Dag iedereen,
In de weekendvieringen tijdens de vakantie in de gevangenis PCB Brugge zijn we bezig met een reeks van vijf vieringen, gekaderd in wat we noemen: de zomercyclus-2023 Altijd onderweg’. Uitgangsvraag van de aalmoezeniersploeg was: wat zou ‘vakantie’ in Godsnaam (!!) kunnen betekenen voor mensen in detentie? Zeker is het voor hen nog meer dan anders een soort ‘lege tijd’, want een heel aantal activiteiten vallen op dat moment stil in de gevangenis; zij weten en beseffen maar al te goed dat heel wat mensen ‘buiten’ genieten van een al dan niet verre reis, van gezellig samenzijn, van uitrusten en ontspannen enz…
Wij dachten: het enige wat mensen in detentie kunnen doen tijdens de zomervakantie is misschien: een beetje ‘op reis gaan’ in hun hoofd en in hun hart – zich wat bezinnen over de weg die zij willen/moeten gaan, dromen van een toekomst die (misschien) ‘buiten’ ooit nog op hen wacht, nadenken over de kleine stappen die zij nu al kunnen zetten, hopen op enig reisgezelschap vandaag en morgen, enzovoort…
Zo zijn we dan uiteindelijk uitgekomen bij vijf Bijbelse verhalen over het ‘altijd onderweg zijn’. Er zijn enkele gespreksgroepen gevormd van mensen in detentie, die week na week samenkomen om van gedachten te wisselen over de vragen die telkens bij het verhaal van de week zijn toegevoegd; er staat vooraan in de kapel een tentje opgeslagen, ineen geknutseld door een vrouwelijke gedetineerde; Mieke De Jonghe – parochieassistente in PE Sint Trudo Assebroek heeft kundig en creatief een logo ontworpen voor elke week, en ook een prachtig en handig ‘reisplan’ waar al onze haltes met wat duiding zijn op aangegeven: de Kerit-beek, de Jabbok, de tent van Abraham bij de eik van Mamre – Jona onder zijn wonderboom bij de stad Ninive – Elia bij de bremstruik in Berseba…
Verder is het ook zo dat enkele parochie- en andere geloofsgemeenschappen symbolisch mee met de mensen in detentie op stap wilden gaan, vijf weken aan een stuk. Ze steken een kaars aan op het moment dat de gespreksgroepen doorgaan – wij doen dat bij het begin van de vieringen en de gespreksgroepen ook; er wordt ook in hun kring over de Bijbelverhalen gepraat en van gedachten gewisseld, ze hebben beloofd van een groet, kaartje ter bemoediging te schrijven van ‘buiten’ voor de mensen ‘binnen’ enzovoort… een heel avontuur dus.
In bijlage stuur ik even de vijf verhalen door, met telkens de vragen erbij voor de gespreksgroepen. Plus ook (in alle bescheidenheid!) de teksten van de viering van verleden weekend waarin ik mocht voorgaan, plus de toespraak (die ik uiteraard erg verkort) heb uitgesproken.
Ik besef heel goed dat haast niemand van de ontvangers van dit bericht hier direct iets mee kan aanvangen in de eigen vieringen voor enig weekend in de parochie of elders. Maar laat dit toch alweer maar een klein getuigenis zijn van wat er bezig is en omgaat in de helaas zo vaak vergeten en verzwegen ‘kerkgemeenschap’ die in de gevangenis levendig bestaat, over de gelovige, niet-gelovige of anders-gelovige mensen die daar verblijven, en over hun medestanders en begeleiders/omgevers… En ook nog: dat de mensen in detentie ons bijzonder veel belangrijke zaken te vertellen hebben over wat de Bijbelverhalen en de evangelielezingen ons te vertellen hebben, en dat we de Schrift pas écht goed als een bevrijdende boodschap met ‘goed nieuws voor de armen…’ kunnen lezen wanneer we vertrekken van en aankomen bij de diaconie in al zijn vele vormen…
In de hoop dat misschien ergens iemand hier iets aan heeft…
Met hartelijke groet - in verbondenheid!
geert dedecker
vrijwilliger-aalmoezenier in de gevangenis PCB Brugge
PCB Brugge
Zomercyclus 2023 ‘Altijd onderweg’
THEMALIED
Tussen de liefde en de leegte (Stef Bos)
Ik blijf mijn hele leven reizen
Ik volg de wegen van de twijfel
Ik zoek naar wat ik nooit zal vinden
Want ik wil dwars door de dood heen zingen
Ik wil proberen iets te maken
Ik wil niet breken, ik wil niet haten
Maar op zoek naar mooie woorden
Heb ik de liefde vaak verloren
Ik ben altijd onderweg,
Ik ben altijd onderweg
Ik leef onrustig en onzeker
Tussen de liefde en de leegte
DREMPELGEBED
Jij, aanwezige, nabije,
ga met ons mee,
want de weg is ons deel.
De weg tussen het vertrouwde en het onbekende,
met een stap die vertraagt bij ontgoocheling of tegenslag
maar versnelt bij ontmoeting en vriendschap.
Mogen wij op die weg elkaar tot zegen zijn,
in hart en nieren bewogen om elkaar,
tot teken van licht en vrede.
Laat ons samen leven vinden.
Dit is geen leven om te delen
En toch is heel m’n hart van jou
Maar laat me niet te veel beloven
Want ik blijf m’n dromen trouw
Ik zoek naar woorden om te zingen
Want dat is alles wat ik kan
Ik wil alleen en alleen bij jou zijn
Maar ik vind nooit de balans
Dus ik blijf altijd onderweg
Ik blijf altijd onderweg
Ik reis onrustig en onzeker
Tussen de liefde en de leegte
Ik ben altijd onderweg
Ik blijf altijd onderweg
Ik reis onrustig en onzeker
Tussen de liefde en de leegte
Op weg naar niemandsland - God blijft voor je zorgen. (1 Koningen 17)

Elia was een profeet. ‘Alleen Israëls Heer is God’, betekent zijn naam, en dat is eigenlijk alles wat hij kwam vertellen. Elia zag dat het land verkommerde. “God heeft er schoon genoeg van,” riep hij uit, “en om ons te laten zien hoe mis het is tussen hemel en aarde zal er voorlopig geen druppel dauw meer vallen en geen druppel regen.”
“En wij hebben genoeg van jou,” zeiden koning Achab en zijn vrouw Izebel. Ze wilden de profeet het zwijgen opleggen en probeerden hem gevangen te nemen. Misschien ging het dan wel weer regenen.
“Elia, vlucht naar het oosten, weg uit het land, verberg je bij de beek Kerit, aan de overkant van de Jordaan, “ zei een stem.
Elia vluchtte naar het oosten, weg uit het land, en verborg zich bij de beek Kerit, vlak bij de Jordaan. Raven brachten hem brood en vlees, in de morgen en in de avond. Water dronk hij uit de beek.
De hemel bleef gesloten, er viel nog steeds geen druppel regen en tenslotte verdroogde ook de beek. “Elia, ga naar Sárefat bij Sidon,” zei de stem. Daar zul je een weduwe ontmoeten, zij zal je voedsel geven.” Elia geloofde het. Hij ging.
Bij de stadspoort gekomen zag hij een vrouw in het zwart aan het hout sprokkelen. “zou u voor mij wat water willen halen in deze kruik?” vroeg hij.
De vrouw nam de kruik en ging water halen. “En neem ook wat brood mee,” riep hij haar na. De vrouw draaide zich om, je kon aan haar holle ogen zien dat ze honger had. “Brood zei u? ik heb geen brood meer, heer, geen kruimel. Ik heb alleen nog maar een handvol meel in de pot en een bodempje olie in de kruik. Ik sprokkel wat hout om het laatste voedsel klaar te maken voor mijn zoon en voor mij. Wanneer het op is, wacht ons de dood.”
“Vrees niet, vrouw, doe wat je van plan was. Maar bak eerst een kleine broodkoek en breng mij die. Bak daarna het brood voor je zoon en voor jezelf. Want de heer, de God van Israël, zal ervoor zorgen dat het meel in de pot niet opraakt en de olie in de kruik evenmin, tot op de dag dat hij het weer zal laten regenen.” De vrouw ging naar huis en deed wat Elia gezegd had.
De machtige koningin Izebel wilde Elia doden, een arme weduwe uit die streek deelde met hem haar laatste brood. Tot op de dag dat de Heer het weer liet regenen, raakte het meel in de pot niet op, de olie in de kruik evenmin.
Uit ‘Moet je horen’ – de kinderbijbel van Nico ter Linden
Enkele vragen ter bespreking in de gespreksgroep:
Wat treft jou in dit verhaal? Wat vind je mooi en goed? Wat vind je vreemd? Wat herken je? Wat begrijp je niet?
Heb je dat al meegemaakt in jouw leven: dat je op de vlucht was voor jezelf, voor de mensen om je heen, voor de hele wereld misschien? Dat je je wilde verbergen, wilde onderduiken en eigenlijk niet meer wilde verder leven?
Wie of wat heeft jou dan voort geholpen? Hoe bleef je toch nog overeind, te midden van alle ellende en miserie?
Geloof je in echte vriendschap en solidariteit? Kan je iets vertellen over één iemand die je kent, die zich voor wie het moeilijk heeft het brood uit zijn of haar mond zou sparen..? Vertel eens… En wat heb je daaruit geleerd voor jezelf?
Op weg naar je broer – je vecht in de nacht met de Ander en jezelf. (Genesis 32)

Op een avond bij de rivier de Jabbok gekomen, laat Jakob zijn vrouwen en kinderen en geheel zijn bezit de doorwaadbare plaats overtrekken. Alles en iedereen brengt hij naar de overkant, naar het land Kanaän. Zelf blijft hij alleen achter.
Plotseling duikt er een gestalte op in het donker. Iemand grijpt hem vast, Jakob valt, er ontstaat een gevecht.
Wie is die geheimzinnige vreemdeling die de grens van dit gebied bewaakt? Is het Esau die hem wil tegenhouden? Is het een engel die hem bij zijn kladden heeft gepakt, worstelt Jakob met God? Aan wie moet Jakob tol betalen, voor hij van deze schipper mag overvaren?
Ze vechten en vechten, het is erop of eronder, en er komt maar geen einde aan de nachtelijke worsteling. Plotseling voelt hij een stekende pijn in zijn onderlijf. Wonderlijk is dat, want de gestalte heeft hem daar maar even aangeraakt. Wie is dit toch en wat een bijzondere kracht gaat er van hem uit? Jakob verbijt zijn pijn en vecht door, vecht door, totdat achter de toppen van de bergen het eerste morgenlicht verschijnt.
“Laat mij gaan, het wordt al dag,”, zegt de gestalte. Is hij bang om te worden herkend?
“Ik laat u niet zomaar gaan, ik wil dat u mij eerste de zegen geeft.”
“Wie ben jij? Hoe is je naam?” vraagt de vreemdeling.
De engelen in de hoge hemel houden hun adem in. Wat zal Jakob nu ten antwoord geven. “Wie ben jij?” Had zijn blinde vader dat niet ook eens gevraagd?
“Mijn naam is… Jakob.”
Dat is een bekentenis. Jakob biecht op dat hij een bedrieger is: “Ik ben een man met streken.”
“Je naam zal niet meer Jakob zijn, Beetnemer, maar Israël, Strijder van God. Want je hebt gestreden met God en met de mensen, en je hebt gewonnen.”
Jakob is een ander mens geworden en krijgt daarom een nieuwe naam. Hij heeft de goede strijd gestreden. Jarenlang heeft hij achter de zegen aangezeten, nu weet hij dat je die zegen nooit zelf kunt pakken, hij moet je worden gegeven.
Maar nog steeds weet Jakob niet wie hem in ’s hemelsnaam die zegen heeft gegeven. “Zeg mij toch, hoe is uw naam?”
“Wat vraag je mij naar mijn naam? Je zult mijn naam nooit kennen, want ik blijf een geheim. Ik heb je gezegend, dat dat je genoeg zijn.”
Uit ‘Moet je horen’ – de kinderbijbel van Nico ter Linden
Enkele vragen ter bespreking in de gespreksgroep:
Wat treft jou in dit verhaal? Wat vind je sterk en goed? Wat vind je vreemd en abnormaal? Wat herken je? Wat begrijp je niet?
Zijn er in jouw leven al momenten geweest waar je jezelf bent tegengekomen, moest worstelen met vragen als: ‘Wie ben ik toch dat dit of dat mij is overkomen..?’ En ‘Hoe moet het verder met mij, nu ik in deze situatie ben beland..?’ Vertel eens.
Wat betekent dat concreet voor jou: ‘Oog in oog staan met jouw broer of zus, met een ander mens die je schade hebt toegebracht…’? Hoe kan je dat (ooit) goedmaken, denk je..?
Hoe ga je om met schuldgevoelens? Wat betekent vergeving voor jou? Welke kwetsuren hou je over aan dat moeilijke ‘gevecht’ om met je verleden in het reine te komen? Hoe en wanneer krijg je weer wat zicht op de toekomst?
Hoe zie je God: als een medestander of een tegenstander? Iemand die aan jouw kant staat of iemand die jou hindert en belet van voluit te leven..?
Op weg naar morgen - onbekende gasten brengen je goed nieuws.
(Genesis 18, 1-15)

Op een keer zat Abraham te middagdutten in de opening van zijn tent, het was op het heetst van de dag. Ineens stonden er drie mannen op zijn erf. Abraham schrok en liep snel naar hen toe: “Neemt u mij niet kwalijk, ik had u niet aan zien komen, het lijkt wel of u zo uit de lucht bent komen vallen.”
Zo druk was hij in de weer om de vreemdelingen gastvrij te ontvangen, dat hij niet zag hoe de drie elkaar een knipoog gaven.
“Gaat u alstublieft zitten. U wilt zeker wel wat eten."
“Bijzonder vriendelijk van u.”
Vanuit de keuken schotelde Sara de heerlijkste gerechten voor: koeken uit fijn meel bereid, boter, melk. Er was volop wijn en er werd een gemest kalf geslacht. Sara ging niet ook bij de mannen zitten, dat deed je niet als vrouw in vroeger dagen.
De gasten deden zich te goed aan het voedsel dat Abraham hun voorschotelde. “Waar is Sara?” vroegen ze ineens.
Rare vraag! “Daar in de tent,” zei Abraham. Waar zou ze anders zijn? Zouden die drie vreemdelingen soms voor Sara ge komen zijn?
“Abraham,” zei de middelste, en ineens klonk zijn stem als de stem die hem lang geleden uit Haran riep. Was het God zelf die, door twee engelen vergezeld, bij hem gekomen was? “Abraham, ik ben hier om je te vertellen dat Sara over een jaar het leven zal schenken aan een zoon.” Sara hoorde het, achter het tentdoek. “Laat me niet lachen,” dacht ze. En ze lachte. Ze vond het maar dwaas, Abraham was honderd jaar, zijzelf negentig! Die vreemdelingen hadden waarschijnlijk te veel wijn gedronken.
“Waarom lachte Sara?” vroeg de vreemdeling. “Sara, waar om lachte jij?”
“Ik heb niet gelachen, mijnheer,” riep ze van achter het tent doek, “echt niet.” “Sara, je hebt wel gelachen, net zoals Abraham erom gelachen heeft. Maar ik vergeef het je, zoals ik het ook aan Abraham heb vergeven. ]e zult nog vaak terugdenken aan deze dag, wan neer je moeder bent geworden. Moeder van Isaäk. Moeder van het kind dat de lach brengt.”
Uit ‘Moet je horen’ – de kinderbijbel van Nico ter Linden
Enkele vragen ter bespreking in de gespreksgroep:
Is het mogelijk om iets van ‘gastvrijheid’ te beleven in je cel (als je die met anderen deelt), op jouw sectie, met je lotgenoten-medegedetineerden, in de bezoekzaal, in de werkplaats, op de wandeling…? Hoe probeer je dat te doen?
Hoe ga je om met wie ‘anders’ is en vreemd? Hoe kijk je naar hem of haar, hoe toon je respect en zelfs waardering? Hoe ga je om met wie ‘in een andere positie zit’: personeel, directie, aalmoezenier, mensen die vorming komen geven of begeleiding aanbieden..?
Wanneer iemand tegen je zegt: ‘Je moet naar de toekomst kijken, je moet blijven hopen en geloven dat het ooit (weer) beter wordt’: kan je je daar aan optrekken, helpt het jou om voort te stappen op je weg? Of moet je er stiekem en ongelovig een beetje om lachen, zoals Abraham en Sara deden…?
Hoe kijk je aan tegen geloof, godsdienst, Kerk? En tegen God? Vind je dat allemaal een beetje be-lach-elijk en kinderachtig-naïef, of eerder noodzakelijk, nuttig, zinvol, belangrijk..?
Op weg naar de vreemde ander – je komt jezelf tegen, en ook God.
(Jona 3 & 4)

Jona was weer boven water en ging naar Ninevé. Niet dat hij er veel zin in had, maar hij durfde niet voor de tweede keer ongehoorzaam te zijn. “Ik hou het wél kort,” dacht hij, want waarom zou ik daar lange verhalen houden, ze luisteren toch niet."
In Ninevé aangekomen ging hij op een kistje staan. “Over veertig dagen gaat alles hier ondersteboven, de hele stad wordt weggevaagd,” riep hij. Meteen kwam hij weer van dat kistje af en verliet de stad, hij vond dat hij zijn plicht had gedaan.
De koning van Ninevé hoorde wat Jona had gezegd.
Hij had berouw, de mensen hadden berouw, de dieren hadden berouw, en toen God het zag kreeg ook hij berouw: na veertig dagen ging de stad niet ondersteboven en iedereen was opgelucht en blij.
Iedereen, behalve Jona. Jona begreep er niets van: het was net alsof God ook van Ninevé hield. God was er toch speciaal en alleen voor Israël? Waarom ging hij dan nu ook ineens voor de vijanden van Israël barmhartig zitten wezen? “Ik kan u echt niet volgen,” zei hij tegen God. “Eerst vindt u dat dat volk van Ninevé niet deugt, ik moet ze dat gaan zeggen, en dan deugen ze ineens weer wel. Wat bent u eigenlijk voor een God? Ik ging niet voor niets naar Tarsis in plaats van naar Ninevé!”
“En ik viste je niet voor niets uit het water op, Jona. Het volk van Ninevé ging anders denken en anders doen, maar jij bent nog steeds dezelfde liefdeloze man die je was. Denk daar maar eens over na.”
God dacht er ook over na. Wat zou hij nu toch kunnen verzinnen om ook van Jona een ander mens te maken? Meteen liet God naast Jona een wonderboom groeien, die volop schaduw gaf. Jona was er zielsgelukkig mee.
Maar de volgende dag, vroeg in de morgen, stuurde God een worm naar de boom. De worm knaagde aan de wortels, de boom verdorde even snel als hij gisteren was gaan groeien. Toen de zon ging schijnen deed God er nog een zinderend hete wind bij, zodat er al gauw geen blaadje meer aan de boom zat. Jona bezweek bijna van de hitte, en kwaad was hij ook. Was hij maar dood! “Zie je het nu nog niet, Jona?” vroeg God. “Jij wilde die ene wonderboom behouden, waarvoor je nooit moeite hebt gedaan, die je niet hebt laten groeien. Eén nacht oud is hij geworden, één nacht oud is hij vergaan. Zou ik dan Ninevé niet willen behouden, die grote stad, die zo veel ouder is en waar zo veel mensen zijn en dieren zoveel?’
Uit ‘Moet je horen’ – de kinderbijbel van Nico ter Linden
Enkele vragen ter bespreking in de gespreksgroep:
Jona is in de eerste plaats met zichzelf bezig. Hij slaagt er niet in om ruimer en verder te kijken dan zijn eigen persoontje. Hoe probeer jij hier, in de besloten sfeer van de gevangenis, toch het venster op de wereld en de deur naar de anderen binnen en buiten open te houden?
Enkele jaren geleden verscheen er een boek van Rutger Bregman met als titel: ‘De meeste mensen deugen’. Jona vond dat dit alleszins niet klopte voor de mensen van Ninivé. Hoe denk jij daarover als je ziet wat er in de wereld gebeurt: deugen de meeste mensen – of niet?
In het verhaal van Jona is God bereid om telkens nieuwe kansen te geven aan de mensen. Jona wil dat duidelijk niet. Hoe kijk je daar zelf tegenaan? Vind je dat je zelf een nieuwe kans verdient? En denk je dat je die ook zal krijgen van de maatschappij? Waarvoor ben je bang als je vrij zal komen? Waar hoop je op, waar reken je op? Van wie verwacht je steun en opvang, waar kan je naartoe, denk je? Wat kan de maatschappij (meer) doen om mensen in detentie écht een tweede kans te geven?
Jona vindt dat God onberekenbaar is – Hij kan blijkbaar van gedacht veranderen en ‘Zich bekeren’… Welk beeld van God heb jij? Welk beeld van God heb je meegekregen als kind? En is dat beeld ondertussen veranderd, in de tijd dat je hebt geleefd en met alles wat je hebt meegemaakt? Vertel eens…
Op weg naar de zin van je leven - God gaat mee in een zachte bries.
(1 Koningen 19)

Elia wordt door moeheid overvallen. Wat zal hij nog? Waarom nog langer dromen van een morgen die nooit daagt? De machten van het duister zijn altijd sterker. Hoe hield Mozes het vol in zijn dagen, hoe redde hij dat, vasthouden aan zijn visioen van vrede en gerechtigheid?
Elia is aan het eind van zijn krachten. Hij wil niet langer strijd leveren of zich teweerstellen, hij wil verdwijnen in het niets. In diepe neerslachtigheid gaat hij naar Berseba. Na een dagreis de woestijn te zijn ingetrokken zet hij zich onder een bremstruik neer. Laat God hem nu dienen en zijn knecht van de ondraaglijke last van dit leven verlossen. ‘Het is genoeg,’ zegt hij. ‘Het is genoeg, laat mij nu mogen sterven.’
Elia legde zich te slapen onder de bremstruik in de hoop niet meer wakker te worden.
Maar zie, een engel raakte hem aan. ‘Sta op, eet.’
Elia sloeg zijn ogen op, keek om zich heen, en zie, aan zijn hoofdeinde lag een broodkoek, gebakken op gloeiende stenen. Ook stond er een kruik water. Hij at en dronk en legde zich weer neer.
De engel van de Eeuwige kwam ten tweeden male, raakte hem aan en zei: ‘Sta op, eet, genoeg is u de weg.’
De engel had Elia kennelijk horen verzuchten dat hij er genoeg van had. ‘Genoeg, Elia? Genoeg is je de weg! Zolang de Eeuwige je niet haalt is er nog een weg te gaan. Neem van de spijs, drink van de drank, eet voor de reis, want de weg is lang.’ Elia stond op, at en dronk, en weer op krachten gekomen reisde hij veertig dagen en veertig nachten tot hij kwam bij de heilige berg van God.
Elia legde zich ter ruste in de spelonk waar God aan Mozes was voorbijgegaan.
‘Kom naar buiten, Elia! Ga staan op de berg voor het aangezicht van de Heer.’
De profeet mag zich van God niet in de spelonk verbergen. Zal de Eeuwige nu aan Elia voorbijgaan, zoals eertijds aan Mozes?
En zie, de Heer ging voorbij. Eerst stak een geweldige stormwind op, die bergen verscheurde en rotsen verbrijzelde. Maar in de wind was de Eeuwige niet. De storm was nog niet gaan liggen of de aarde schudde op haar grondvesten, maar de Eeuwige was evenmin in de aardbeving. Toen bliksemde er vuur uit de hemel, maar ook in het vuur was de Eeuwige niet.
Elia omwond zijn gelaat met zijn profetenmantel, tra naar buiten en bleef staan aan de ingang van de spelonk. Toen hoorde en voelde Elia plots het suizen van een zachte bries. God is veranderd, dacht hij. Hij is niet meer in de vroegere tekenen van zijn bevrijding: niet in de storm, niet in de aardbeving, niet in het vuur… Voortaan zal ik Hem alleen nog kunnen ervaren in de stilte van Zijn zwijgende aanwezigheid.
Uit ‘Moet je horen’ – de kinderbijbel van Nico ter Linden
Enkele vragen ter bespreking in de gespreksgroep:
Wie heeft jou op jouw levensweg ooit op één of andere manier gezegd: ‘Sta op en eet…’? Wie heeft jou ooit bemoedigd, uit jouw neerslachtigheid en ontmoediging gehaald, rechtop en weer op weg geholpen toen je er zelf was bij gaan liggen? Vertel eens… Wat doet dat met een mens? En denk je daar soms nog aan terug? Heb je ooit aan die mens laten horen of merken dat je daar dankbaar voor bent? Hebben jullie nog contact met elkaar?
Wat is voor jou hier in de gevangenis ‘een broodkoek, gebakken op gloeiende stenen’, en ‘een kruik water’? Wat houdt je recht? Waaraan trek jij je op? Wie/wat helpt jou om voort te doen? Het zullen wel kleine dingen zijn… Vertel eens?
Waar/hoe/wanneer kan jij soms iets ervaren van ‘de zwijgende aanwezigheid van God’? Heb je vroeger wel eens zoiets meegemaakt of ervaren: iets wat troost, mooi is, deugd doet, ontroert, je overkomt als een zachte bries..? In wie of wat heb je ooit iets van ‘God’ herkend?
Probeer jij soms te bidden? Hoe doe je dat? Wat lukt er, wat niet? Zoek je soms contact met God? Of met het ‘hogere’ of ‘diepere’ in het bestaan? Waarvoor bid je soms? Wat vraag je aan God? Wat zou je Hem/Haar willen vragen of zeggen - of misschien verwijten..?
Viering PCB Brugge
Zomercyclus 2023 ‘Altijd onderweg’ – vierde zondag
29-30 juli 2023

Op weg naar de vreemde ander – je komt jezelf tegen,
en ook God… (Jona 3 & 4)
bij het binnenkomen
Tussen de liefde en de leegte (Stef Bos)
Ik blijf mijn hele leven reizen
Ik volg de wegen van de twijfel
Ik zoek naar wat ik nooit zal vinden
Want ik wil dwars door de dood heen zingen
Ik wil proberen iets te maken
Ik wil niet breken, ik wil niet haten
Maar op zoek naar mooie woorden
Heb ik de liefde vaak verloren
Ik ben altijd onderweg,
Ik ben altijd onderweg
Ik leef onrustig en onzeker
Tussen de liefde en de leegte
Dit is geen leven om te delen
En toch is heel m’n hart van jou
Maar laat me niet te veel beloven
Want ik blijf m’n dromen trouw
Ik zoek naar woorden om te zingen
Want dat is alles wat ik kan
Ik wil alleen en alleen bij jou zijn
Maar ik vind nooit de balans
Dus ik blijf altijd onderweg
Ik blijf altijd onderweg
Ik reis onrustig en onzeker
Tussen de liefde en de leegte
Ik ben altijd onderweg
Ik blijf altijd onderweg
Ik reis onrustig en onzeker
Tussen de liefde en de leegte
welkom & begroeting
Wij komen hier samen,
zoekend
naar wat ons kan bemoedigen en inspireren,
naar wat troost en steunt,
naar wat sterk en moedig maakt.
Jij die naar hier gekomen bent vandaag,
wees onbevangen jezelf en voel je welkom.
Spaar jouw vragen en verzuchtingen niet.
Spreek je hart maar uit.
Laat je maar roepen en aanspreken bij jouw diepste naam.
Moge elk van ons, in dit gelovig samenzijn, ervaren: -de vrede van God, die als een vader en moeder voor ons is, -de onvoorwaardelijke liefde van Jezus -en het licht van de heilige Geest. Amen.
Nous nous réunissons ici,
à la recherche
de ce qui peut nous encourager et nous inspirer,
de ce qui nous réconforte et nous soutient,
de ce qui rend fort et courageux.
Toi qui es venu ici aujourd’hui,
sois toi-même sans complexe,
et vous tous, sentez-vous les bienvenus.
Ne ménagez pas vos questions et vos soupirs.
Exprimez votre cœur.
Laissez-vous appeler par votre nom le plus profond.
Que chacun de nous, dans cette célébration -éprouve la paix de Dieu, qui est pour nous comme un père et une mère, -l’amour sans conditions de Jésus -et la lumière du Saint Esprit. Amen
We come together here,
searching
for what can encourage and inspire us,
for what comforts and sustains,
for what makes strong and courageous.
You who have come here today,
be uninhibitedly yourself,
and feel welcome.
Don’t spare your questions and sighs.
Speak your heart out.
Let yourself be called by your deepest name.
May each of us experience in this celebration: -the peace of God, who is like a father and mother to us, -the unconditional love of Jesus -and the light of the Holy Spirit. Amen.
Aansteken van de paaskaars en de kaars van Tralies uit de weg / Thuisfront
licht voor de mensen die ons dierbaar zijn; bij wie we de wacht willen houden
licht voor mensen die gestorven zijn in eenzaamheid
en licht voor onszelf – dat we niet in het duister zouden ronddwalen…
de la lumière pour les personnes qui nous sont chères;
ceux que nous voulons entourer de soin et d´attention
de la lumière pour les personnes décédées dans la solitude
et de la lumière pour nous-mêmes - que nous n’errions pas dans le noir…
light for people dear to us; with whom we want to keep watch
light for people who have died in solitude
and light for ourselves - that we wouldn’t wander in the dark…
En we steken ook de kaarsen aan die ons verbinden
met de groepen en gemeenschappen buiten de gevangenis,
mensen die met ons meestappen op de weg die we gaan
in deze zomercyclus ‘Altijd onderweg’ – 2023.
moment van inkeer
Vergeving vragen is even halt houden op je levensweg.
Achterom kijken om te zien waar de rare bochten zaten
in de weg die we gingen.
Het is in het reine komen met jezelf en met de anderen
om weer vol frisse moed te kunnen verdergaan.
Bidden wij tot God en tot elkaar om deugddoende vergeving.
Demander pardon, c’est s’arrêter un instant sur le chemin de sa vie.
C’est regarder en arrière pour voir où il y a eu des virages étranges
sur la route que nous suivions.
C’est se réconcilier avec soi-même et avec les autres
pour pouvoir repartir de l’avant, plein d’un nouveau courage.
Prions Dieu, et chacun d’entre nous, qu’ils nous donnent leur pardon bienfaisant.
To ask for forgiveness is to stop for a moment on your path of life.
It is to look back to see where there were strange bends in the road you were going down.
It is to come to terms with yourself and others
to be able to move forward again with renewed courage.
Please pray to God and to each other for a gratifying forgiveness.
Bird on the Wire - Leonard Cohen
De inspiratie voor “Bird On The Wire” kwam vanuit de tijd die Leonard Cohen in de jaren ‘60 doorbracht op het rustieke Griekse eiland Hydra met zijn vriendin Marianne Ihlen. Toen hij daar voor het eerst aankwam, had het eiland niet eens elektriciteit, maar Cohen was al snel getuige van de bouw van telefoonpalen op deze idyllische plek. Er zaten dus wel degelijk vogels op de draad om de verbeelding van de songwriter aan te wakkeren, net zoals er “dronkaards in een middernachtelijk koor” waren, aangezien het eiland ook bekend stond om zijn late feestvreugde.
Zijn vriendin vertelde hoe ze hem uit een depressie hielp door hem zijn gitaar te geven, waarop hij “Bird on the Wire” begon te componeren, geïnspireerd door een vogel die daar op één van de telefoondraden zat,
In de beginregels van het lied wankelt hij door het langzame tempo als één van die aangeschoten zangers waar hij het over heeft. Het is in het midden van de song, wanneer zijn beroemde diepe stem haar nederige grenzen bereikt, dat de kwetsbaarheid en oprechtheid van de zanger naar voren komt.
Niet dat deze man zonder fouten is. Deze worden duidelijk gemaakt door zijn bekentenis dat “Like a beast with his horn / I have torn everyone who reached out for me.” Deze destructieve gebreken worden dan naar het einde toe enigszins goedgemaakt door zijn intenties om het beter te doen: “But I swear by this song / And by all that I have done wrong / I will make it all up to thee.”
