onstuitbaar doorbreekt. Het Leven dat onder mijn vel zit. Het volle Leven ook waar iedereen recht op heeft – het meest en eerst nog de rechteloze.
Soms adem ik bewust dat Leven in. En heel soms ademt Het in mij. Het onzegbare.
Het onzegbare. Dat belt niet. Dat blijft niet. Het is er ineens – zomaar onverwacht. Ga zitten dringen wij aan, drink iets, maak het je gemakkelijk. Maar daar is het nog maar pas, en het gaat al terug weg. God die even bij ons binnenkomt: flitsen zijn het, hooguit momenten van ontroering en verwondering. En dààr moeten wij het mee doen.
Dat simpele tekstje waarmee ik indertijd – heel lang geleden – mijn eerste godsdienstles van het jaar altijd begon. Als een schuchtere maar eerlijke geloofsbelijdenis:
Soms voel ik diep van binnen iets van God ik wou dat ik die dingen op kon schrijven maar als ´t naar buiten komt is het kapot die dingen kunnen beter binnen blijven.
Uit Toon Hermans: ‘Fluiten naar de overkant’
Eigenlijk geloven de meeste mensen niet dat God zo dichtbij en midden in het leven is. De meesten denken dat Hij, àls Hij al bestaat, zeker ver weg en buitenaards moet zijn. Dat Hij misschien nog wel eens een zeldzame keer een boodschapper van een engel stuurt of vanuit de verte opbelt om te vragen hoe het met ons gaat… Maar dat Hij hier onder ons voortdurend aan het werk is, op zijn eigen bescheiden ‘incognito-manier’, dat Hij iedere keer voor mosterdzaadje speelt en voor gist-en-spiritus in het deeg, dat Hij mooie parels in onze akkers verbergt of bij momenten rondloopt als een milde zaaier - dat vinden de meeste mensen vreemd en onwaarschijnlijk. En daarom moest Jezus steeds weer gelijkenisjes vertellen, om te laten horen en zien hoe het er in het Rijk Gods aan toegaat. En ook een beetje, denk ik, omdat hij als predikant geregeld verlegen zat met het nog maar eens moeten uitleggen van die moeilijke dingen…
Gode-lieve mensen, mag ik zelf een schuchtere poging doen om één van die gelijkenisjes te vertellen die ik de voorbije weken in mijn logboek – het dagboek van een herdershond – heb opgeschreven? Je moet weten: sinds kort mag ik af en toe voorgaan en preken in de gevangenis van Brugge. Er is een viering op zaterdagavond voor de vrouwen, en twee vieringen op zondagmorgen voor ‘Mannen 1’ en ‘Mannen 2’, de kort- en langgestraften.
Het is voorbij. Ik rij op zondag tegen de middag terug naar huis. En onderweg in de auto, aan mezelf overgeleverd, vraag ik mij af: Wat ben ik daar nu eigenlijk gaan doen? En heeft dat zin? Wat is nu dat goede nieuws, die blijde boodschap die ik daar wilde gaan verkondigen? En zou iemand er iets aan gehad hebben? Zouden ze me begrepen hebben zelfs? Hebben ze geluisterd? Heeft het hen ‘geboeid’..? (een wat onhandig woord natuurlijk, in deze context!) De vragen die een predikant zich altijd weer stelt na de gedane taak. En al nadenkende realiseer ik me: ik heb vandaag en gisteren misschien toch hier en daar wat sporen van menselijkheid gezien in die kille, harde, haast onmenselijke sfeer van de gevangenis. Misschien heb ik zelfs op een paar momenten even God zien gebeuren. Een paar kleine gelijkenisjes waren het, niet meer.
Moet je horen: ‘Het Rijk Gods in de gevangenis van Brugge gelijkt op…’ Dat kleine jongentje van nauwelijks anderhalf jaar dat vooraan op de eerste rij in de maxi cosi bij zijn mama zit. De hele viering lang zwaait hij en kraait hij naar mij – hij lijkt zondermeer alles te begrijpen wat ik zeg. Zelden zo’n enthousiaste misganger gezien! En wanneer ik een liedje laat horen (‘C’est l’ espérance folle…’ van Guy Béart – een prettige walsmelodie en een meezinger) wiegt hij waarempel lustig mee op de tonen van de muziek… Het kleine meisje hoop (een jongentje weliswaar in dit geval) van Charles Péguy waar ik zojuist over gepreekt heb… Een zestiger met een soort van grijze profetenkop op de derde rij, die de hele tijd met zijn rechterhand aan het hoofd bedachtzaam zit te luisteren; zich bij het horen van ‘Imagine’ van John Lennon ineens opricht en zachtjes begint mee te zingen van ‘You may say I’m a dreamer, but I’m not the only one…’ Zijn medegevangenen in de kapel kijken verbaasd om – maar hij stoort er zich niet aan… D., de gedetineerde-muzikant die tijdens de communie ongevraagd en onvoorbereid zomaar op zijn keyboard rond datzelfde ‘Imagine’ begint te improviseren en bijna van geen ophouden weet (hij heeft er natuurlijk alle belang bij dat de viering zo lang mogelijk duurt – maar toch…) Die jonge kerel die mij bij het naar buiten gaan na de viering een hand komt geven en zegt: ‘Dankjewel Meneer Pastoor. Het was goed.’ En met een knipoog voegt hij er aan toe: ‘Ge zijt ne goeien gij, ge moogt hier gerust voor altijd blijven als ge wilt…’ En dan het mooiste van allemaal. Op het moment dat ik wil beginnen met de communie uit te delen, springt één van de gedetineerden op de eerste rij ineens recht, komt naar me toe, en grijpt me bij mijn mouw. Ik schrik toch wel even – niet vergeten: we zijn in de gevangenis! Maar nee, ‘Vrees niet!’ - hij trekt me alleen maar resoluut mee naar zijn compagnon die al de hele tijd naast hem zit: een oude, bijna blinde man. En voorzichtig tilt hij de rechterhand van zijn makker op, maakt die wat open en brengt die tot bij mij, zodat ik er de communie kan in leggen. ‘Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt…’ heb ik zopas nog uit pure liturgische gewoonte gezegd in naam van alle aanwezigen en van mezelf… Ik had er geen benul van dat de Heer die ochtend zo incognito in de gestalte van een blinde gedetineerde oude man naar mij toe zou komen. Gode-lieve mensen, de Italiaanse schrijver Italo Calvino stelt dat er twee manieren zijn om niet te lijden onder het feit dat de wereld die we bewonen een hel is. De eerste valt voor velen het gemakkelijkst uit: die hel proberen te aanvaarden, en cynisch wachten tot je op het punt gekomen bent dat je haar niet meer voelt of ziet. De tweede manier vereist ononderbroken aandacht en gebed: zoeken wie en wat, midden in die hel, géén hel is, en dàt in jou laten voortbestaan, dáár ruimte aan geven. Het is niet simpel, zo’n levenshouding. Maar het is te leren, het is in te oefenen en over te dragen aan anderen – aan je kinderen en kleinkinderen bijvoorbeeld. Als je weet in welke grond wreedheid, haat en onverschilligheid wortelen – en dat weten we, dat is traceerbaar, analyseerbaar, historisch bestudeerbaar – en in welke grond mededogen en empathie, dan kun je een begin maken met een leven, een wereld waarin niet de leugen van de hel maar de liefde van de hemel regeert. Zoek de zachte krachten op en wek ze tot leven, in jezelf, in anderen. Delf in een samenleving die overmand is door duisternis, de kostbare parel, de schat van het licht op. Van koning Salomo kunnen we het leren om dag na dag te bidden: Heer God, geef mij een luisterhart. Dat ik de sporen van menselijkheid én goddelijkheid mag blijven opmerken in alles wat gebeurt. Geef mij ‘lef’ genoeg om het uit te houden in de hel en in de gevangenis die deze wereld soms ook is. Zo moge het zijn. Geert Dedecker Dienst Diaconie bisdom Brugge en ORBIT West-Vlaanderen Voor het eerste stuk van deze homilie haalde ik nogal wat inspiratie uit een column van Ann Verscuren in TGL jg. 66, nr. 4 – juli/aug. 2010.
OP ZOEK NAAR EEN CADEAUBON VOOR HET ‘NIEUWE NORMAAL’…
Geef mij maar een luisterhart, een hart met twee grote oren aan…
Vrij naar het Bijbelverhaal in 1 Koningen 3, 5-15.
Een hartenwens uitspreken – dat is het allereerste wat kroonprins Salomo van God mag doen, nog voor hij goed en wel geïnstalleerd wordt als koning in Israël. Terwijl hij slaapt spreekt JHWH tot hem: je mag alles wensen wat je wil, en Ik zal het jou geven… Salomo - zijn naam betekent zoiets als ‘Vredeman’ - overloopt in zijn dromen al wat hij mogelijk zou kunnen wensen: een groot paleis, een sterk leger, veel geld in de staatskas en in de eigen portemonnee, een mooie vrouw en lieve kinderen, getrouwe onderdanen. Maar uiteindelijk vraagt hij aan God: geef mij toch maar eerst en vooral een luisterhart. En God zegt: omdat je dit hebt gevraagd, en niet al die macht en pracht en praal, zal de rest je erbij gegeven worden.
Gebed om lef
Schenk mij bij mijn troonsbestijging maar meteen een cadeaubon voor een luisterhart, antwoordt Salomo dus in zijn droom. Doe maar ‘een groot hart met twee oren aan’, graag!. Dan hebben de mensen er ‘pak’ aan… (een zak of een tas waar geen ‘oren’ aan staan, daar heb je geen ‘pak’ aan). Ik zou willen dat de mensen weten wat ze aan mij hebben. Letterlijk staat er, geef mij een beetje “lef”. Het Hebreeuwse woord voor “hart”, is “lef”. Wij hebben dat woord overgenomen in onze Nederlandse taal, waarin het de bijklank heeft gekregen van overmoed. Maar om “lef” vragen betekent eigenlijk: geef mij de zachte moed om de vragen van de mensen in mijn hart op te nemen, om die van op mijn hoge troon niet luchtig weg te wuiven of hautain af te wimpelen. Kerf voldoende vraagtekens in mijn hart, en als het kan wat minder uitroeptekens. Schenk mij meer “ge-weten” dan weten. Geef mij de moed en de bekwaamheid om de échte vragen van de mensen te blijven horen, en ze tot mijn eigen vragen te maken. Geef me wijsheid om te kunnen onderscheiden waar het écht op aan komt. En leer mij dan verder hoe ik met al die vragen bedachtzaam en voorzienig kan omgaan, en hoe ik als koning soms een beetje mee kan helpen zoeken naar goede antwoorden voor mijn mensen…
Vrij vertaald zegt Salomo tot God: Wil mij bij deze asjeblief inschrijven in het leerhuis van de Tora. Introduceer mij als permanente scholier in dat ‘levenslang leren’. Doe mij streven naar ‘grote onderscheiding’ in de ‘humaniora’ (dat is letterlijk: meer-mens-worden). Maak mij ge-hoor-zaam in het uitoefenen van gezag en macht, zodat ik vooral oren heb naar de noden en verzuchtingen van de armen en rechtelozen in mijn land. Laat niet te veel en niet te snel pasklare antwoorden in mij opkomen, die netjes in mijn koninklijke kraam passen of die ik van te voren stiekem naar mijn hand heb gezet. Leid mij tenslotte altijd onontkoombaar tot bij mijn eigen ver-antwoord-elijkheid. Leer mij bidden, zodat ik als koning permanent blijf zoeken naar een antwoord dat levenskansen biedt en perspectief voor wie aan mijn herderschap zijn toevertrouwd. Maak mij bekwaam en geduldig om te blijven zoeken naar leefbare oplossingen op zoveel belangrijke terreinen: in de politiek, de economie, de beurswereld, de rechtspraak, de moeilijke disputen rond oorlog en vrede. Help mij in alle regeringsprogramma’s, wetteksten en besluiten altijd het recht van de zwakste prioritair te stellen… Koning Salomo vraagt God bij zijn aanstelling als grootste cadeau dus om ‘lef’, om een hart dat kan luisteren. Nadrukkelijk staat er ‘luisteren’, en dat is het tegendeel van ‘ont-luisteren’ (er gebeurt in de wereld om ons heen zo veel wat ‘ontluisterend’ is…) Die gave, die vaardigheid, die royale “heiligmakende genade” is het begin van de wijsheid die de traditie vanouds aan Salomo toeschrijft, bij zoverre zelfs dat alle Wijsheidsboeken uit de Bijbel uiteindelijk op zijn naam zijn gezet. Net zoals de psalmen allemaal worden toegeschreven aan koning David. Wie goed hoort en luistert, wie écht ge-hoor-zaam is (in de sterke betekenis van dat woord: iemand die kan horen!), die is pas echt goed uitgerust voor het ‘nieuwe normaal’, voor het ‘koningschap’ dat elk van ons te wachten staat ‘op onze vierkante meter’. Dat ‘wijs en verstandig hart’ waar Salomo om vraagt, is het vermogen actief op de concrete situatie in te spelen, een bestuurlijke ‘savoir vivre’, een charisma om het volk enthousiast te maken en te houden voor het ‘visioen van vrede en menselijkheid’, de komst van het Rijk Gods op aarde… Want zoals we allemaal weten (en de feiten op het terrein geven de Bijbel ook hierin voortdurend gelijk!): ‘Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk…’ (Spreuken 29,18). Salomo koos voor wijsheid om te kunnen onderscheiden waar het écht op aan komt. Hij wist hoe moeilijk het is om de juiste keuzes te maken: ‘Sjema Israël’: vóór het leven, tégen de dood…’ De Bijbel weet hoe gemakkelijk we misleid worden door allerlei afgoden: het grote geld, de macht, het eigen gelijk, de eigen veiligheid enz… Zoals Salomo vragen om een luisterhart met twee grote oren aan of twee vraagtekens er in, een horig, een ‘gewarig’ hart, wil ook zeggen dat je de stemmen blijft horen van de mensen aan de onderkant, de kleinsten en zwaksten, zij die zich niet kunnen ‘weren’ en verdedigen in het leven, zij die roepen om vrede en recht, dichtbij én ver weg. Pas wanneer dàt gebeurt, zullen in het land van koning Salomo, in het ‘nieuwe normaal’, het Beloofde Land, ‘Tomorrow-land’, het Rijk der hemelen waar ‘Vredeman’ koning is, mensen in alle verscheidenheid op een menswaardige manier kunnen samenleven…
Zoon van Jozef de timmerman…
Onderkant formulier Mijn vader heette Jozef en hij was een timmerman. Er is een tijd geweest – ik heb het nog als kind gezien – dat hij in alle vensterluiken die hij maakte bewust een hartje uitspaarde. Mijn vader was op zijn manier een hartelijk man! Hij zorgde er mee voor dat ’s avonds, wanneer de luiken van de huizen in het dorp gesloten werden, er heel bescheiden vanuit de huiskamers wat vriendelijk licht bleef schijnen in de donkere nacht. In die tijd hadden de huizen nog een hart; nu zie je dat bijna niet meer. Vroeger zaagde mijn vader zelfs een hartje uit in iedere wc-deur die hij maakte. En ieder die daar zat, in die meest menselijke van alle posities, kon door dat hartje heen toch nog de wereld hartelijk zitten bekijken. Nu zie je dergelijke wc-deuren bijna niet meer. En wanneer een jongen verliefd was, kerfde hij met veel overgave een hart in de bast van een oude boom, met twee letters erin en een pijltje erdoor. Dat hartje groeide dan verder mee met die boom, het verweerde en trok scheef, maar het bleef daar altijd staan in weer en wind, soms meer dan een mensenleven lang. Dat was in de tijd toen verliefde mensen elkaar nog echt in het hart droegen; nu zie je dat zoveel niet meer. De dingen en de mensen, ze moeten een hart hebben. Vroeger wist mijn vader dat; nu lijkt men het vergeten. Een kind heeft me ooit geleerd (waar halen kinderen toch die wondere wijsheid soms vandaan?) hoe je het best en het makkelijkst het hart van een mens kunt tekenen. Dat kind zei: je neemt gewoon twee grote oren en je zet die omgekeerd tegen mekaar - dan heb je het hart van een mens. Of, zei dat kind, het mogen ook twee grote vraagtekens zijn, die je in spiegelschrift een plekje geeft dicht tegen elkaar. Ineens besefte ik hoe waar dat is: een hart moet oren hebben; een hart moet vragen leren stellen (de trage vragen vooral!) Grote oren hebben naar de vragen van een ander. Weet je waarom God bij de schepping aan de mens twee oren heeft gegeven en maar één mond? Omdat hij moet leren twee keer méér te luisteren, dan zelf te willen spreken… (uit Geert Dedecker: ‘Ziet, daar komt de dromer’, p. 89)
Over de hemel weten we niet zoveel met zekerheid. Of die echt bestaat, en hoe het er aan toe gaat wanneer je daar arriveert. Maar sinds ik mijn vader bezig heb gezien in zijn timmeratelier, weet ik dit alleszins zeker: de hemel heeft een grote zware ouderwetse houten deur, en er zit een hartje in met twee grote oren…
Chagall - God Appearing in a Dream to Solomon, Who Asks for the Gift of Wisdom
OREN
En de jongen vroeg: God heeft vast en zeker heel veel oren om de woorden en de taal van alle mensen te kunnen horen?
En de vader zei: Tel de oren van iedereen die leeft en je weet hoeveel oren God heeft.
Marcel Zagers
Menselijk oor doorlopend een lijn tekening. Illustratie 11419158 Vectorkunst bij Vecteezy
‘Toen heb jij, eenzaam als je was, minnaar zonder beminde, stem zonder weerklank, man zonder vriend, toen heb jij zo aanhoudend en hartstochtelijk gebonsd op mijn deur, dat ik wel horen moest. En ik werd ik. En Jij, wat ik verder ook van Je denk, Jij werd een God van mensen …’
Huub Oosterhuis, in ‘Zien – soms even’.
(5 juli – 52° verjaardag van mijn priesterwijding)
Toni Zenz - De luisteraar