“De komst van de Mensenzoon zal zijn zoals het ging in de dagen van Noach…” (Mt 24,37).
Dat is de aanvang van dit evangelie: " De komst…" Dat is in het Latijn: de “Adventus”, de advent. Hiermede sluit het begin van het nieuwe kerkelijk jaar aan bij het einde van het vorig kerkelijk jaar: twee weken terug reeds was er sprake van de terugkomst van de Heer. Alles loopt door. Het kerkelijk jaar is als een ring, die onopvallend gesloten is.
-
God is onophoudelijk de komende. Hij is per definitie: “Degene die is en die was en die komt” (Apoc. 1,4). Hij komt op verscheidene wijzen. Zijn komst op Kerstmis was ooit het grote gebeuren in de wereldgeschiedenis. Er is ook zijn uiteindelijke wederkomst, waarvan wij de dag en het uur niet kennen (Mt 24, 36). In de tussentijd zien wij voortdurend uit naar het komen van de Heer, en dat drukken we uit in de liturgie die de ademhaling van de Kerk is. In de geloofsbelijdenis zeggen wij het heel klaar: “Hij zal wederkomen in heerlijkheid om te oordelen levenden en doden”; na de consecratie zingen wij: " Wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt."; en vlak na het Onzevader: " Hoopvol wachtend op de komst van Jezus Messias uw Zoon…" - Datzelfde horen wij in de bijbelteksten, die in de liturgie steeds terugkeren: “Ik kom terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zoudt zijn waar Ik ben.” (Joh. 14, 1-6), of : “Ja, Ik kom spoedig” (Openb. 22, 7,12,20). Vandaag is het in Amerika een rush om de Apocalyps te kopen en te lezen.
-
Maar in de teksten van het N.T. lezen we dat die komst daarom niet aanstonds, wel onverwacht zal zijn. De evg-tekst van vandaag is een aanloop naar de grote parabels over de komst van de Heer: de parabel van de knecht die verantwoordelijkheid draagt over het andere dienstvolk en denkt: mijn heer blijft nog ‘een poosje’ weg… (Mt 24, 48); de parabel van de 10 bruiloftsmeisjes van wie de bruidegom op zich ‘laat wachten’, die het wachten moe worden en in slaap vallen (Mt 25, 1-13); de parabel van de talenten, waarin de heer ‘een hele tijd later’ terugkomt om rekenschap te vragen (Mt 25, 14-30). De Heer komt dus niet onmiddellijk zoals velen in de eerste eeuw dachten. Zelfs Paulus schreef aan de inwoners v. Thessalonika: “Laat u niet opschrikken door uitspraken die van ons zouden komen, als stond de Dag des Heren voor de deur.” (II Thess. 2, 2-12).- Vandaar dat men gaat leven zoals in de tijd v. Noach. De rabbijnen gaven als commentaar op de tijd van Noach dat het een tijd was van groot zedenverval en morele normenloosheid. Jezus spreekt van grote onverschilligheid, zich laten verzwelgen in de routine, een opgaan in de aardse bezigheden, grijpen naar “het vandaag”, het ogenblikkelijke, een soort anesthesie van de gewetens. - Volgens de grote cultuurfilosofen van de laatste tientallen jaren ligt de oorzaak van de grote crisis, die wij nu meemaken, in dergelijke oppervlakkigheid, in de naar buiten gekeerde geest van de mens, die zich laat verdwazen door wereld van de reclame, door “leegte en lucht”. We hebben het vermogen verloren om in ons hart terug te keren. We vergeten ons hart aan de oppervlakte te brengen (Dom Louf), of beter nog ons hoofd in ons hart te steken (Cathérine de Hueck Doherty).
-
Toch zal die komst ons verrassen. Zowel de komst in ons pers. leven, als de komst v.d. Heer op het einde. De beelden zwijgen er niet om: Hij komt als een dief in de nacht; op een uur waarop gij het niet verwacht; zoals de bliksem in het oosten uitschiet naar het westen. Vandaar de dringende oproep tot waakzaamheid. Er is een wakkerschudding nodig, wakker worden uit onze bedcultuur, ontwaken zoals dieren uit hun winterslaap. - En dan met argusogen kijken naar wat gebeurt, wat ons wordt aangeboden. Kritisch. Zoiets veronderstelt de gave van onderscheiding: het bedrog doorzien en ontmaskeren. - En bij gevolg zich bekeren. De rabbi Eliezer zei: “Bekeer je de dag voor je dood.” En zijn leerlingen reageerden: “Wij weten niet op welke dag wij gaan sterven. “Daarom, zei de rabbi, moet je je elke dag bekeren.” - In de bekering verandert heel ons leven. Dan wordt ons hart blijvend naar God gekeerd. Dan gaan we reikhalzen, verlangen en bidden naar die komst, dag en nacht. Het is dus meer dan een wachten of afwachten. Het wordt een VER-wachten, zoals een moeder, in verwachting, op haar kindje wacht dat moet geboren worden, op haar kind dat van school komt, of op haar man terug van zijn werk . “Afwachten” is zomaar laten komen, passief, onverschillig; “verwachten” is actief, de handen uit de mouwen steken, zich klaar maken, zich betrokken weten op wat komt. Dat is de grondhouding van de christen.
Dat was de houding van Maria de adventsfiguur bij uitstek. Biddend en gelovig zag ze uit naar haar Kind, dat onze verlosser zou zijn. Biddend met de apostelen verbeidde zij de Geest die beloofd was. Wellicht heeft de apostel Johannes, die Maria bij zich opgenomen had, juist ook bij Maria geleerd met welke tederheid hij moest schrijven: “Maranatha, kom, Heer, Jezus, kom.” (Apoc 21,20) - De advent nodigt ons uit om met Maria uit te zien naar de grote dingen, die komen gaan: de komst van Jezus haar Zoon. Amen.