* “Je zal Hem Jezus noemen” * (Mt 1,21). Deze woorden, centraal in dit evangelie van de vierde adventszondag, zijn gericht tot Jozef, niet tot Maria. De Latijnse naam “Jesus” gaat terug naar de Griekse vorm “Jèsous”, die verder weer afgeleid is uit het Hebreeuwse “Yeshua”, d.i. “God redt”.
* Het was een naam die courant was bij de Joden. Maar aanstonds verheldert de engel hem als de Messiasnaam, met de klare duiding dat Hij niet - zoals velen hoopten - een politieke maar een spirituele figuur zal zijn: “Hij zal zijn volk redden uit hun zonden”. Daarmee was de toon gezet.\
1. Het is een ongewoon en verrassend verhaal.
- Matteüs schreef zijn evangelie voor christenen uit het Jodendom. Zijn thema was: Jezus is de Messias. Maar voor Joden was een eerste voorwaarde om als Messias aanvaard te worden dat hij afstammeling van David zou zijn. Dat moest Matteüs nu bewijzen. Daarom begint hij zijn evangelie met de stamboom van Jozef die terugklimt tot David en verder tot Abraham. Hij noemt Jozef met nadruk zoon van David. Een stamboom langs vrouwelijke zijde maakte men niet. Het zou voor Joden nu zonneklaar geweest zijn, had hij als besluit kunnen schrijven: “… Jozef, uit wie Jezus geboren werd”. Maar nu maakt hij een voor hem schadelijke kronkel: “… Jozef, de man van Maria uit wie Jezus geboren werd.” met aansluitend het angstverhaal van Jozef, die in dat vaderschap niet betrokken blijkt, en die zelfs hierom overwoog te scheiden. Daarom laat Matteüs graag de engel zeggen dat hij niet bevreesd moest zijn Maria tot zich te nemen. In een eerste huwelijksfase woonde men nog niet samen. Later haalde de man zijn vrouw binnen in zijn huis. En de engel zegt verder dat Jozef zelf die naam Jezus moet geven. De vader was het die in die tijd de naam gaf, net zoals Zacharias de naam gaf aan zijn zoon Johannes die de Doper werd. Zo nam Jozef bij adoptie het vaderschap op zich. Zulk vaderschap werd bij Joodse wet als een echt vaderschap erkend. Op die wijze heeft Jozef door zijn gehoorzame aanvaardig Jezus legaal tot zoon van David gemaakt.
\ - Matteüs maakte deze kronkel, omdat hij echt voor een klip stond die hij niet ontwijken kon. Literair gezien heeft dit verhaal niets van een sprookje of een mythe. Het was een reëel feit, dat de stamboomargumentatie van Matteüs alleen maar moeilijker maakte. Hij had niet de minste reden om zulke fabel uit de godenwereld te halen. De Joodse christenen immers, voor wie hij schreef wilden helemaal niets van heidense mythen, en zij verwachtten evenmin een goddelijke Messias. \
2. Die klip was in feite het grote teken.
- Het evangelie volgens Matteüs is geschreven net als de andere evangeliën, zoals Joden in die tijd schreven. Men verzon niet een verhaaltje om een profetie te laten kloppen. Maar andersom een reële gebeurtenis werd gelovig uitgediept in het licht van wat God in het verleden had gedaan, of wat profeten eerder hadden gezegd. (Dit soort overwegen heette pesher, een soort midrash.) Jesaja had in lang verleden dagen aan de ongelovige koning Achaz voorspeld: “Ongevraagd geeft God u een teken: Zie, de jonge vrouw zal ontvangen, een zoon baren en hem noemen Immanuël, d.i. God-met-ons” (Jes 7,14). Deze tekst bevatte eerst weinig kiemkracht. Maar in dat licht erkende Matteüs wat met Maria is gebeurd. En deze overweging kon aanslaan bij wie Joodse feeling had.
\ - Met deze boodschap zit Matteüs op dezelfde golflengte van Lucas: “De Heilige Geest zal over je komen” (Lc 1,35). Dit is: Gods scheppingskracht zal je overschaduwen. De menswording is een nieuwe creatie. En: “wat ter wereld wordt gebracht zal heilig genoemd worden, Zoon van God”. In de oudste citaten van het Johannesevangelie lezen we bevestigend: “Hij die niet uit de wil van een man, maar die uit God geboren is” (Joh 1,13). Nog vôôr de evangeliën schreef Paulus: “Toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon, ‘gekomen (!) uit een vrouw ’…” (Gal. 4,4).
* De boodschap van een geboorte uit een maagd werd in de laatste decennia zelfs in onze rooms-katholieke milieus aangevochten. Deze negatie kwam vooral vanuit een vooringenomen, agressief rationalistisch denken (de onwetenschappelijk thesis dat wonderen a priori niet kunnen); alsook vanuit een zeker humanistisch feminisme (alsof maagdelijkheid en een maagdelijk moederschap niet stroken kon met de waardigheid van de vrouw, en alsof dit een aanvechting zou zijn van de menselijke seksualiteit, door God geschapen). Dan ging men proberen deze maagdelijkheid puur symbolisch uit te leggen. Een ernstig schriftonderzoek, het getuigenis van de kerkvaders, de leer van de Kerk doorheen de concilies maken gewoon brandhout van deze uithollende interpretaties.
* De bijzondere en weergaloze geboorte van Jezus uit Maria bewees de bevrijdende doorbraak van God in de geschiedenis van de mensen. Dit wonder was alleen het frappante teken dat God ons gaf om het unieke van de menswording van zijn Zoon te belichten. “Zozeer heeft God de wereld lief gehad dat Hij ons zijn enige Zoon heeft gegeven… opdat de wereld door Hem zou worden gered.” (Joh 3, 16-17). Jezus is “God redt”. Hij komt ons uit de zonden redden. Hij komt de zieke wereld genezen. Hij is de “Immanuël”: God-met-ons. Dàt zal de vreugde van Kerstmis zijn.
…