Like a bird on the wire Like a drunk in a midnight choir I have tried in my way to be free
Like a worm on a hook Like a knight from some old-fashioned book I have saved all my ribbons for thee If I, if I have been unkind I hope that you can just let it go by If I, if I have been untrue I hope you know it was never to you
For like a baby, stillborn Like a beast with his horn I have torn everyone who reached
out for me But I swear by this song And by all that I have done wrong I will make it all up to thee
I saw a beggar leaning on his wooden crutch He said to me, “you must not ask for so much” And a pretty woman leaning in her darkened door She cried to me, “hey, why not ask for more?” Oh, like a bird on the wire Like a drunk in a midnight choir I have tried in my way to be free
drempelgebed
Jij, aanwezige, nabije,
ga met ons mee,
want de weg is ons deel.
De weg tussen het vertrouwde en het onbekende,
met een stap die vertraagt bij ontgoocheling of tegenslag
maar versnelt bij ontmoeting en vriendschap.
Mogen wij op die weg elkaar tot zegen zijn,
in hart en nieren bewogen om elkaar,
tot teken van licht en vrede.
Laat ons samen leven vinden.
lezing uit de Schrift
Op weg naar de vreemde ander – je komt jezelf tegen, en ook God.
(Jona 3 & 4)
Jona was weer boven water en ging naar Ninevé. Niet dat hij er veel zin in had, maar hij durfde niet voor de tweede keer ongehoorzaam te zijn. “Ik hou het wél kort,” dacht hij, “want waarom zou ik daar lange verhalen houden, ze luisteren toch niet.”
In Ninevé aangekomen ging hij op een kistje staan. “Over veertig dagen gaat alles hier ondersteboven, de hele stad wordt weggevaagd,” riep hij. Meteen kwam hij weer van dat kistje af en verliet de stad, hij vond dat hij zijn plicht had gedaan.
De koning van Ninevé hoorde wat Jona had gezegd.
Hij had berouw, de mensen hadden berouw, de dieren hadden berouw, en toen God het zag kreeg ook hij berouw: na veertig dagen ging de stad niet ondersteboven en iedereen was opgelucht en blij.
Iedereen, ja, behalve Jona. Jona begreep er niets van: het was net alsof God ook van Ninevé hield. God was er toch speciaal en alleen voor Israël? Waarom ging hij dan nu ook ineens voor de vijanden van Israël barmhartig zitten wezen? “Ik kan u echt niet volgen,” zei hij tegen God. “Eerst vindt u dat dat volk van Ninevé niet deugt, ik moet ze dat gaan zeggen, en dan deugen ze ineens weer wel. Wat bent u eigenlijk voor een God? Ik ging niet voor niets naar Tarsis in plaats van naar Ninevé!”
“En ik viste je niet voor niets uit het water op, Jona. Het volk van Ninevé ging anders denken en anders doen, maar jij bent nog steeds dezelfde liefdeloze man die je was. Denk daar maar eens over na.”
God dacht er ook over na. Wat zou hij nu toch kunnen verzinnen om ook van Jona een ander mens te maken? Meteen liet God naast Jona een wonderboom groeien, die volop schaduw gaf. Jona was er zielsgelukkig mee.
Maar de volgende dag, vroeg in de morgen, stuurde God een worm naar de boom. De worm knaagde aan de wortels, de boom verdorde even snel als hij gisteren was gaan groeien. Toen de zon ging schijnen deed God er nog een zinderend hete wind bij, zodat er al gauw geen blaadje meer aan de boom zat. Jona bezweek bijna van de hitte, en kwaad was hij ook. Was hij maar dood! “Zie je het nu nog niet, Jona?” vroeg God. “Jij wilde die ene wonderboom behouden, waarvoor je nooit moeite hebt gedaan, die je niet hebt laten groeien. Eén nacht oud is hij geworden, één nacht oud is hij vergaan. Zou ik dan Ninevé niet willen behouden, die grote stad, die zo veel ouder is en waar zo veel mensen zijn en dieren zoveel?’
Uit ‘Moet je horen’ – de kinderbijbel van Nico ter Linden
En route vers l’autre qui est toujours étrange - on rencontre soi-
même, et aussi Dieu. (Jonas 3 & 4)
Jonas a refait surface et se dirige maintenant vers Ninive. Il n’en avait pas très envie, mais il n’osait pas désobéir pour la deuxième fois. “Je serai bref”, se dit-il, “car pourquoi devrais-je raconter de longues histoires là-bas, ils ne m’écouteront pas de toute façon”.
Arrivé à Ninive, il se tient sur une caisse. “Dans quarante jours, tout sera bouleversé ici, la ville entière sera anéantie”, s’écria-t-il. Aussitôt, il redescendit de la boîte et quitta la ville, estimant avoir fait son devoir.
Le roi de Ninive entendit ce que Jonas avait dit.
Il se repentit, le peuple se repentit, les animaux se sont repentis, et quand Dieu le vit, il se repentit lui aussi : après quarante jours, la ville n’a pas été complètement détruite, et tout le monde fut soulagé et heureux.
Tout le monde, oui, sauf Jonas. Jonas ne comprenait pas: c’est comme si Dieu aimait aussi Ninive. Dieu n’était-il pas là spécialement et uniquement pour Israël? Alors pourquoi allait-il soudain se montrer miséricordieux envers les ennemis d’Israël? “Je ne peux vraiment pas te suivre”, dit-il à Dieu. “D’abord, tu penses que les habitants de Ninive ne sont pas bons, je dois aller le leur dire, et soudain, ils sont bons. Quel genre de Dieu es-tu donc? Ce n’est pas pour rien que je me suis enfuivers Tarse au lieu de Ninive.
“Et ce n’est pas pour rien que je t’ai sorti de l’eau, Jonas. Les habitants de Ninive ont commencé à penser et à agir différemment, mais tu es toujours le même homme sans amour que tu étais. Réfléchis à cela.”
Dieu y réfléchit aussi. Qu’est-ce qu’il pourrait bien inventer pour que Jonas devienne lui aussi un homme différent? Immédiatement, Dieu a fait pousser un arbre miraculeux à côté de Jonas, lui procurant beaucoup d’ombre. Jonas s’en réjouit.
Mais le lendemain, tôt le matin, Dieu envoya un ver vers l’arbre. Le ver a rongé les racines et l’arbre s’est desséché aussi vite qu’il avait commencé à pousser hier. Lorsque le soleil s’est mis à briller, Dieu a ajouté un vent brûlant, si bien qu’il ne restait bientôt plus une feuille sur l’arbre. Jonas a failli s’effondrer à cause de la chaleur, et il était en colère lui aussi. Si seulement il était mort!
“Tu ne le vois pas encore, Jonas ? demanda Dieu. “Tu voulais garder l’arbre miraculeux pour lequel tu n’as jamais fait d’effort et que tu n’as pas laissé pousser. Une nuit il a poussé, une nuit il a péri. Ne voudrais-je pas alors conserver Ninive, cette grande ville, qui est tellement plus ancienne et où il y a tant de gens et tant d’animaux aussi?
Toward the other who is always a stranger - you encounter yourself, and also God. (Jonah 3 & 4)
Jonah had surfaced again, and he was going to Nineveh. Not that he felt much like it, but he didn’t dare disobey for a second time. “I will keep it short,” he thought, “for why should I keep long stories there, they won’t listen anyway.”
Arriving in Nineveh, he stood on a soap box. “In forty days everything here will go upside down, the whole city will be wiped out”, he cried. Immediately he got down from that box again and left the city, feeling that he had done his duty.
The king of Nineveh heard what Jonah had said.
He repented, the people repented, the animals repented, and when God saw it, he too repented: after forty days the city did not go under and everyone was relieved and happy.
Everyone, yes, except Jonah. Jonah did not understand: it was as if God also loved Nineveh. Surely God was there especially and only for Israel? So why was he now suddenly going to be merciful to Israel’s enemies as well? “I really can’t follow you”, he said to God. “First you think the people of Nineveh are no good, I have to go and tell them so, and then suddenly they are very good. What kind of a God are you anyway? I didn’t go for nothing to Tarsis instead of going to Nineveh!”
“And I didn’t fish you up out of the water for nothing, Jonah. The people of Nineveh started thinking and acting differently, but you are still the same unloving man you were. Think about that.”
God also thought about it. Surely, what could He invent now to make Jonah a different man, too? Immediately, God grew a miracle tree next to Jonah, providing plenty of shade. Jonah was overjoyed.
But the next day, early in the morning, God sent a worm to the tree. The worm gnawed at the roots; the tree withered as quickly as it had started growing yesterday. When the sun began to shine, God added a blistering hot wind, so that soon there was not a leaf left on the tree. Jonah nearly collapsed from the heat, and he too he was angry now. If only he were dead!
“Don’t you see it yet, Jonah?” asked God. “You wanted to keep the one miracle tree for which you never made an effort, which you did not grow. One night old it grew, one night old it perished. Would I not then want to preserve Nineveh, that great city, which is so much older and where there are so many people and so much animals as well?
toespraak
een lied om de woorddienst af te sluiten
You’ll Never Walk Alone – in een zachte, instrumentale versie, zonder de geforceerde, gezwollen pathetiek en het triomfalisme van de hedendaagse voetbalvelden…
When you walk Through a storm Hold your head, up high And don’t be afraid, of the dark At the end of the storm Is a golden sky And the sweet silver song Of a lark
Walk on, through the wind Walk on, through the rain Though your dreams be tossed And blown Walk on, walk on With hope, in your heart And you’ll never walk alone You’ll never walk alone
Walk on, walk on With hope in your hearts And You’ll never walk, alone
You’ll never walk, alone You´ll never walk, alone You’ll never walk, alone
gebed over de gaven
Veel meer dan met woorden alleen heeft Jezus zichzelf gegeven als gebroken brood en gedeelde wijn tot leven voor elke mens. Deze tekens blijven tot op vandaag het sprekende getuigenis van zijn liefde
die reikt tot over de dood.
Wij bidden U, Vader, aanvaard deze gaven. Wij bieden ze U aan als een teken van onze bereidheid om te leven in het licht van de Verrezen Heer. Laat deze viering ons kracht geven tot eeuwig leven. Dit vragen wij U door Christus, onze Heer. Amen.
dankgebed bij brood en beker
onze vader
vredeswens
Vrede begint waar de één zijn hand legt op de schouder van de ander, waar bruggen gebouwd worden over de kloof van een misverstand, waar men elkaar eerbiedigt, waar men voor elkaar een hulp is in tijden van nood, waar mensen elkaar beleven als zussen en broers van dezelfde Vader. Die vrede van de Heer zij altijd met u. En geven we mekaar een blijk van die bereidheid tot vrede.
La paix commence là où l’un pose sa main sur l’épaule d’un autre,
là où sont construits des ponts qui enjambent le gouffre de l’incompréhension,
là où l’on respecte l’autre,
là où les gens s’entraident en cas de besoin,
là où les gens se considèrent les uns les autres comme sœurs et frères du même Père.
Que la paix du Seigneur soit toujours avec vous.
Et donnons-nous l’un à l’autre un signe, une preuve de cette volonté de paix.
Peace begins where one puts his hand on the shoulder of another,
where bridges are built across the chasm of misunderstanding,
where people respect each other,
where people help each other in times of need,
where people experience each other as sisters and brothers of the same Father.
That peace of the Lord be with you always.
And let’s give each other a sign of that willingness for peace.
communie
voorbeden
– Bidden we voor mensen die op vakantie zijn, dat het hen mag deugd doen.
Dat de stress van het werkjaar van hen mag af vallen.
Dat zij vriendelijke mensen mogen ontmoeten
en dat zij mogen genieten van al het mooie. *Laten wij bidden… *
- Prions pour les vacanciers, que ce repos leur fasse du bien et les réjouisse.
Que le poids du stress de l’année de travail leur tombe du dos.
Qu’ils puissent rencontrer des gens sympathiques et amicaux
et qu’ils puissent jouir de tout ce qui est beau.
Prions…
- Let us pray for people who are on holiday, that it may bring them joy.
That the stress of the working year may fall off them.
That they may meet friendly people and that they may enjoy all that is beautiful.
Let us pray…
– Bidden we voor mensen die thuis blijven, omdat ze het hier goed vinden of omdat ze niet weg kunnen.
Dat zij in hun omgeving deugddoende ervaringen mogen opdoen. Laten wij bidden…
- Prions pour ceux qui restent à la maison,
parce qu’ils s’y plaisent ou parce qu’ils ne peuvent partir.
Qu’elles puissent vivre des expériences bienfaisantes et heureuses dans leur voisinage…
Prions…
- Let us pray for people who stay at home,
because they like it here, or because they can’t leave.
That they may have gratifying experiences in their environment.
Let us pray…
– Bidden we voor mensen die nooit eens hun vleugels kunnen uitslaan,
voor hen die aan hun stoel of ziekbed gekluisterd zijn,
mensen die voor korte of langere tijd van hun vrijheid zijn beroofd. Moge vriendschap en trouw naar hen toekomen. Laten wij bidden…
Prions pour ceux qui ne peuvent jamais prendre leur envol,
pour qui sont liés à leur fauteuil ou à leur lit de malade,
pour ceux qui, pendant un temps plus ou moins long, sont privés de leur liberté.
Qu’amitié et fidélité viennent à leur rencontre.
Prions…
- Let us pray for people who can never even spread their wings,
for those who are confined to their chairs or sick beds,
people who are deprived of their freedom for short or long periods of time .
May they experience friendship and faithfulness.
Let us pray…
bezinning na de communie
Onderweg en niet weten waarheen. Maar ergens staat in mij gegrift: dit is de weg die je moet gaan en God gaat voor mij uit.
Onderweg en geen spoor en geen kompas. Maar ergens, in mensen en natuur, wijzen tekens mij de weg, tekens van leven die spreken van God.
Onderweg en niet wetend waarom. Maar als ik luister naar de stilte en de rust in mijn binnenste, dan hoor ik God in mijn lief en leed, dan weet ik Hem aanwezig in mijn tijd, Hij die wijst naar eeuwigheid. naar Peer Verhoeven
Sur la route et ne sachant où aller.
Mais quelque part gravé en moi:
c’est le chemin à suivre
et Dieu me précède.
Sur la route, sans piste ni boussole.
Mais quelque part, chez les gens et dans la nature,
des signes me montrent le chemin,
des signes de vie qui parlent de Dieu.
Sur la route, sans savoir pourquoi.
Mais si j’écoute
le silence et la paix en moi-même,
alors j’entends Dieu dans ma bonne et mauvaise fortune,
alors je le sais présent dans mon temps,
Celui qui pointe vers l’éternité.
On the road and not knowing where to go.
But somewhere engraved in me:
this is the way to go
and God goes before me.
On the way, off the trail and without compass.
But somewhere, in people and nature,
signs show me the way,
signs of life that speak of God.
On the way and not knowing why.
But if I listen to the silence and peace within,
then I hear God in my loves and sorrow,
then I know He’s present in my time,
He who points to eternity.
zending en zegen
om weg te gaan – een oude liedje van heimwee en verlangen…
Bob Dylan - Blowing In The Wind
How many roads must a man walk down, before you call him a man? How many seas must a white dove sail, before she sleeps in the sand? And how many times must a cannon ball fly, before they’re forever banned?
The answer my friend is blowing in the wind, the answer is blowing in the wind.
How many years can a mountain exist, before it is washed to the sea? How many years can some people exist, before they’re allowed to be free?
And how many times can a man turn his head, and pretend that he just doesn’t see?
The answer my friend is blowing in the wind, the answer is blowing in the wind.
How many times must a man look up, before he sees the sky? And how many ears must one man have, before he can hear people cry ? And how many deaths will it take till we know, that too many people have died?
The answer my friend is blowing in the wind, the answer is blowing in the wind. The answer my friend is blowing in the wind, the answer is blowing in the wind
Viering PCB Brugge
Zomercyclus 2023 ‘Altijd onderweg’ – vierde zondag
29-30 juli 2023

Op weg naar de vreemde ander – je komt jezelf tegen,
en ook God… (Jona 3 & 4)
TOESPRAAK
lezing uit de Schrift
Jona was weer boven water en ging naar Ninevé. Niet dat hij er veel zin in had, maar hij durfde niet voor de tweede keer ongehoorzaam te zijn. “Ik hou het wél kort,” dacht hij, “want waarom zou ik daar lange verhalen houden, ze luisteren toch niet.”
