1e zondag van de Advent – jaar A

A-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars

Homilie op de eerste zondag van de advent (Mt. 24, 37-44): Wachten op wat je niet hebt of kent!

Tielt, 1 december 2013

Vandaag begint de advent, tijd waarin we opgeroepen worden om te doen wat de moderne mens zo moeilijk kan: wachten en verwachten. We wachten niet graag bij de dokter, bij de tandarts, bij de kapper, enz… En, om niet te moeten wachten, maken we een afspraak. Wachten aan de kassa, op de bus, op de trein of op een bezoek is vervelend. En ook de duivenliefhebbers, die heel dikwijls moeten wachten, horen ’s zondags ’s morgens vroeg niet graag op de radio: “De begeleiders wachten!” En, als je zelf op tijd bent voor een vergadering, ben je ongelukkig omdat je moet wachten op de laatkomers. Ik heb in mijn leven al veel tijd verloren door op tijd te zijn.

Wat we nog niet zien, daar wachten we op. Wat we nog niet hebben, daar wachten we op.

Mensen kunnen op onze dagen niet meer wachten, precies omdat ze alles onmiddellijk willen hebben, omdat al hun behoeften onmiddellijk bevredigd moeten worden. Het speelgoed dat Sinterklaas brengt, willen de kinderen al voor 6 december. Kinderen willen heel jong leven en zich amuseren zoals een jongen of meisje van 18. Jonggehuwden willen vanaf de eerste dag van hun huwelijk een huis dat compleet geïnstalleerd is met alles erop en eraan, enz… Ze kunnen ook niet meer geduldig wachten om elkaar te leren kennen, willen elkaar onmiddellijk bezitten, hebben geen zin meer voor het wonder en het mysterie van de ander en vergeten wat Rilke zo onnavolgbaar mooi zegt: “Echt liefhebben is op wacht staan bij elkaars eenzaamheid.” Ze kennen, spijtig genoeg, niet meer de charmes van het diepe water waardoor de twee verliefde middeleeuwse “conincskinderen” bij elkaar niet konden komen.

Triestig is het als mensen niet meer kunnen wachten op iets en zelfs elkaar onmiddellijk willen vatten en bezitten! Triestig is het ook als mensen niet meer kunnen wachten op God, omdat ze menen Hem te bezitten of omdat ze Hem reeds gecatalogeerd hebben: in een boek, in een leer, in een kerkvisie of kerkstructuur, in een formule of in een gebed. Wat een pretentie!

We vatten God nooit met ons verstand. Gelukkig maar! We vatten Hem niet met ons hart, want Hij is veel groter dan ons hart. Best ook! We hebben Hem niet op zak als een geneesmiddel, een drug of een dreigende stok achter de deur. Gelukkig maar!

Zoveel mensen kunnen of willen zelfs niet meer wachten op God omdat ze Hem in hun leven definitief afgeschreven hebben.

In het dagelijkse leven is hij die moet wachten een sukkelaar. Wie lang moet wachten op zijn geld, op een benoeming of promotie, enz…, voelt zich de verliezer, de mislukkeling. Wie niet lang moet wachten, wie de knepen van het vak of de achterpoortjes kent om voor te springen of om voor te kruipen, dat is de winnaar.

Maar in het geloof is het anders: wie best kan wachten, is het dichtst bij God. Daarom horen we in de Bijbel zo dikwijls: wachten is de noodzakelijke vereiste voor het Rijk Gods. Jezus zegt het zo dikwijls in gelijkenissen: het Rijk Gods, dat is de boer die zaait… en wacht totdat het zaad opschiet. Het Rijk Gods, dat zijn 10 bruidsmeisjes die kunnen wachten op de komst van het bruidspaar, enz…

Ook in deze adventstijd zegt de liturgie ons dat we waakzaam moeten wachten, waakzaam en ontvankelijk voor het mysterie van Jezus’ komst in ons midden, onbevangen om Hem te laten binnentreden in ons levensverhaal en om ons levensverhaal om te buigen tot een nieuw verhaal in Jezus’ geest; bereid ook om de oude rommel in onze herberg op te ruimen en plaats te maken voor het frisse Kind Jezus. “Ik sta voor uw deur en ik klop” zegt de Heer ons in de Schrift. Hij zal onze deur niet forceren. Hij wacht geduldig totdat we ze opendoen en Hem binnenlaten. En soms moet Hij lang wachten.

We hebben 4 weken de tijd om te wachten op Zijn komst en vooral om Hem te verwachten.

De vraag is: Durven en willen wij nog naar Hem uitkijken, zonder evenwel te bepalen hoe en wanneer Hij in ons leven binnentreedt en wat Hij erin zal veranderen?

Zullen wij met Kerstdag kunnen zingen: “Nu syt wellecome!”?

Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt


Homilie op de 2e zondag van de Advent: “Een nieuwe lente” (Mt. 3, 1-12)

Tielt, 8 december 2013

Dat Johannes de Doper door de religieuze leiders en machthebbers van zijn tijd niet aanvaard werd, hoeft ons niet te verwonderen.

Het is zijn schuld!

Stel je voor dat hij hier in mijn plaats zou verschijnen om te prediken, dan zouden velen aan hem aanstoot nemen.

Alleen al omwille van zijn kledij! Onvoorstelbaar! “Hij droeg een kleed van kameelhaar”, tweedehands natuurlijk!

En wat eet die man? “Sprinkhanen en wilde honing!” Nog erger dan macrobiotisch!

Uiterlijk een echte contestant, die er blijkbaar op uit is mensen te ergeren.

Hij heeft daarenboven ook geen manieren. Luister maar naar de vulgaire taal die hij uitkraamt. De aanzienlijke religieuze leiders, - noem ze de bisschoppen in onze Kerk, - scheldt hij in het publiek uit voor “adderengebroed”, wat in onze volkstaal wil zeggen: Gespuis! Crapuul! Gemeen volk! En hij voegt er nog aan toe dat ze fout zijn, dat ze zich moeten bekeren, dat ze heel anders moeten gaan leven.

Wat een schokkende boodschap van een man zonder stijl, een rare vogel, zoals de meeste profeten vroeger en ook nu! Daarom worden ze meestal vermoord.

Eigenlijk toch jammer! Want ze hebben een boeiende boodschap en zijn meestal de eerste zwaluw van een nieuwe lente, die je niet kan tegenhouden door die eerste zwaluw te doden.

Ook Johannes de Doper was de eerste zwaluw van een nieuwe lente, een voorloper op een nieuwe tijd: de messiaanse tijd, “a brave new world”, een heerlijke nieuwe wereld, een rijk waarin zoveel idealen die voor ons nog een droom zijn, werkelijkheid zouden zijn. In die nieuwe wereld is er vrede. Dat wil zeggen: daarin leven mensen die elkaar graag zien en elkaar vergeving schenken, ook als dat heel moeilijk is. In dat rijk is geen sociale onrust, zoals thans in gans West-Europa. Het staat zo poëtisch mooi beschreven in de eerste lezing uit de profeet Jesaja: “Daar huist de wolf bij het lam, vlijt de panter zich neer naast het geitje, grazen tezamen het kalf en het leeuwenjong… Koe en berin hebben vriendschap gesloten, hun jongen liggen naast elkaar en de leeuw vreet hooi met het rund.” In dat rijk leeft het ideale gezin, waarin man en vrouw elkaar gelukkig maken, waarin ouders er voor de kinderen zijn en waarin kinderen de vreugde van hun ouders zijn.

We hebben sterke nood aan zo een nieuwe lente, die er maar kan komen als we bereid zijn tot bekering.

Dat zei Johannes de Doper. Maar zijn boodschap werd niet aanvaard door de religieuze leiders van zijn tijd, namelijk de Farizeeën en Sadduceeën.

En wij? Begrijpen wij wel de oproep van Johannes? Durven wij zien dat de bijl aan de wortel van de boom van onze Westerse beschaving ligt? Is onze samenleving zo christelijk geïnspireerd? is onze welvaart wel een bron van welzijn, van geluk? Is de onvrede in ongeveer alle lagen van onze maatschappij geen symptoom van algemene misnoegdheid?

Daarom is er bekering nodig, een ware metanoia. Metanoia in het Grieks is meer dan boete of verandering van gezindheid. Het is een radicale verandering, waarin God weer het middelpunt van het mensenleven wordt.

Wat die bekering in deze voorbereidingstijd op Kerstdag worden moet, staat zo sprekend uitgebeeld in de kleur van de 4 adventskaarsen op dit altaar.

Een bruine kaars. Bruin is de kleur van de aarde, ons samen met al het andere door God geschonken. Ze roept ons op om, net als Johannes de Doper, naar de woestijn te trekken, de plaats bij uitstek voor de godsontmoeting. De advent is een tijd om weer te leren onze zelfgenoegzame kop te buigen en onze stramme knieën te plooien voor gebed.

Een paarse kaars. Paars, de kleur van de boete, van de bekering. in deze voorbereiding op Kerstdag moeten we meer dan ooit overtuigd zijn dat bekering bij het leven van elke gelovige hoort en dat het een activiteit is die nooit ophoudt. We moeten vooral genezen van die verschrikkelijke kwaal van datgene waarover ik mij zoveel zorgen maak, dat zo een grote plaats inneemt in mijn leven en dat “ik” genoemd wordt.

Daarmee belanden we bij de derde kaars, die rood is. Rood, de kleur van de liefde. Ze herinnert ons eraan dat het geluk altijd de schaduw is van de liefde.

De vierde kaars, die we pas op de laatste zondag voor Kerstmis zullen aansteken, is wit. Wit, de kleur van de vreugde, de toetssteen van de ware heiligheid. Vreugde is ook altijd mededeelzaam en werkt aanstekelijk op de anderen. Een witte kaars die brandt…, zo zouden alle mensen moeten zijn. Dan pas kan het over een paar weken echt Kerstdag worden: het feest waarop de menslievendheid van God op aarde zichtbaar en voelbaar wordt.

Vermoord die rare kwast Johannes de Doper niet. Hij heeft gelijk als hij zegt: Veel moet daarvoor radicaal anders worden!

Gabriël. Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online