Inleiding en situering van de nevendienst
Advent is een tijd van hoopvolle verwachting. Een tijd dat we mogen dromen
over een wereld, waar alles goed zal worden. Niemand kan dat beter dan onze
kinderen. Wij gaan nu met alle kinderen naar een ruimte waar dromen hardop
mag, en straks komen we terug om te vertellen wat wij hopen voor onszelf,
onze gemeenschap en de wereld.
De kinderen brengen de twijg naar voor, symbool voor de twijg van Jesse uit het visioen van Jesaja.\
Opening
Wat geven we door aan onze kinderen? Het visioen van vrede en gerechtigheid, maar hoe?
Die vraag houdt ons bezig gedurende deze periode van verwachting en speciaal in deze viering. Kruisteken.
Gij verschijnt als ongezien, door wie ons verwaterd leven kleur krijgt als in het begin, we zingen lied 305\
Woordje van een leek
Wat geven we door aan onze kinderen? Ik denk dat ouders dat soms problematisch vinden, zich afvragend of jongeren nog wel een boodschap hebben aan ons verhaal. Maar aan de andere kant moeten we ons ook de vraag stellen of we nog wel iets door geven. Ik vind het eigenlijk een complexe en confronterende vraag en ben er zelf maar een béétje uitgeraakt door een nogal eigenaardige ervaring.
Toen ik nog voor de klas stond en les gaf over het thema natuur-cultuur, was ik vanuit mijn “maatschappijkritische visie” aan het opsommen was wat er allemaal mis ging in de maatschappij: milieuvervuiling, onrechtvaardige Noord-Zuid verhoudingen, schending van de vrede en de mensenrechten. En toen was er opeens een leerlinge, die opmerkte: “Maar mijnheer, dit is onze tijd en daarin willen wij leven”. Ik stond even aan de grond genageld en had gelukkig de reflex om mijn geplande les te stoppen en we luisterden naar “haar verhaal”. “Er zijn ook goede en toffe dingen in de wereld, mijnheer”. De verdere details herinner ik me niet meer.
Het hele feit heeft me erg doen nadenken. Ik besefte, dat ik in de waan leefde, dat ik - door mijn leerlingen te wijzen op verwrongen maatschappelijke toestanden, op onrecht en schending van de schepping, - profetisch te zijn. Maar die leerlinge wees me erop dat ik het visioen vergeten was. Mijn spreken vertrok alleen nog maar vanuit de traditie en gaf voor hen geen toekomstvisie meer aan. En dus had die leerlinge geen boodschap aan mijn betoog. Bovendien had ik mij - door voor die benadering te kiezen - mij als een belerend leraar boven hen geplaatst en klonk het verhaal als het bekende oersaaie “wij in onzen tijd”.
Ik realiseerde me dat “als ik hen iets wou doorgeven”, dat we ons verhaal enigszins moesten delen en dat ik min of meer tussen hen moest staan, dat we een stuk samen moesten gaan. Alleen op die manier konden we de spanning traditie-visioen overbruggen of opheffen.
Willen we onze kinderen iets bieden dan moeten we met hen het “verhaal van mensen” en “het visioen van mensen” delen. En dat zijn zeker geen regels, geen geboden of verboden of een verloren verhaal van “wij in onze tijd”, maar het levende verhaal van geboorte, van verrijzen, van hoop, van leven. En zij moeten dat verhaal niet in zijn totaliteit overnemen, het is niet te nemen of te laten. Zij zullen zelf wel bepalen wat voor hun de essentie is van ons gemeenschappelijk verhaal.
In het gelovig verhaal vinden we steeds de twee elementen, traditie en visioen. Enerzijds plaatsen we ons in de traditie van het Godsvolk, waar ook wij als kerk en kapelgemeenschap toe behoren en de toepassing ervan in een snel veranderende maatschappij en anderzijds de realisatie van een rechtvaardige samenleving, de wereldvrede en het behoud de schepping.
Je zou kunnen denken die spanning een recent gegeven is tengevolge van de secularisatie, eigenlijk is dat niet zo, het is een essentieel gegeven. Reeds de profeten in het OT stonden in die spanning van behoud van de traditie, van de Tora en het visioen, als gevolg van het beleven van de Tora.
Als we naar de betekenis van het woord Tora gaan zoeken, dan betekent dit richtsnoer, richtinggever, richtingswijzer. Maw de wet zoals die oorspronkelijk werd opgevat, verwijst dus zowel naar het ordenend element, de wet, maar ook naar de richting die we willen gaan, naar de “toekomst” dus.
En nu ik ga even terug naar het beeld van mijn studenten, waar ik zei dat ik - om profetisch te zijn - enigszins tussen hen moest staan, welnu ook de profeten spraken niet vanuit de hoogte. Zij staan op vanuit het volk en wijzen het volk de weg, de Tora, het visioen.
Zoals Marcel in zijn uiteenzetting over de profeten zei: de priester staat boven het volk, hij verwijst naar de regels, het statische van de wet. De profeet staat tussen het volk en verwijst, naar de dynamiek van de Tora. En dan kunnen we het visoen van Jesaja pas begrijpen: Hij geeft de geringen hun recht, de armen krijgen een eerlijk vonnis, de gerechtigheid draagt hij als een gordel.
Ook in de tekst van Lucas zien we hoe Johannes zich plaatst in de lijn van de Tora. Wie dubbele kleding heeft, laat hij delen. En wie voedsel heeft, laat hem hetzelfde doen. En op dezelfde manier kiest Jezus van Nazaret voor een dynamische interpretatie van de Tora, tegen een godsdienst van offers, van regels en uitwendig vertoon.
Ons profetisch zijn, bestaat erin, om enerzijds het onrecht in de wereld aan te kaarten, maar anderzijds door uit te kijken naar tekenen van vervulling, tegen alle schijnbaar noodlot in. En beide elementen geven we aan onze kinderen door. Geen starre verzameling van wetten of een strikt op te volgen richtlijn, maar een levend verhaal van mensen. Een avontuur dat we samen gaan, anders hebben ze geen boodschap aan ons verhaal.
En dan gebruik ik graag het beeld van de woestijn. We gaan “samen op weg”, door de woestijn. De woestijn, die ons behoedt voor de zelfgenoegzaamheid van het materialisme. Zo een woestijnervaring kan bijvoorbeeld zijn: een soberheid in levenstijl, als aandacht voor de schepping of verzet tegen een economie van altijd meer. Dat kan ook zijn: een ingesteldheid tot dialoog en respect voor diversiteit, of een grondhouding om conflicten geweldloos op te lossen. In die woestijnervaring, als verzet tegen bepaalde maatschappelijke evoluties, is de Tora de lichtgevende wolk, die ons voorafgaat naar het beloofde land, het land van melk en honig en niet de vleespotten van Egypte.
Laten wij dan nu ons “gedeelde verhaal” uitdrukken in het aanbrengen van de offergaven.
Vorige keer heeft onze oudste kerkganger het licht doorgeven aan de kinderen.
Vandaag geven zij het licht door aan ons en brengen we het samen aan,
Mag ik vragen dat er enkele volwassenen nu de kaarsen al aansteken en dan als de kinderen zijn aangekomen met hen het licht en hun dromen naar voor brengen.