In Ninevé aangekomen ging hij op een kistje staan. “Over veertig dagen gaat alles hier ondersteboven, de hele stad wordt weggevaagd,” riep hij. Meteen kwam hij weer van dat kistje af en verliet de stad, hij vond dat hij zijn plicht had gedaan.
De koning van Ninevé hoorde wat Jona had gezegd.
Hij had berouw, de mensen hadden berouw, de dieren hadden berouw, en toen God het zag kreeg ook hij berouw: na veertig dagen ging de stad niet ondersteboven en iedereen was opgelucht en blij.
Iedereen, ja, behalve Jona. Jona begreep er niets van: het was net alsof God ook van Ninevé hield. God was er toch speciaal en alleen voor Israël? Waarom ging hij dan nu ook ineens voor de vijanden van Israël barmhartig zitten wezen? “Ik kan u echt niet volgen,” zei hij tegen God. “Eerst vindt u dat dat volk van Ninevé niet deugt, ik moet ze dat gaan zeggen, en dan deugen ze ineens weer wel. Wat bent u eigenlijk voor een God? Ik ging niet voor niets naar Tarsis in plaats van naar Ninevé!”
“En ik viste je niet voor niets uit het water op, Jona. Het volk van Ninevé ging anders denken en anders doen, maar jij bent nog steeds dezelfde liefdeloze man die je was. Denk daar maar eens over na.”
God dacht er ook over na. Wat zou hij nu toch kunnen verzinnen om ook van Jona een ander mens te maken? Meteen liet God naast Jona een wonderboom groeien, die volop schaduw gaf. Jona was er zielsgelukkig mee.
Maar de volgende dag, vroeg in de morgen, stuurde God een worm naar de boom. De worm knaagde aan de wortels, de boom verdorde even snel als hij gisteren was gaan groeien. Toen de zon ging schijnen deed God er nog een zinderend hete wind bij, zodat er al gauw geen blaadje meer aan de boom zat. Jona bezweek bijna van de hitte, en kwaad was hij ook. Was hij maar dood! “Zie je het nu nog niet, Jona?” vroeg God. “Jij wilde die ene wonderboom behouden, waarvoor je nooit moeite hebt gedaan, die je niet hebt laten groeien. Eén nacht oud is hij geworden, één nacht oud is hij vergaan. Zou ik dan Ninevé niet willen behouden, die grote stad, die zo veel ouder is en waar zo veel mensen zijn en dieren zoveel?’
Uit ‘Moet je horen’ – de kinderbijbel van Nico ter Linden
Enkele vragen die ter bespreking werden voorgelegd in de gespreksgroepen met mensen in detentie, in de loop van de week voorafgaand aan de vieringen:
Jona is in de eerste plaats met zichzelf bezig. Hij slaagt er niet in om ruimer en verder te kijken dan zijn eigen persoontje. Hoe probeer jij hier, in de besloten sfeer van de gevangenis, toch het venster op de wereld en de deur naar de anderen binnen en buiten open te houden?
Enkele jaren geleden verscheen er een boek van Rutger Bregman met als titel: ‘De meeste mensen deugen’. Jona vond dat dit alleszins niet klopte voor de mensen van Ninivé. Hoe denk jij daarover als je ziet wat er in de wereld gebeurt: deugen de meeste mensen – of niet?
In het verhaal van Jona is God bereid om telkens nieuwe kansen te geven aan de mensen. Jona wil dat duidelijk niet. Hoe kijk je daar zelf tegenaan? Vind je dat je zelf een nieuwe kans verdient? En denk je dat je die ook zal krijgen van de maatschappij? Waarvoor ben je bang als je vrij zal komen? Waar hoop je op, waar reken je op? Van wie verwacht je steun en opvang, waar kan je naartoe, denk je? Wat kan de maatschappij (meer) doen om mensen in detentie écht een tweede kans te geven?
Jona vindt dat God onberekenbaar is – Hij kan blijkbaar van gedacht veranderen en ‘Zich bekeren’… Welk beeld van God heb jij? Welk beeld van God heb je meegekregen als kind? En is dat beeld ondertussen veranderd, in de tijd dat je hebt geleefd en met alles wat je hebt meegemaakt? Vertel eens…
Toespraak in de viering
1.Jona (dat ben ik, en dat ben jij!) moet minder met zichzelf bezig zijn, minder klagen en zagen, minder ‘navelstaren’. Hij mag zich niet blijven blindstaren op alle mogelijke frustraties en er zich niet blijven achter verschuilen. Die frustraties zijn er natuurlijk wel – maar ze beletten hem om te doen wat hij moet doen: hij heeft een roeping, een opdracht, en daar moet hij niet van weglopen. Hij moet ruimer en verder leren kijken dan zijn eigen persoontje. Hij moet nog maar een keer op weg gaan, mag zich niet neerleggen bij de situatie zoals ze is, zich niet installeren in het ‘status-quo’… Want dat sluit alle toekomst af, voor hemzelf, voor zijn omgeving en voor het plan dat God met hem heeft.
1.Jonas (c’est moi, c’est toi!) doit être moins préoccupé par lui-même, moins se plaindre et se lamenter, moins se regarder le nombril. Il ne doit pas continuer à se concentrer sur toutes les frustrations possibles et à se cacher derrière elles. Ces frustrations existent bien sûr, mais elles l’empêchent de faire ce qu’il doit faire: il a une vocation, une mission, et il ne doit pas la fuir. Il doit apprendre à voir plus large, au-delà de sa petite personne. Il doit se remettre en route, ne pas se résigner à la situation telle qu’elle est, ne pas s’installer dans le ‘status-quo’… Car cela ferme tout avenir, pour lui-même, pour ceux qui l’entourent et pour le projet que Dieu a sur lui.
1.Jonah (that’s me, and that’s you!) needs to be less concerned with himself, less complaining and whining, less ‘navel gazing’. He must not continue to focus on every possible frustration and hide behind it. Those frustrations are of course there - but they prevent him from doing what he must do: he has a calling, a mission, and he must not run away from it. He must learn to see more broadly and beyond his own little person. He must go on the way once again, he must not resign himself to the situation as it is, he must not install himself in the ‘status-quo’… For that closes off all future, for himself, for his surroundings and for the plan that God has with him.
