Broeders en zusters,
Mijn vader had vroeger een groothandel in
kaas die leverde over het hele land aan de horeca. Twee of drie keer
per jaar verstuurde hij folders. Dan kwamen er dikke pakken folders van
de drukkerij en die moesten wij, de kinderen, in vieren vouwen, in
enveloppen stoppen, adressen typen en postzegels plakken. Het ging om
duizenden folders. Dat was dus geen klein klusje. Automatisering was er
nog niet. We zaten er avonden aan, totdat onze vingers er blauw van
waren en onze tong zo vierkant en plakkerig als de postzegel zelf. Dan
vroegen we ons wel eens af: wat levert het op? Waar doen we al die
moeite voor? De meeste folders gaan bij de geadresseerde direct de
prullenbak in. Maar mijn vader deed het met volle overtuiging en de
zaken liepen goed.
Maar toen mijn vader wat ouder werd en de
portokosten alsmaar omhoog gingen, begon mijn vader ook te twijfelen.
In plaats van 3x stuurde hij nog maar 2 of 1x per jaar een folder. En
wat was het gevolg?: de klandizie liep terug en daarmee ook de winst.
Toen mijn vader overleed en ik inzage kreeg in de boekhouding zag ik
dat in die laatste jaren de jaarwinst nog maar een derde was van wat
het ooit geweest was.
Waarom ligt er altijd zoveel reklame in
onze brievenbus? Als maar één op de tien mensen iets koopt uit de
folder, dan heeft de zaak de kosten van tien folders er dubbel en dik
uit.
In één van mijn vorige parochies wilde het bestuur op een
bepaald moment abonnementsgeld invoeren voor het kerkblad. Ik was daar
fel op tegen. Want het kerkblad is het visitiekaartje van de parochie.
Daarmee bereik je veel mensen die je nooit meer in de kerk ziet. Als je
deze grote groep mensen wilt afstoten door hen financiële
verplichtingen op te leggen, dan kun je je parochie beter gelijk
opheffen.
Ook nu ben ik er nog fel op tegen dat de kerk voor
allerlei diensten en sacramentenbediening geld vraagt. Ik zou het
liefst zien dat alle misstipendia, doopbijdragen, tarieven voor
huwelijk en uitvaart en dergelijke afgeschaft worden. Een sacrament zou
ik willen vergelijken met een kus of een handdruk die je geeft als
teken van liefde en vriendschap. Daar vraag je toch geen geld voor!
Wanneer de sacramenten als tekenen van Gods liefde zonder beperking of
voorwaarden worden uitgedeeld, dan zullen de mensen zich veel meer
persoonlijk gewaardeerd voelen en zich daardoor ook meer
verantwoordelijk gaan voelen voor de instandhouding van de parochie,
ook financieel.
Wie karig zaait zal karig oogsten. Deze spreuk
uit het evangelie hebben de reclamemakers vaak beter begrepen dan de
gelovigen. Want met zaaien bedoelde Jezus geen commerciële reclame,
maar de verkondiging van Gods woord. En met geloofsverkondiging zijn we
in deze tijd erg karig, de Evangelische Omroep uitgezonderd.
Helaas
kunnen we de opbrengst van geloofsverkondiging niet goed in
statistieken en getallen uitdrukken. Het Kaski, het kerkelijke
administratiekantoor, probeert dat wel door alles jaarlijks te tellen:
het aantal dopelingen, het aantal kerkgangers, kijkcijfers, etc. etc.
Maar zo mogen we Gods werk niet beoordelen. Gelovigheid en christelijke
goedheid vallen niet samen met de frequentie van de ontvangst van
sacramenten. Vroeger kwamen er vele mensen naar de kerk omdat het
moest. Omdat ze anders bedreigd werden met doodzonde en hel. Het kleine
aantal kerkgangers dat nu nog komt, komt uit vrije wil.. Vroeger
“geloofden de kerkgangers het wel”, nu twijfelen ze wel eens, maar ze
zijn oprecht en proberen vanuit het geloof te leven. Vroeger stonden
mensen op het oxaal en op het kerkplein tijdens de preek een sigaretje
te roken. Nu luistert u allemaal. Wat is meer waard?
Daarom,
beste gelovigen, moeten we ons niet blind staren op getallen. We moeten
ons niet laten ontmoedigen. Jesaja zei al dat Gods woord niet
vruchteloos naar Hem zal terugkeren, maar pas als het zijn wil heeft
volbracht en zijn zending heeft vervuld.
Dat zien we specifiek in
Jezus’ leven: Hij heeft Gods woorden gezaaid. Dagelijks, te pas en te
onpas, bij vriend en vijand, in stad en land. En aanvankelijk leek het
niet veel op te leveren. Zijn wonderen trokken veel publiek. Maar als
Hij over het kruis sprak, dan haakte men massaal weer af. Onder zijn
kruis stonden nog maar enkele trouwe volgelingen: Johannes, zijn meest
geliefde leerling, zijn moeder Maria en nog enkele vrouwen.
Pas later is de kerk gaan groeien en heeft zijn leven meer zichtbare vruchten opgebracht.
Welke
troost kunnen wij uit dit evangelie putten? De troost dat we onze
inspanning voor het evangelie nooit voor niets leveren. Misschien zien
we niet direct resultaat van bijvoorbeeld de geloofsopvoeding van onze
kinderen. Ze gaan misschien niet meer naar de kerk, bidden niet meer,
laten de kleinkinderen niet dopen, etcetera. Misschien heeft u wel eens
het gevoel dat u het allemaal voor niets gedaan heeft. Maar vergeet
twee dingen niet: ten eerste dat zaad onder de grond ontkiemt,
onzichtbaar voor onze ogen. En pas als de tijd er rijp voor is. Je weet
nooit wat er diep in het hart van de kinderen of kleinkinderen nog
leeft.
Ten tweede: als er veel zaad op rotgrond valt of tussen
dorens en distels, bedenk: een ander deel valt op goede grond en brengt
dertig- zestig- of honderdvoudig vrucht voort.
Daarom geldt voor ieder van ons: blijf geloven, blijf bidden, blijf hopen. Wees zelf goede grond waarop Gods woord kan gedijen.
Ik
begin er zo langzamerhand aan te wennen dat de kerk momenteel in de
maatschappij niet populair is. Want ondanks het lage kerkbezoek zie je
toch overal nieuwe dingen ontstaan: het vrijwilligerswerk, de vele
ouderen die nog pastorale school of theologiestudie gaan doen, de
nieuwe bewegingen en leefgemeenschappen die overal ontstaan, het aantal
jongerenactiviteiten dat op diocesaan en landelijk niveau weer
toeneemt, de wereldjongerendagen waar een miljoen jongeren verwacht
worden. De kerk leeft volop. Als we het maar niet met de oude
maatstaven meten.
“Gelukkig uw ogen omdat zij zien, gelukkig uw oren omdat zij horen.” Moge die woorden van Jezus ook voor ons gelden.
Wat vrucht draagt (2005)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen