In die dagen zal een twijg ontspruiten aan de stronk van Isaï.
Met die woorden begint de eerste lezing van vandaag.
Meestal lezen we daar finaal overheen.
Meestal kijken we alleen naar dat prachtige visioen verderop in de tekst,
dat visioen van vrede en gerechtigheid tussen alle mensen.
Die droom is schitterend maar als we naar de werkelijkheid kijken
krijgt dat visioen ook iets wrangs.
Je hebt het gevoel dat je voor de gek gehouden wordt.
Wilde beesten zullen nooit tam worden, mensen ook niet.
Vrede zal altijd een onmogelijke droom blijven.
Dat is de werkelijkheid die de nieuwsmedia ons voorschotelen,
een sombere werkelijkheid die bepaald niet hoopgevend is.
Maar: een twijgje zal ontspruiten aan de stronk van Isaï.
Jesaja spreekt die woorden in een sombere tijd voor het joodse volk:
ze zijn in ballingschap, hun tempel is verwoest, Jeruzalem ligt in puin.
Die machtige grote boom van het koninkrijk van David is omgehakt.
De burgers waren verdreven, ze voelen zich mensen zonder toekomst.
Het kon nooit meer goed komen, dachten ze in hun ellende.
Ze waren a.h.w. een bos dat door brand geheel verwoest was,
allemaal dode stronken, geen leven meer te bekennen.
Maar dan spreekt Jesaja hun moed in: het kan wel goed komen.
Een twijgje zal ontspruiten aan de stronk van Isaï.
Ook uit schijnbaar dode stronken kan leven komen.
Isaï is de vader van David, m.a.w. het huis van David, zijn koninkrijk
zal weer opnieuw tot leven komen in een van de nakomelingen van David
en de nieuwe koning zal vrede brengen in heel het land, in heel de wereld.
Dit visioen van Jesaja verwijst naar de heropbouw van Jeruzalem,
het herstel van de joodse staat onder een van de opvolgers van David.
Met deze woorden spreekt hij zijn toehoorders moed in:
blijf geloven in de toekomst, het komt weer goed.
En velen van zijn toehoorders hebben dat nog mogen meemaken.
In de christelijke traditie wordt dit visioen altijd gezien
als een verwijzing naar Jezus. Ook hij was een afstammeling van David
en in hem begon een nieuw koninkrijk, het koninkrijk van God.
Allemaal heel mooi, denk ik dan, een mooie droom, maar wat heb ik eraan?
Waar is die vrede waar Jesaja het over had, die Jezus zou brengen,
waar wordt dat prachtige beeld van een vreedzame samenleving werkelijkheid?
Gedragen mensen zich niet al te vaak als wilde beesten,
die elkaar verslinden in plaats van elkaar respecteren en aanvaarden?
Een twijgje zal ontspruiten aan de stronk van Isaï,
een kind wordt geboren, een kind dat vredevorst wordt genoemd,
een mosterdzaadje, dat tot een grote struik kan uitgroeien.
Beelden die ons zeggen dat uit het kleine iets groots kan groeien
maar wat moet je met die beelden in de wereld van vandaag
waarin kleine dingen niet meetellen, waar ze geen enkele invloed hebben,
waar ze door de meesten gewoon over het hoofd gezien worden.
Daar ligt denk ik ook ons probleem: dat we geen oog hebben voor het kleine.
Daar ligt ook precies de kracht van gelovige mensen:
dat ze wel het kleine zien en er aandacht voor hebben,
en daar kracht uit putten om te blijven hopen
en voor de droom van vrede te blijven werken.
Als je alleen kijkt naar het geweld in Israël, de oorlog in Afghanistan,
het geweld overal ter wereld, ook in eigen land,
dan zie je een troosteloos beeld van allemaal dode stronken, wilde beesten.
Maar als we ook kijkt naar wat gewone kleine mensen doen voor elkaar,
hoe overal toch initiatieven genomen worden om te komen
tot toenadering, tot een beter verstaan van elkaar, tot vrede,
dan zie je overal twijgjes die nieuw leven zichtbaar maken,
twijgjes, mosterdzaadjes die kunnen groeien tot iets belangrijks.
Jammer genoeg, kijken we daar zo vaak overheen.
In het evangelie hoorden we hoe Johannes zijn toehoorders opriep tot bekering,
om toch oog te hebben voor wat werkelijk belangrijk is in leven en samenleven.
Bij bekering denken we meestal aan je afkeren van het kwaad
en je toekeren naar het goede.
Maar wellicht betekent het voor ons veel meer:
je afkeren van de mentaliteit van onze tijd
waarin alles groot en machtig lijkt te moeten zijn,
waarin het kleine en onaanzienlijke niet meetelt
en je toekeren juist naar het kleine en zwakke,
oog hebben voor het goede dat mensen zijn en doen voor elkaar.
Dat is heel hoopgevend, ook in onze tijd.
2e zondag in de advent A (2001)
A-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars