“Een zaaier ging uit om te zaaien”. En slechts een fractie van wat de man zaait, valt in goede aarde en draagt vrucht. Maar dan ook rijke vrucht ! Honderdvoudig, zestigvoudig, dertigvoudig.
Maar wat een verspilling ! Die ondoordacht, onbekommerde zaaier, die ons vandaag als voorbeeld wordt gepresenteerd, werkt niet economisch, Hij beheert zijn goed niet als een goede huisvader, Hij zaait maar voor Zich uit, Hij strooit maar raak, Hij geeft weg zonder er iets voor terug te krijgen. Hij strooit maar raak, terwijl hij heel goed weet dat het meeste van wat hij doet, geen nut heeft. Wij noemen dat verspilling. De man werkt niet efficiënt, kijkt niet naar de kosten. Hij investeert wel, maar verliest het meeste van wat hij investeert. Ik ken niemand die zo werkt.
In de parabel die Jezus ons vandaag vertelt, is dat bij ons de eerste gedachte. Wat een verspilling ! Die man is niet normaal. Zo zaait een boer niet.
Nee, zo zaait een boer niet. En dat wist Jezus natuurlijk ook, dat een boer die zuinig is op zijn zaad, zo niet kwistig zaait.
Maar als je dan eens kijkt naar de natuur - en de vacantieperiode is daar een goede tijd voor - dan moet het toch opvallen hoe kwistig alles in de natuur is. De krachten van eb en vloed, de krachten van de wind, de energie van het heelal en van de aarde, het licht van de zon dat door verbranding ontstaat, de warmte van de zon, gigantisch grote krachten aan energie komen vrij. Maar het is allemaal nutteloos, het is gratuite energie, er gebeurt niets mee. De bewegingen van eb en vloed, hebben ze enig nut, kan de mens er niets nuttigs mee doen? Nauwelijks. Praktisch alle energie rest gaat verloren. Het waaien van de wind, wat doen we er mee? Slechts een minieme fractie ervan kan de mens omzetten in electriciteit, de rest gaat verloren. De natuur, die alsmaar strooit, bloemen en planten die met de wind zaadjes verspreiden, rondstrooien, zonder te weten waar het valt, - het valt op steengrond, het valt tussen het onkruid -, maar ook al valt maar een héél klein beetje op goede grond, niet erg, juist dát beetje gaat wortel schieten, en nieuwe plantjes voortbrengen. Van al het stuifmeel en zaad dat planten voortbrengen gaat het meeste verloren …
En dan denk ik weer aan die prachtige intuïtie van de Middeleeuwen, die Middeleeuwers die in de zichtbare natuur een afspiegeling zagen van de onzichtbare God, die wisten dat de natuur iets openbaart over het mysterie van God. Dat de Schepping in haar schoonheid beeld en gelijkenis is van God.
Jezus’ verhaal over de Zaaier zegt dus iets over onze God.
Onze God is een God van het gratuite, een God van het kosteloze, een God van het geven in overvloed, een God van het schudden van een overlopende maat, een God van het nutteloze. Een God van het ‘geven’, zonder de zorg over of het ook ontvangen wordt. God is geen penningmeester, God is geen winkelier, God is geen neringdoende, geen econoom. Alles wat wij hebben, alles wat wij zijn hebben we gekregen, en wel in overvloed. Het leven hebben we gekregen, wat we er ook mee doen. Ons menszijn hebben we gekregen, wat we er ook mee doen. Al onze talenten, onze gaven, onze hersenen, ons hart - en we weten dat we slechts een fractie van onze hersenen gebruiken - hopelijk niet een kleine fractie van ons hart -. De rest valt op dorre rotsgrond en draagt geen vrucht.
Jezus’ verhaal over de Zaaier vandaag zegt ook iets over ons, mensen.
Wij vinden het zo jammer dat er onnoemelijk veel verloren gaat, want wij zijn mensen die tellen, wij zijn zuinig, wij willen niet verspillen, we willen vasthouden, oppotten, voor onszelf houden. En tegelijk laten we Gods woord op rotsgrond vallen, op straat liggen of tussen het onkruid verstikken.
Gods genade komt in overvloed tot ons, en soms valt het goed, soms valt het verkeerd, soms valt dringt het niet door, soms valt het er naast. De zaaier is niet zo kieskeurig, hij zaait het zaad in overvloed, en ook al valt het gros bij ons er naast, dat beetje, dat hele kleine beetje, waar wij dan wél iets mee doen, dat draagt vrucht. En veel vrucht, honderdvoudig, zestigvoudig, dertigvoudig.
De Zaaier weet het - vandaar ook de parabel van vandaag - dat het meeste van wat Hij ons geeft, langs ons afglijdt. Het ene oor in, het andere oor uit. Maar zo is God, de Zaaier, bij Hem loopt het altijd over. Zo is Hij nu eenmaal: de God van de overvloed, van de overlopende maat. Als wij er maar iets van oppikken, en dat iets vrucht laten dragen, dan is de zaaier al lang tevreden. Zo heeft Hij het ons getoond in de Schepping, zo toont Hij het ons vandaag in het verhaal van de Zaaier.
De God van de Zaaier is een God die van dat beetje dat wij in staat zijn om op te pikken, iets groots kan maken, honderdvoudig.
Gods nutteloosheid (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen