15e zondag door het jaar A (1999)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen

In een agrarisch weekblad kwam ik de volgende noodkreet tegen: “Bij mijn familie kan ik geen goed doen. Ik krijg steeds meer het gevoel dat ik nergens voor deug en niets kan. Dat ik geen vriendin meer heb, maakt het nog erger. Ik denk vaak: als dit leven is, ben ik liever dood. Dan heb ik rust.”
Toen ik dat las, was mijn eerste gedachte: arme kerel, wat moet jij je doodongelukkig voelen, dat je zoiets zegt. Mijn tweede gedachte was: wat afschuwelijk dat zijn omgeving hem blijkbaar het gevoel geeft dat hij nergens voor deugt, dat hij, in hun ogen, niets goeds kan doen. Ik ken natuurlijk de situatie niet, ik weet niet wat er precies aan de hand is, maar ik vraag me wel af: hoe komt het dat zijn familie, zijn omgeving blijkbaar zo hard en zo negatief is in zijn oordeel over deze man, dat hij zich echt afgedankt en in de hoek gedrukt voelt?
Duidelijk heeft hij niet aan hun verwachtingen beantwoord, maar hebben ze misschien niet teveel van hem verwacht? Kan hij met zijn mogelijkheden wel beantwoorden aan hun verwachtingen?
Nog een voorbeeld: Van de twee kinderen in een gezin kan de een goed leren en de ander maakt er niets van. De laatste wordt constant op zijn huid gezeten: je doet je best niet, je werkt niet hard genoeg, kijk eens naar je broer: die presteert tenminste.
Dat vergeleken worden met de ander is pijnlijk en frustrerend en de vraag is: overvraagt men hem niet, wil men niet teveel van hem, mag je hem wel vergelijken met zijn broer die het beter doet?
Een ander voorbeeld uit de praktijk van het leven. Een vrouw kan de dood van haar man maar niet verwerkt krijgen. Ze is niet in staat de draad van het leven weer op te nemen, alles is in de mineur, ze kan geen levensvreugde meer vinden. En dat wordt natuurlijk zichtbaar in haar spreken, in alles wat ze doet.
En de omgeving zegt dan: Och die, dat is ook een ramp ze moet maar wat flinker zijn, ze moet niet zo flauw doen er zijn er zovelen die hetzelfde overkomen is en die wel verder kunnen.
Maar wat anderen kunnen, hoeft zij daarom nog niet te kunnen. We moeten heel voorzichtig zijn met iedereen over één kam te scheren: de een kan nu eenmaal meer aan dan een ander. Je mag daarom ook niet van iedereen hetzelfde verwachten.
Dat is de boodschap van het evangelie van vandaag. Jezus constateert hier de werkelijkheid van het leven, dat niet iedereen hetzelfde kan opbrengen, evenveel vruchten kan opleveren. Dat is geen verwijt, ook al werd en het wordt het wel eens zo gelezen, maar gewoon een constatering van een stuk realiteit: je mag niet van iedereen even grote vruchtbaarheid verwachten, en dus moet je wat geduld hebben met medemensen, die in jouw ogen minder vruchten of zelfs te weinig vruchten dragen.
En Jezus vergelijkt dit met een stukje werkelijkheid uit die dagen: een boer die zijn zaad zaait op de akker, een beeld dat iedereen kende. Wel een beeld dat voor ons hier en nu om wat uitleg vraagt. De akkers in Jezus’ tijd kun je niet vergelijken met de akkers zoals wij die kennen hier in ons eigen landje: goeie grond, keurig geploegd, goed bemest, goed onderhouden.
In Jezus’ tijd waren de akkers maar miserabele lapjes grond, vol stenen, rotsige plekken, paden die er dwars doorheenliepen, plekken waar alleen het onkruid nog een beetje kon groeien. En elke boer die zijn zaad uitstrooide over zijn akkertje wist bij voorbaat dat de opbrengst van plek tot plek verschillen zou: op de ene plaats een beetje meer, op een andere een beetje minder, en hier en daar zelfs helemaal niets. En Jezus zegt: zo is het ook met de mensen.
Het probleem van onze tijd en onze samenleving is, dat we mensen teveel vergelijken met de akkers van nu. Er wordt alles aangedaan om de akkers zo vruchtbaar mogelijk te maken, om een zo groot mogelijke productiviteit te bereiken. En alle moderne hulpmiddelen worden daarbij uit de kast gehaald. Als het gaat om de akkers dan is dat natuurlijk prima, maar als diezelfde instelling ook gehanteerd wordt tegenover mensen, en dat gebeurt in onze moderne productiemaatschappij, dan is er iets mis, dan komen mensen in de verdrukking, omdat ze niet kunnen beantwoorden aan de verwachtingen, en aan de eisen die onze gecompliceerde samenleving hen stelt.
En dat precies zie je in onze tijd links en rechts gebeuren: mensen die overvraagd worden, en op een gegeven ogenblik afknappen, mensen die uitgerangeerd raken, aan de kant worden gezet, of niet eens de kans krijgen om volwaardig werk te krijgen, mensen die zo door hun omgeving het gevoel opgedrongen krijgen: ik deug nergens voor, ik kan niets goeds doen. Maar zo worden wel mensen doodongelukkig gemaakt in hun leven. Heb wat geduld met je medemensen, zegt Jezus ons, overvraag ze niet, zet ze niet zomaar aan de zijlijn, laat ieder in zijn waarde. Dan kunnen we samen het rijk van God zijn, met levensgeluk voor iedereen.

Zoeken in Preken Online