Het evangelie vertelt ons een gelijkenis. Bij gelijkenissen gaat het altijd om de vraag: op wie lijk je het meest? Als wij ons die vraag niet stellen zullen we de gelijkenis met onszelf nooit zien. En dat kan jammer zijn.
Hier is dan de vraag waar we voor onszelf een antwoord op moeten zien te vinden: op wie lijken wij het meest:\
- op die knechten die zo gauw mogelijk onkruid en tarwe willen scheiden?\
- op het onkruid dat tussen de goede tarwe staat?\
- of op de goede tarwe?
Als we nu eerst eens naast die knechten gaan staan. Dan zie je gewoon dat een heel stel van ons daar best bij past. Zo gauw mogelijk schoon schip maken. De vaat niet de hele dag laten staan, want dan is het ‘s avonds een beestenboel. De brievenbus leegmaken en drukwerk gelijk de vuilnisbak in. De boodschappen meteen uitpakken en op zijn plaats: dit in de ijskast, dat op de plank. En als iemand zegt: laat dat maar staan: dat hebben we direct nodig, dan zeggen we: niets ervan, geen rotzooi in huis. Dus schoon-schip-mensen. Velen van ons passen daar heel goed bij.
Maar die schoon-schip-mensen kunnen ook fouten maken. Namelijk als ze met mensen doen als met de post: reclame en drukwerk meteen in de prullenbak. Dan zitten ze fout. Want gegarandeerd: er kan een brief tussen die reclamefolders zitten. Die ben je dan kwijt. En bij mensen is het moeilijk te zien of je met drukwerk te maken hebt of met een liefdesbrief. Die schoon-schip-mensen zeggen dan: met hem of haar moet je niet omgaan want die deugt niet. Die of die moet je maar niet uitnodigen want dat is tuig. Maar het is moeilijk onkruid en tarwe te scheiden. Het is ook moeilijk onkruid en tarwe te onderscheiden, als ze nog niet zijn volgroeid. Dan moet je wel een beetje deskundig zijn. Dat zijn dus de knechten.
Dan de tarwe. Lijken we daarop? Wij zijn natuurlijk allemaal te bescheiden om hierop ‘ja’ te zeggen. Maar de meesten van ons zullen diep in hun hart zichzelf wel een beetje tarwe vinden. Kijk, zeggen we, ik ben wel niet volmaakt, maar wie is dat wel? Het merkwaardige is dat als men dan doorvraagt, en men recht op de man af vraagt: wat mankeert er dan aan je? Dan staan we met een mond vol tanden. Want zoveel mankeert er niet aan ons. Het mooiste antwoord op die vraag gaf iemand die zei: wat er aan mij mankeert? Och, soms een beetje hoofdpijn.
Maar het is zeker dat er mensen zijn die ons niet kunnen uitstaan. Eigenlijk is het een genade dat wij niet alles horen wat er over ons gezegd wordt. Want als je iets hoort, ben je er al door van je stuk geraakt. Er zijn mensen die ons bij het onkruid rekenen.
Kijk, daarom is het nu dat die knechten geen schoon-schip mogen maken. Want om bij mensen te zien of het onkruid of tarwe is, moet je van heel goede huizen komen. Achteraf zie je bepaalde mensen soms heel anders. Dan zeggen we: als ik dat van hem geweten had… maar ik wist dat niet.
Van onszelf weten we natuurlijk veel meer. Daarom hebben we voor onszelf altijd gauw een excuus gevonden. Dan zeggen we: ik kon toch niet anders. Voor een ander een excuus vinden is veel moeilijker.
Als die knechten in staat waren geweest anderen net zo te zien en te beoordelen als zichzelf, dan hadden ze onkruid en tarwe wel uit elkaar mogen halen. Maar zolang we dat niet kunnen moeten we het ook niet doen.
Op wie lijken wij het meest? Het zou leuk zijn als we voortaan op die meester lijken die zegt: voorzichtig, ik ben zo bang dat je met het onkruid ook de tarwe uitrukt…