Het allerheiligste - Kerkwijding (2003)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

DE TEMPEL VAN HERODES

Herodes de Grote had alles uit de kast gehaald. Zijn onderdanen wilde hij imponeren door een tempel te bouwen die twee keer zo groot was als die er stond. De Romeinen wilde hij laten zien dat zijn hoofdstad in de wereld meetelde. De tempel was nog geen halve eeuw oud toen Jezus er kwam. Het vele goud maakte de aanblik oogverblindend.
De tempel bestond uit een groot plein. Iedereen mocht daar naar binnen. Aan de rand bood ‘n zuilengalerij schaduw. In het midden lag een ander plein. Heiliger dan het buitenste. Daar mochten alleen joden komen. Heidenen riskeerden er de doodstraf. Vervolgens kwam je op nòg heiliger gebied, daar mochten alleen mannen komen of priesters. Tenslotte stond daar een hoog gebouw. Dat was de heiligste plek. Hier woonde God. Niemand mocht er komen, alleen eens per jaar de hogepriester.

IN LEEGTE EN ONBAATZUCHTIGHEID

De joodse tempel leek op de heiligdommen van andere volkeren. Ook hun tempels bestonden uit een plein waar vee verhandeld werd. Ossen en schapen waren te koop, duiven en kippen, bedoeld om door de priesters geofferd te worden. Kooplieden waren dus geen sjacheraars die de gewijde sfeer van de eredienst kapot maakten. Ze hoorden bij het bedrijf.
Maar er was één groot verschil tussen het joods heiligdom en dat van alle andere volkeren. Dat verschil kon je niet zien. Dat kon alleen de hogepriester waarnemen als hij het geborduurde voorhangsel van het allerheiligste was gepasseerd. Want daar in het heiligste van de tempel stond niets. De Grieken hadden er een metershoog beeld van Apollo staan. Bij de Joden stond er niets. De leegte was het beeld van hun God. De Allerhoogste was geen steen of hout, de Eeuwige woont in de adem van wie zijn naam noemt. Hij ging gekleed in vuur en wolken.
Jezus komt in Jeruzalem. Hij had herinneringen aan de imposante tempel. Hij was er ooit met zijn ouders geweest. Hij mocht zich alleen in de offerruimte ophouden, in het rumoerige deel van de tempel.

HET PALEIS VAN SINTERKLAAS

Jezus’ ergernis betrof niet de marktlieden die hun brood probeerden te verdienen. Het moet Jezus gegaan zijn om dat offeren zelf. Het klopte niet met Jezus’ beeld van God dat je duiven moet kopen en slachten om een gunst te verwerven. God de Vader was voor Jezus geen Sinterklaas die met gevlei te bewegen was om cadeautjes uit te delen. Voor Jezus was bidden geen onderhandelen. ‘God maak mij gezond en ik zal elke dag een kaars branden.’ Voor Jezus was bidden een daad van overgave, van je voegen naar de wil van de Allerhoogste. ‘Uw wil geschiede’. God was een stem die roept in je binnenste. Iemand die je uitdaagt tot liefde. De Vader aan wie Jezus zich wil overgeven, vond Hij niet in het loven en bieden en offervee. Niet op het plein maar in zijn eigen hart ontdekte Jezus het geheim van de Eeuwige. God woont in het hart van mensen.

DE WONING VAN GOD

God woont in die oude vrouw; handen en knieën versleten door het vele zwoegen. Dapper heeft ze acht kinderen grootgebracht. Ze heeft geweend om het sterven van twee van hen en wakker gelegen om het verbroken contact met een dochter. Nu hangt ze scheef en kwijlend in een rolstoel. Ze is een tempel van God.
God woont in een schoffie op zoek naar lege bierblikjes op een vuilnisbelt en naar alles waar maar iets mee te verdienen valt. Hij zal het desnoods een oude man uit de handen roven want rennen kan hij. Hij is een tempel van God.
God woont in een giechelende meid achter een computer. Ze heeft een chat-box ontdekt met veel jongens die gedurfde dingen zeggen. Ze is met eentje virtueel apart gaan zitten. Ze heeft zich twee jaar ouder gemaakt en een kop groter. Ze is een tempel van God.
God woont in de leraar die moedeloos om stilte vraagt en genoegen neemt met zacht rumoer. Hij ziet uit naar zijn pensioen. De jeugd is hem te luidruchtig. Met lede ogen ziet hij hoe ze sigaretten roken en weinig bekoomerd zijn om de gevaren die de wereld bedreigen. Hij is een tempel van God.
God woont in een kerkganger die op zondagochtend de moeite heeft genomen om een kerk op te zoeken. God is er blij mee, want zo komt Hij zelf ook nog eens in de tempel. Die kerkganger is een beeld van God. Niet die ene, maar allemaal.

GELOVIGE BEER

Lieve kinderen. Er was eens een man die niet in God geloofde. Hij liep te wandelen door het bos dat -zo geloofde hij- door het toeval was ontstaan. Ineens springt een grote beer op zijn pad. De man schrikt en roept: ‘Oh God!’ Plotseling is hij omgeven door een stralend licht. De tijd staat stil. De beek ruist niet meer. De vogels hangen stil in de lucht. De beer staat roerloos met gestrekte poten. Gods stem klinkt donderend uit de hemel. ‘Ik zal je helpen, maar dan moet je wel katholiek worden.’ De man zucht en zegt: ‘Dat kan niet. Ik heb tegen iedereen gezegd dat U niet bestaat. U weet hoe koppig ik ben. Kunt u die beer niet katholiek maken...?’ Ineens verbleekt het licht; de beek begint weer te kabbelen; de vogels vervolgen hun vlucht. De man ziet hoe de beer zijn kop buigt en zijn klauwen bij elkaar vouwt en bidt: ‘Heer zegen deze spijs die ik van uw mildheid heb mogen ontvangen...’
Wat kunnen we hiervan leren? Ten eerste dat katholiek-zijn niet alleen mar betekent dat je voor het eten bidt! Je moet er minstens ook op letten wat je eet! Ten tweede: bid nooit dat de anderen zich veranderen of bekeren. Bid dat je zelf verandert en je bekeert.