Wat wij vandaag bij Paulus lezen, is niet het gemakkelijkste stuk van het Nieuwe Testament. Het is op zijn minst vreemd. Spreken over de aarde die kreunt en zucht en barensweeën lijdt? Over een schepping die verlost zal worden? Het is bijna taal van een andere planeet.
Het is evenwel belangrijk dat iemand ons erop wijst dat tussen God en mens niet enkel tweerichtingsverkeer bestaat. Alsof God enkel zorg draagt voor de mens. Er is nog een derde factor in het geding en dat is ons aller moeder aarde. Wij kunnen niet zonder en God heeft de aarde gewild. God, aarde en mens, dat is de hei¬lige drievuldigheid van in den beginne. Van in den beginne was er de droom dat deze drie één mogen zijn. Harmonie. Alles op zijn plaats. Sjalom.
In dat proces heeft de mens een taak. Hijzelf kan niet zonder licht en lucht, zonder zon en wind, zonder vuur en water, zonder vissen en dieren. Zonder dat alles zou de mens het meteen besterven. Hij zou op staande voet ophouden te bestaan. Dat is één punt.
Punt twee is dat de hele aarde met al wat erop is, zonder naam, zonder adres en zonder gelaat is zolang de mens de dingen niet benoemt. Er zou chaos zijn en wildgroei. Als de mens niets doet aan de aarde, zal het onkruid niet enkel de tarwe verstikken. Het zal ook de mens verstikken. Als de aarde en de mens elkaar niet vinden, wordt het hele leven een aaneenschakeling van dissonanten. En dat verdraagt een mens maar even. En dan enkel nog op voorwaarde dat de dissonant openbreekt tot een vol en rijk consonant akkoord.
Daarmee heeft het woord van Paulus te maken. En Paulus is geen tweederangstheoloog. Hij heeft persoonlijk en heel diep geschouwd in het wezen en de samenhang der dingen. Volgens hem heeft Christus over dat alles zijn mantel heen geslagen. Hij heeft de hele schepping, het levende en het levenloze, aangeraakt. Daardoor werden mens en aarde opnieuw aan elkaar toevertrouwd. Over die hele werkelijkheid ‘zweeft’ Gods geest. Om één zaak te realiseren: dat alles in éénklank samenleeft.
God heeft blijkbaar grootse plannen. Alle mensen worden broe¬ders. Dat zingen wij met luide stem in de negende van Beethoven. Dat is een oprechte, hoge en verre droom. Na zovele eeuwen zingen we nog steeds de eerste strofe. Maar hier gaan we een stap verder. De mens zal nog veel werk hebben om de aarde te ordenen, te onderwerpen en te beheersen. Misschien zingen we hier ook nog maar de eerste strofe? Als wij daaromtrent te euforisch denken, slaan wind en storm en hagelvloed onze eufo¬rie stuk.
De mens en de aarde elkaars vriend? Het staat nog voor eeuwen op onze multinationale agenda. Dat is sterk. Volgens Paulus is dit een niet te verwaarlozen plicht: als je de bomen ziek maakt en het water troebel, heb je van het hele lied nog niet veel begrepen. Liturgie is niet enkel een kerkwoord. Het is ook een woord om mijn straat te versieren en de berk in mijn tuin te verzorgen.
Francesco schreef daarover ooit een mooi lied.