-
Jona (dat ben ik, en dat ben jij!) moet ànders leren denken over de mensen (van de grote wereldstad Ninive bijvoorbeeld). Hij moet zich bekeren, zich omkeren naar hen toe (in plaats van zich van hen af te keren, er letterlijk een ‘afkeer’ van te hebben). Hij moet (weer) durven geloven ‘dat de meeste mensen deugen’… Trouwens, dat hopen en verwachten wij als mensen in detentie toch ook van anderen, van de mensen die hier in de gevangenis met ons bezig zijn, en van de mensen buiten: dat ze (opnieuw) in ons durven geloven en er van uit gaan dat er met ons nog iets aan te vangen is. Dat we in de toekomst zelfs nieuwe en andere mensen kunnen worden en alleszins een nieuwe kans verdienen…
-
Jonas (c’est moi, et c’est toi!) doit apprendre à penser d’une autre manière aux gens (de la grande métropole de Ninive, par exemple). Il doit se repentir, se tourner vers eux (au lieu de s’en détourner, de les “détester” littéralement). Il doit (à nouveau) oser croire ‘que la plupart des gens sont vertueux’… D’ailleurs, c’est ce que nous, en tant que personnes détenues, espérons et attendons des autres, des personnes qui travaillent avec nous ici dans la prison, et des personnes à l’extérieur: qu’ils osent (à nouveau) croire en nous et supposer qu’il y a encore quelque chose à faire avec nous. Que nous pouvons même devenir à l’avenir des personnes nouvelles et différentes et que nous méritons une nouvelle chance…
-
Jonah (that’s me, and that’s you!) must learn to think another way about the people (of the great metropolis of Nineveh, for example). He must repent, he must turn around to them (instead of turning away from them, literally ‘disliking’ them). He must (again) dare to believe ‘that most people are virtuous’… By the way, that is what we as people in detention hope and expect from others, from the people who are working with us here in the prison, and from the people outside: that they (again) dare to believe in us and assume that there is still something to be done with us. That we can even become new and different people in the future and that we deserve a new chance…

Hans Claus, gevangenisdirecteur in Oudenaarde zegt: ‘Ik ben 33 jaar gevangenisdirecteur. Genoeg tijd dus om een pak slechte mensen tegen te komen, zal u denken. Ik moet u ontgoochelen. Op al die tijd zag ik veel mensen die kwade dingen gedaan hebben. Maar na goed naar hen te hebben geluisterd, bleek steeds hoezeer wij op elkaar leken. Vaak stel ik mij de vraag of ik, zonder het geluk dat mij in de schoot geworpen werd, niet op hun stoel zou beland zijn. Ik heb een liefhebbende moeder, gezonde kinderen, een goede baan. Ik heb dus geluk gehad. En daarom heb ik geleerd niet te oordelen…’
Hans Claus, directeur de prison à Oudenaarde, déclare: ‘Je suis directeur de prison depuis 33 ans. C’est assez de temps pour rencontrer beaucoup de mauvaises personnes, penserez-vous. Je dois vous décevoir. Pendant tout ce temps, j’ai vu beaucoup de gens qui ont fait des choses mauvaises. Mais après les avoir écoutés attentivement, il est devenu clair à quel point nous nous ressemblions. Je me demande souvent si je n’aurais pas fini dans leurs sièges sans le bonheur d’être né au bon endroit. J’ai une mère aimante, des enfants en bonne santé, un bon travail. J’ai donc eu de la chance. Et c’est pourquoi j’ai appris à ne pas juger…’
Hans Claus, prison director in Oudenaarde says: ‘I have been a prison director for 33 years. Time enough to meet a lot of bad people, you will think. I have to disappoint you. At all this time I saw many people who did evil things. But after listening carefully to them, it became clear how much we looked alike. I often ask myself if I would not have ended up in their seats without the happiness of being born in the right place. I have a loving mother, healthy children, a good job. So I was lucky. And that is why I learned not to judge…’

- Jona (dat ben ik, en dat ben jij!) moet ook anders leren denken over God. Hij moet leren geloven dat ook God zich telkens weer wil ‘bekeren’, zich altijd weer wil toekeren naar de mensen toe, wat er ook gebeurd is en hoe ontgoocheld Hij misschien ook over hen is. God is geen ‘Onbewogen Beweger’, geen God die het na enkele mislukte pogingen definitief opgeeft met Zijn schepping en Zijn mensen. Hij wil altijd opnieuw beginnen en weer met mensen op weg gaan (als de mensen maar mee willen). Het enige wat niet en nooit verandert bij God is: Zijn Naam ‘Ik-zal-er-zijn’. Daar kunnen en mogen wij allen vast op rekenen, wie we ook zijn en wat er ons ook is overkomen. Zoals in de Bijbel geschreven staat:
Zo spreekt God de Heer:
Wees niet bang, Ik zal er zijn…
Ik heb je geroepen bij je naam, je bent van mij.
Ik heb je gekocht en een hoge prijs voor je betaald.
Ik heb je gedragen vanaf je geboorte,
Ik blijf je dragen tot op je oude dag.
Moet je door water, moet je door vuur, Ik zal er zijn.
Kan een vrouw soms haar kindje vergeten?
Ik, Jahwe, Ik kan u niet vergeten:
Ik heb uw naam in mijn handpalm gegrift…
(uit Jesaja 43 – 46 – 49)
- Jonas (c’est moi, et c’est toi!) doit aussi apprendre à penser différemment à propos de Dieu. Il doit apprendre à croire que Dieu aussi veut se ‘repentir’ encore et encore, se tourner toujours de nouveau vers les gens, peu importe ce qui s’est passé et à quel point il est désillusionné par eux. Dieu n’est pas un ‘Déménageur Immobile’, Il n’est pas un Dieu qui abandonne définitivement sa création et son peuple après quelques tentatives infructueuses. Il veut toujours recommencer et repartir avec les gens (si seulement les gens sont d’accord). La seule chose qui ne change jamais avec Dieu, c’est Son Nom: ‘Je-serai-là’. Nous pouvons et nous devons tous compter fermement sur cela, qui que nous soyons et quoi qu’il nous soit arrivé. Comme il est écrit dans la Bible:
C’est ainsi que parle le Seigneur:
Ne crains pas, je suis là…
Je t’ai appelé par ton nom, tu es à moi.
Je t’ai acheté et j’ai payé un grand prix pour toi.
Je t’ai porté depuis ta naissance,
Je te porterai jusqu’à ta vieillesse.
Que tu traverses l’eau, que tu traverses le feu, je serai là.
Une femme peut-elle parfois oublier son bébé?
Moi, Yahvé, je ne peux pas t’oublier:
J’ai gravé ton nom dans la paume de ma main….
(extrait d’Isaïe 43 - 46 - 49)
- Jonah (that’s me, and that’s you!) must also learn to think differently about God. He must learn to believe that God too wants to ‘repent’ again and again. He wants always to turn toward people, no matter what has happened and how disillusioned He may be with them. God is not an ‘Unmoved Mover’, not a God who gives up permanently with His creation and His people after a few failed attempts. He always wants to start over and get going again with people (if only people will go along). The only thing that does not ever change with God is: His Name ‘I-will-be-there’. We all can and may firmly count on that, whoever we are and whatever has happened to us. As it is written in the Bible:
This is how God the Lord speaks:
Do not be afraid, I will be there…
I have called you by your name; you are mine.
I have bought you and paid a high price for you.
I have carried you from your birth,
I will carry you to your old age.
Must you pass through water, must you pass through fire, I will be there.
Can a woman sometimes forget her baby?
I, Yahweh, I cannot forget you:
I have engraved Your name in the palm of my hand…
(from Isaiah 43 - 46 - 49)
- En aan Jona (dat ben ik, en dat ben jij!) willen we tenslotte nog deze tekst van Paulo Coelho meegeven om verder in het leven op stap te gaan, en hem zeggen: ‘Word vrij, Jona!’ Het klinkt misschien vreemd, maar ook voor jou die hier in de gevangenis van jouw vrijheid beroofd bent: ‘Word innerlijk vrij, in je hoofd en in je hart!’ Kom in beweging, ga op tocht, durf je opnieuw (of voor de eerste keer misschien?) riskeren aan het leven. Wees niet bang – het kan moeilijk en lastig zijn, maar het is zeker de moeite waard…
Liefhebben is afwijzing riskeren.
Leven is de dood riskeren.
Hopen is de wanhoop riskeren.
Proberen is het falen riskeren.
Maar risico’s nemen is een noodzaak.
Want alleen wie risico’s durft nemen, is werkelijk vrij.
Paulo Coelho
- Enfin, à Jonas (c’est-à-dire à moi et à toi!), nous voulons transmettre ce texte de Paulo Coelho pour continuer dans la vie, en lui disant: ‘Deviens libre, Jonas’. Cela peut paraître étrange, mais aussi pour toi qui es privé de ta liberté ici en prison: ‘Deviens libre intérieurement, dans ta tête et dans ton cœur’. Bouges, pars en voyage, oses te risquer à nouveau (ou pour la première fois peut-être?) à la vie. N’aie pas peur, cela peut être difficile et délicat, mais cela en vaut vraiment la peine.
Aimer, c’est risquer le rejet.
Vivre, c’est risquer de mourir.
Espérer, c’est risquer le désespoir.
Essayer, c’est risquer l’échec.
Risquer est une nécessité.
Seul celui qui ose risquer est vraiment libre.
Paulo Coelho
- And finally, to Jonah (that’s me, and that’s you!) we want to pass along this text from Paulo Coelho, to go out further in life, and say to him: ‘Become free, Jonah! It may sound strange, but also for you who are deprived of your freedom here in prison: ‘Become inwardly free, in your head and in your heart!’ Get moving, hit the road, dare to risk yourself again (or perhaps for the first time?) to life. Don’t be afraid - it may be tricky and difficult, but it is really worthwhile…
To love is to risk rejection.
To live is to risk death.
To hope is to risk despair.
To try is to risk failure.
Take a risk is a necessity.
Only he who dares to risk is truly free.
Paulo Coelho

samenstelling: geert dedecker