OP ZOEK NAAR EEN HUIS IN TIJDEN VAN CORONA EN LOCKDOWN… - 3
In het bos daar staat een huisje ‘k Keek eens door het vensterraam Kwam een haasje aangelopen Klopte aan de deur Help mij, help mij, uit de nood Want de jager schiet mij dood Laat mij in uw huisje klein ‘k Zal u dankbaar zijn
Welkom – Dimitri Van Toren
Er brandt altijd licht, hoe laat je ook komt, wie je ook bent, welkom. Ik heb geen wapens en ook geen hond, dus wie je ook bent, welkom. Er is altijd wat brood, koffie en wijn, een bed zo zacht voor een samenzijn en al kom je morgen of nu terstond, het doet er niet toe, welkom. Eenzaam staat mijn huis langs een spoorlijn en eenzaam groeit een boom in mijn tuin, snel zijn de treinen die nooit stoppen, snel gaan ook de winden aan mij voorbij.
Al ben je verjaagd, al ben je gevlucht, al ben je verlaten, al heb je geen rust, al is je reden dan niet gegrond, ’t gaat mij niet aan, welkom. Vergeten ben ik het spel dat ik leerde, vergeten ben ik het lied dat iemand zong, maar niet één dag dat mijn huis eens gevuld was met warmte, met liefde en zon. Ik kijk in de morgen, luister in de nacht, ik hoop in november, ik overdacht: de tijd is simpel, de klok gaat rond, hé, wie je ook bent, welkom!
Syrische vluchtelingen in de tentenkampen van in de Libanese Bekaa-vallei
Zoveel mensen op de vlucht, miljoenen ontelbaren. Zoveel mensen bedreigd. Zoveel mensen uit hun huizen opgejaagd.
Zoveel eenzaamheid en verborgen verdriet in de huizen van de mensen.
Zoveel huizen die geen thuis zijn.
Zoveel huizen waar mensen
niet op adem kunnen komen,
zoveel zoeken en verlangen
naar een plaats om te huilen,
een plek om te schuilen.
Zoveel zoeken naar ruimte
voor vreemde gasten,
verslaafden, verdrevenen, uitgejouwden.
Gezegend zijn de huizen,
waar de deuren niet gesloten blijven,
waar brood en tijd gedeeld worden
met wie ontredderd zijn,
zoeken naar rust en houvast.
Gezegend zijn de huizen,
waar mensen niet alleen maar leven
voor zichzelf,
maar leven delen met elkaar
en met hen die aankloppen aan hun deur.
Gezegend zijn de handen van hen
die zorgvuldig doen wat nodig is.
Gezegend zijn de handen van hen
die het eenvoudige doen opdat het leven leefbaar en menswaardig blijft.
Gezegend zijn zij die innerlijke ruimte hebben om het verhaal te ontvangen van wie gestrand zijn op de levensweg en zoeken naar het oor van een medemens om gehoord te worden.
Gezegend zijn zij in de Naam van de Eeuwige, Die niet zal vergeten wie vreemde gasten uitnodigt aan zijn tafel, maar Die hen toekomst schenkt en leven in overvloed. Zegene ons dan onze God, wanneer wij aan mensen in nood een open huis en een open hart willen reiken en wanneer we samen vechten tegen de uitsluiting van zovelen in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
Marinus van den Berg
MAAK EEN KAMERTJE VRIJ VOOR DE PROFEET…
Op zekere dag kwam Elisa langs Sunem. Daar woonde een welgestelde vrouw, die hem met aandrang uitnodigde bij haar te komen eten. En iedere keer dat hij in het vervolg daar in de buurt kwam, passeerde hij bij hen langs. Daarom zei de vrouw tot haar man: ‘Luister eens, ik heb gemerkt dat de man die altijd bij ons komt, een heilige man Gods is. Laten we boven op ons huis een kleine kamer voor hem metselen en er een bed, een tafel, een stoel en een lamp in zetten; als hij dan* nog eens **bij ons langs *komt, kan hij daar zijn intrek nemen.’ Toen Elisa er dus op zekere dag weer aankwam, kon hij de bovenkamer betrekken en er zich te ruste leggen. (2 Koningen 4, 8-11)
Die rijke mevrouw uit Sunem en haar man (maar die wordt amper genoemd in het verhaal) hebben een huisvriend, Elisa. Een boerenjongen die door de grote profeet Elia (‘Jahwe is mijn God’!) werd aangewezen als zijn opvolger. Die vriendschap gaat op de duur zo ver, dat ze op het dak van hun riante woning een apart kamertje laten bouwen voor hem. De vrouw meubileert het met een bed om op te rusten, een tafel, een stoel en een lamp, opdat hij er kan lezen, schrijven en werken. Een fornuis of kachel is niet nodig want voor zijn eten en drinken wordt beneden wel gezorgd. Dat is nog eens een voorbeeld van echte gastvrijheid en vriendschap! Die vrouw wil geen beslag leggen op hun huisvriend, hij kan komen en gaan wanneer hij wil, hij kan werken zolang hij dat zelf nodig vindt en hoeft zich geen zorgen te maken over huishoudelijke zaken. Telkens wanneer de profeet in de buurt is, kan hij daar altijd terecht in dat appartementje voor ‘Bed and breakfast’ – ‘Zimmer frei’ staat er bij wijze van spreken voortaan in grote letters op het uithangbord van hun villa langs de straat geschreven… Waarom doet die vrouw dat allemaal? Zelf geeft ze antwoord op die vraag: ‘Luister eens’, zegt ze tegen haar man, ‘ik heb gemerkt dat hij die altijd bij ons aan huis komt, een heilige man Gods is.’ Ze doet het dus omdat hij een profeet is. Je zou haast bij jezelf denken: weet ze dan al wat voor goeds Jezus daar later over zal zeggen: ‘Wie een profeet opneemt omdat het een profeet is, zal ook het loon van een profeet ontvangen…’ (Matt. 10,41)? Zou ze daar misschien op uit zijn geweest? Gastvrij zijn om er zelf beter van te worden? Investeren in die logeerkamer, om er vroeg of laat een soort geestelijke rente van te plukken? Nee, ik denk niet dat ze daar op uit is. Uit haar hele houding blijkt dat ze op geen enkele manier de aanwezigheid van de profeet ‘claimt’ of hem wil uitbuiten of gebruiken.
Ze valt hem zelfs niet eens lastig met haar eigen probleem. De man Gods heeft warempel al genoeg aan zijn hoofd, vindt ze. Maar op een keer stort ze haar hart toch wel uit bij zijn knecht. Ze uit ineens haar droefheid over het feit dat haar huwelijk kinderloos is gebleven. Zij mankeert waarachtig alle toekomstperspectief, die rijke mevrouw uit Sunem. Alle huiselijke gezelligheid in de kleine kring van haar besloten gezinnetje loopt uit op niets. Natuurlijk komt dat, via de knecht, toch ter ore van de profeet. De man Gods verklaart dan plechtig, dat zij en haar man over een jaar een zoon zullen hebben. Dat is nu eenmaal – bijbels gezien – altijd het loon van de profeet en de vrucht van zoveel gastvrijheid in ‘goed gezelschap’! Straks komt er een kind in hun midden, van Godswege. Er zal zienderogen toekomst groeien; er is onmiskenbaar iets van ‘leven in overvloed’ in het verschiet, te midden van de leegte van dit moment.
Wanneer de vrouw later - weduwe geworden - omwille van een hongersnood zeven jaar lang het land uitvlucht en daarna weer terugkomt naar haar huis en thuis, hangt daar – dank zij de profeet - nog steeds dat bordje met ‘Zimmer frei’ en ‘Bed and breakfast’ aan de deur. Elisa himself zorgt er dan voor dat zij haar huis en grond terugkrijgt, en dat haar recht wordt gedaan. Ook dat is het loon van een profeet: dat er gerechtigheid geschiedt; dat je niet overgeleverd bent aan onrecht, willekeur en het recht van de sterkste (zie 2 Koningen 8, 1-6).
Dit oude verhaal kun je lezen als een soort prelude op ons kerstverhaal. Het komt waarachtig vanuit de hemel met goed nieuws, met ‘evangelie’ naar ons toegewaaid, en meldt ons met grote vreugde: Ja waarlijk, ieder die wij in ons huis en in ons gezelschap binnenlaten, kan een profeet zijn – iemand die ons iets te zeggen heeft van Godswege, sprekend met ‘His Master’s Voice’. En ook nog dit: alleen waar openheid heerst in een geest van gastvrijheid, daar groeit toekomstperspectief. De vrouw uit Sunem heeft het - net zoals Maria later - aan den lijve ondervonden…
“Ik zou graag een keten van huizen zien ontstaan - en aangrenzend: opvanghuizen voor asielzoekers, gastverblijven, kloosters van de eenentwintigste eeuw, communauteiten waar ook ongewone, onmogelijke mensen kunnen wonen; samen met gewone, voor het snelle leven van de komende eeuw iets meer toegeruste mensen.
Zou graag een netwerk van huizen zien ontstaan waar het grote- ‘land-wij-mensen-alles-voor allen’- verhaal wordt gelezen, gespeld, gezongen, ondervraagd, uitgelegd, betwijfeld, aangevochten, bepleit, en weer gezongen alsof het leven ervan afhangt.”
Uit Huub OOSTERHUIS, Een huis waar alles woont
Hotel Mozart – Drie sterren-hotel in Brussel vangt asielzoekers op
brusselnieuws.be- 04/11/2015
In het Brusselse Hotel Mozart kunnen daklozen en asielzoekers altijd terecht voor een bed en een warme maaltijd, gratis en voor niks. Een wilde weldoener wil eigenaar Ben Abderrahman (57) niet genoemd worden, maar voor velen is hij dat wel.
Vlakbij de Brusselse Grote Markt baat de Belg van Marokkaanse afkomst al achttien jaar zijn Hotel Mozart uit. En al die tijd vangt hij daklozen op in zijn kamers, vaak tientallen tegelijk. ‘Of het nu asielzoekers zijn of Belgen, dat maakt niet uit. Wie nergens heen kan, kan hier terecht’, vertelt Ben. ‘Hier krijgen ze een warm bed, drie maaltijden per dag en kunnen ze even hun familie bellen. Er zijn zoveel mensen die hulp kunnen gebruiken. En aan de verhalen die ik hoor, merk ik dat de miserie elk jaar groter wordt.’
54 kamers zijn er in Hotel Mozart, vijftien daarvan worden momenteel gratis gebruikt door 42 mensen zonder dak boven het hoofd. ‘Ach, in de winter is het sowieso rustiger in het hotel. Maar ik heb betalende gasten genoeg. Bovendien: de bedden zijn er, brood wordt toch gehaald en de maaltijden worden bereid. Waarom ze dan niet delen? Ik zie miljonairs die alles krampachtig voor zichzelf houden. Hoe kan je dan gelukkig zijn? Ik ben tevreden als ik anderen een plezier kan doen.’
Baby van twee weken
Deze week brak de asielcrisis in alle hevigheid uit en vannacht was de koudste nacht van de winter tot nu toe. Voor de meesten van ons een klein ongemak, voor sommigen een ramp. In één van de kamers zit een jonge vrouw op bed, haar baby stevig in haar armen. Maria (21) kwam anderhalve maand geleden vanuit Griekenland naar België. Amper twee weken geleden werd haar zoontje Alex geboren. Sinds enkele dagen logeert ze in Hotel Mozart. ‘In de kraamkliniek werd me verteld dat ik hier misschien terecht kon. Ben heeft me opgevangen. Een groot geluk. Ik ben zo goed als alleen in dit land en als ik hier niet terecht kon, zou ik met mijn baby op straat moeten slapen. Waar ik nadien heen moet, weet ik niet, maar daar denk ik niet aan. Ik probeer nu vooral te genieten van de rust en de warmte hier.’ Een verdieping hoger kijken Jean-Pierre (63) en Willy (69), rasechte Brusselaars, vanop hun bed naar televisie. ‘Soms kunnen we terecht in de nachtopvang voor daklozen, maar hier worden we tenminste écht opgevangen. Zo blijven we van de straat en uit de cafés.’
Van tentje naar hotel
Ben Abderrahman is niet de eerste de beste. Opvangorganisatie Samu Social spreekt vol lof over hem en in 2009 werd hij uitgeroepen tot Brusselaar van het jaar. Wie aanklopt bij Hotel Mozart, heeft doorgaans horen fluisteren dat Ben hen met open armen zal ontvangen. ‘Het enige dat ik in ruil vraag, is respect’, zegt hij. ‘Ik wil dat wie ik opvang, om halftien ’s avonds binnen is. Er zijn zoveel verlokkingen op straat en ik wil niet dat ze hier stomdronken binnenstrompelen. Tegen wie dat wel doet, zeg ik: misschien moet je een heel klein beetje moslim worden. Er is niets mis met een glas alcohol, maar teveel drinken, brengt ellende mee.’
Als de avond valt, komen vier kleine kinderen het restaurant van het hotel ingelopen. Ben geeft hen een glas fruitsap, dat de broertjes en zusjes lachend aannemen. De vier maken deel uit van een Kosovaars Roma-gezin dat de nacht voordien nog doorbracht in de bijtende kou. Wekenlang leefden ze in en rond hun tentje in het Brusselse Maximiliaanpark, maar nu zijn ze zichtbaar opgekikkerd. ‘Een familie die het zo moeilijk heeft, met vier leuke kindjes, die kan je toch niet in de kou laten staan? Die lachende gezichten, daar doe ik het voor’, zegt Ben.