Bewogenheid (2002)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 11e zondag · groen

Hoe vaak gebeurt het niet, dat mensen in nood zitten, in verdriet, geen uitweg meer zien in hun leven, niet meer weten waar ze het moeten zoeken? Geslagen door het leven, hoe dan ook, in de steek gelaten, op de vlucht, of geisoleerd in een AZC? Het antwoord, de genezing, zit dan in iemand, die heel nabij wil zijn, weet te luisteren, zich weet in te leven in de ander, een traan voelt opkomen, een hand op de schouder legt en met hem/ haar op weg gaat. Zou dat niet God in mensen zijn? Zijn Naam is immers: ik ben er voor jou. Die Naam moet toch vertaald worden door mensenhanden, door mensenharten. Jezus was als geen ander zo iemand, die nabij wist te zijn, en daardoor mensen hoop gaf, en daardoor genezing bracht.

Hij ziet de massa gebroken mensen, waar niet naar omgekeken wordt, schapen zonder herder. Dat doet Hem pijn, staat er: hij is diep bewogen. Dan komt Hij in actie; hij roept de twaalf, stuurt hen erop af om de gebrokenheid van die mensen te genezen. Hoe moet ik me dat voorstellen? Hoe gaat dat i n zijn werk? En hoe moet ik dat vertalen naar vandaag toe, naar hier toe, naar deze parochie toe?

Mag ik u eens meenemen naar Afrika, naar een feestelijke Eucharistieviering in een kerk ergens in een dorp in Afrika? Een ervaring die mij nog scherp op het netvlies staat, is steeds de feestelijke offergang tijdens die vieringen. Wanneer wij hier de offergang houden, gebeurt er eigenlijk niet zoveel. De priester kondigt aan dat de tafel klaar gemaakt gaat worden, dat de offergaven brood en wijn erop gezet zullen worden. En dat de gaven van de mensen ook verzameld zullen worden; dat is dan de collecte.

In Afrika gaat een offergang anders. De mensen komen allemaal in processie naar voren, uitgedost in hun mooiste kleren, groot en klein, vrouwen met hun babies op de rug of zo nodig aan de borst, met een kind aan de hand, met een schaal met hun gaven op het hoofd (tomaten, jamwortels, eieren, sinaasappels, cocosnoten, een tros palmpitten of bananen, peper, gedroogde vis); daarachter mannen met een wat onwillige geit aan een touw, anderen met een kakelende kip, de poten bijeengebonden, in de hand. Zingend en dansend beweegt de processie zich door het middenpad naar voren tot bij het altaar. En op en voor de altaartafel worden de gaven, die zij meebrengen, neergelegd. De geit wordt aan de tafelpoot gebonden en mag daar voor de rest van de viering blijven, als ze zich maar een beetje rustig houdt, niet teveel aan de tafelpoot rukt. De offergang neemt gerust een kwartier of zo in beslag. Daarna gaat de mis verder.

Aan het einde van de dienst komt de goegemeente weer naar voren. Ze pakken hun gaven op en weer gaat het in processie, nu de kerk uit, zingend en dansend over stoffige wegen en paden, naar de zieken, naar de ouderen, naar de gehandicapten in de dorpsgemeenschap. De gaven worden uitgedeeld: voor een zieke oma de kip, wat eieren, peper en een paar tomaten; voor een strompelende opa de geit en wat bananen en zo. De gemeenschap zorgt voor de gemeenschap; niemand wordt uit het oog verloren. Letterlijk zien ze om naar de gebroken mensen in hun gemeenschap. Hun bewogenheid vertaalt zich in actie, heel direct, heel simpel, door het delen van gaven in natura. Een prachtige sprekende symboliek van wat de eucharistie beoogt te zijn: het brood breken met elkaar, de hemel op aarde brengen.

Soms, als ik daaraan terugdenk, voel ik heimwee naar die vieringen. En mijmer ik: zou het niet mogelijk zijn om ook in onze vieringen hier in de kerk de offergang sprankelender en levendiger te maken, net wat meer dan alleen maar het collecteren van euro’s in een mandje? Zou het niet mogelijk zijn, dat mensen ook iets in natura offeren - iets wat zij zelf gemaakt hebben - waardoor de betekenis ervan voor ieder die aanwezig is duidelijker en aansprekender wordt.

Deze gedachte kwam in mij op toen afgelopen week een van onze parochianen mij verraste met deze mooie kaart, een zelfgemaakt handwerkje. Ze vertelde mij dat ze plezier vond in dit werk en dat ze veel kaarten maakte voor anderen. Al pratende kwamen we op het idee, dat ze zulke mooie kaarten zou kunnen maken voor de kerk, misschien als haar bijdrage voor de verkoop, maar misschien nog eerder voor het gebruik in onze parochie. Het is hier een goede gewoonte, dat mensen een kaart ontvangen, om met hen mee te leven bij bijzondere gelegenheden, om hen geluk te wensen bij verjaardagen, om hen beterschap en sterkte toe te wensen bij ziekte, of om hen troost en kracht te wensen in verdriet.

Wat zou het betekenisvol zijn wanneer dan juist deze kaarten daarvoor gebruikt zouden worden. Ik zie het al voor mij: Vol liefde, met die intentie, gemaakt door nijvere handen van mensen in de parochie - in narura dus - en vol handtekeningen, worden ze gebracht naar diegenen onder ons, die feest hebben, of die het moeilijk hebben of verdriet hebben. Letterlijk iets gemaakt door mensen zelf in de parochie voor hun medeparochianen, uitdrukking van betrokkenheid bij elkaar, van het leven delen met elkaar.

Ik realizeer mij, we zijn in Nederland, niet in Afrika. Ik zie het niet gebeuren, dat mensen hier binnenkomen met eieren en tomaten, met een kip of een geit aan een touw. Het is niet onze stijl. Maar wie zou er wat op tegen hebben, als zo’n met liefde zelfgemaakte kaart met die intentie in het collecte-mandje gelegd wordt, om uiting te geven aan medeleven en betrokkenheid bij anderen?

Zoeken in Preken Online