Homilie op de 17e zondag door het jaar A: het Rijk Gods, een schat!
(Mt. 13, 44-52)
Tielt, 27 juli 2014
Op zondag 11 juli 1999, ’s morgens heel vroeg, vertrok ik met de acolieten van de Sint-Pietersparochie op reis naar Rome. Tussen de middag en de avond van diezelfde zondag zijn dieven bij mij thuis binnengedrongen. Ze hebben de hele dekenij doorsnuffeld van onder tot boven. Ze gingen daarbij heel selectief te werk: blijkbaar waren ze enkel op zoek naar geld. Ze hebben op klaarlichte dag mijn brandkast uitgebroken en meegenomen. Dat is geen leuke ervaring, want er staken enkele waardevolle stukken in. Gelukkig had ik ook een safe in de bank. Daar konden ze natuurlijk niet bij.
Aan die ervaring dacht ik toen ik deze week mijn homilie moest voorbereiden over de parabel uit de evangelielezing van vandaag: de parabel van het Rijk Gods, een schat.
De schatten, die vele mensen najagen en waarvoor ze alles over hebben, zijn even onveilig als wat ze bergen in hun brandkoffer thuis.
Wat zijn die schatten in hun leven? Waarvoor gaan mensen door het vuur? Dan flitst er een hele reeks antwoorden door mijn hoofd.
Sommige mensen vinden uiterlijke schoonheid hun grootste schat. Ze zijn bereid daarin heel veel te investeren en zelfs aan plastische chirurgen hoopoplopende rekeningen te betalen. Maar het is een schat even min beveiligd als wat ze thuis in hun brandkast stoppen. Want de dief der jaren neemt die mee, ongevraagd. Onlangs zei me iemand: “Mr. de deken, u bent wel bewaard.” Waarop ik antwoordde: “Niemand zei me dat toen ik 18 was.”
Voor anderen is de gezondheid de grootste schat. Ze toasten op hun gezondheid en spoelen hun wensen door met zoveel alcohol dat hun gezondheid eronder lijdt. Gezondheid is natuurlijk heel belangrijk, maar bijzonder broos, even min beveiligd als de schat in de brandkast thuis.
Je hoort ook mensen die hun schat zoeken in hun werk of in hun carrière. Daarvoor offeren ze alles op: het welzijn van hun gezin, hun vrienden, hun gezondheid. Maar als carrière hun grootste en enige schat is, verliezen ze ooit alles, vroeg of laat. Op het moment dat ze ontslagen worden op hun werk of op pensioen gesteld, is hun leven voorbij of althans zonder inhoud. Ze vervelen zich dood en kwijnen weg. Soms met tragische of dramatische gevolgen. Carrière, een onbeveiligde schat!
Je kunt niet blijvend leven van je uiterlijke schoonheid, hoe waardevol die ook is. Je grootste schat is niet je gezondheid, hoe belangrijk die ook is. Het belangrijkste is niet je carrière, je luxueuze woning of je supersnelle wagen. Dat zijn allemaal broze schatten, even slecht beveiligd als die in je onveilige brandkast thuis. In enkele uren tijd nemen ze die mee of plunderen ze die leeg.
Daarom is het beter op schatten te jagen even safe als een schat in een safe in de bank. Welke zijn die schatten?
De grootste schat is dat er mensen zijn die om je geven. Niet alleen als je ziek of oud bent, of omdat je hulp nodig hebt. Dan zeker! Maar voor elke mens, ziek of gezond, oud of jong, is het een schat te voelen dat er mensen zijn die je de moeite waard vinden. Niet om wat je hebt of kunt of om wie je bent of hoe je eruit ziet. Neen! Gewoon omdat jij “jij” bent. Het is een grote schat te voelen dat mensen je nemen en graag zien zoals je bent.
Dat doet God met elk van ons. Hij neemt en ziet ons altijd graag zoals we zijn. Het is een bijzondere gelukservaring je graag gezien en aanvaard te weten zoals je bent.
Die schat van het Rijk Gods moet je vinden in je gewone leven. De boer, - zo hoorden we in de parabel, - vindt die schat terwijl hij doet wat hij elke dag doet: het land bewerken. En de koopman terwijl hij doet wat hij altijd doet: parels zoeken en verkopen. Meestal zoeken we onze schat te ver. We zijn als vissen die niet weten dat het water hun schat is en dat pas beseffen als ze aan land liggen te hijgen en te snakken naar water. De schat van het Rijk Gods vind je in het gewone leven van elke dag: in je vrouw of man, in je kinderen of kleinkinderen, in je vader en moeder, in je vriend of vriendin, kortom, in zoveel mensen om je heen die je de moeite waard vinden.
En de Heer vraagt dat je zelf een schat van een man of vrouw, een parel van een jongen of meisje, zou zijn voor de mensen op je levensweg.
Die schat ligt niet verborgen in een brandkast, die je niet kunt beveiligen tegen dieven. Het is een schat in een safe, die de vele spirituele dieven in onze maatschappij je niet kunnen ontnemen.
Ik wens je veel schattige ervaringen.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt