Gouden kloosterjubileum van zusters

Lezingen: Kol.3,12-17 - Joh.15,9-17

In naam van de hele gemeenschap hier bijeen wens ik onze twee jubilarissen geluk met hun 50 jaar kloosterleven. Samen met hen willen wij God danken voor al het goede dat zij hebben ontvangen, ook voor al wat zij hebben gegeven van zichzelf.

Laten wij aan de hand van het evangelie wat nadenken over de zin van het religieuze leven.

1. Bij het lezen van het evangelie worden wij getroffen door Jezus’ woorden: “Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u…” Roeping begint altijd bij God. Zo is het bij alle roepingsverhalen van het Oude Testament.

“Voor dat Ik u in de moederschoot vormde, koos Ik u uit” zegt God tegen Jeremia. Jezus zag iemand aan het tolhuis zitten die Matteüs heette en Hij zei tot hem: “Volg Mij”. Roeping is een woord van God dat een antwoord vraagt van de mens, een vrij antwoord. God respecteert de vrijheid van de mens. Wij dienen hier echter dit bij te bedenken. Een roeping is niet iets dat ons 5O jaar geleden is overkomen. De stem die zoveel jaren geleden tot ons sprak, spreekt nog altijd met dezelfde aandrang tot ons en verwacht hetzelfde vrijgevige antwoord. Wij worden daar iedere dag aan herinnerd van ons getijdenboek door psalm 95: “Luister heden dan naar zijn stem en wees niet halsstarrig”. Precies daarom ook is het hernieuwen van de kloostergeloften zo zinvol: een eerlijk, welsprekend gebaar waardoor wij tegenover God opnieuw ons “ja-woord” bevestigen. Roeping is Gods woord van iedere dag en het is ook ons antwoord van iedere dag.

2. De vraag wordt ons ook gesteld: waartoe roept God een mens, wat bedoelt Jezus als Hij iemand uitkiest ?

Het antwoord op deze vraag vertoont twee facetten. Jezus roept iemand opdat deze mens bij Hem zou leven in intieme vriendschap. Dat is het eerste facet. “Gij zijt mijn vrienden. Ik noem u geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb Ik vrienden genoemd,

Want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader gehoord heb.” Liefde wil zich mededelen, wil alles en zichzelf mededelen. Liefde wil in intimiteit met de Beminde leven. Wie op Gods uitnodiging om kloosterlinge of priester te worden ingaat, moet willen leven in Jezus’ nabijheid, in een altijd verdiepte persoonlijke ontmoeting met Jezus, luisterend naar wat Hij ons te zeggen heeft, in stilte wachtend tot God zich mededeelt.

Er is echter een tweede facet aan een roeping. Gods liefde geeft niet alleen, ze wil ook iets krijgen van de Beminde.

Wie liefheeft, is wezenlijk nederig en maakt zich afhankelijk van de Beminde en verwacht iets van de Beminde. Alle liefde is een harmonisch samenspel van geven en krijgen. Daarom zegt Jezus: “Ik heb u de taak gegeven om op tocht te gaan en vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn.” Wie op Gods uitnodiging om kloosterlinge of priester te worden ingaat, moet ook die zending aanvaarden. Wij moeten aan de mensen die wij ontmoeten, iets van Gods liefde laten zien. Zoals Maria moeten wij Jezus geven aan de mensen. Wij moeten kleiner worden zoals Johannes de Doper zei, leeg van eigenbelang en ijdelheid, intreden in de gesteldheid van Jezus die zichzelf ontledigde. Zo mogen de mensen door ons heen iets van Jezus en zijn Vader ontdekken. Twee facetten dus van de roeping: het eerste dicht bij God zijn in intieme vriendschap; het tweede facet, dicht bij de mensen zijn in het apostolaat.

3. Nog een woordje over de verhouding tussen die twee facetten van de roeping.

· Het eerste kunnen we noemen de BRON, de krachtbron waaraan het tweede gevoed wordt. Wij zullen niet veilig zijn op het marktplein van het leven. Wij zullen er ook niets bereiken, als wij niet eerst thuis zijn in de woestijn, luisterend naar, wakend bij de woorden die God zegt tot ons hart. Het is een ramp als een door God geroepen mens het verlangen naar het gebed en het heimwee naar het samenzijn met God verliest. De mensen zijn veel scherpzinniger dan wij denken. Zij merken het als onze woorden en onze activiteit gedragen worden door een persoonlijk, eerlijk zoeken naar God. “Wat zij zien dat wij zijn, is belangrijk.” Eerst zijn, in stilte luisteren als Jezus ons mededeelt alwat Hij van de Vader gehoord heeft. Dan op tocht gaan en vruchten voortbrengen die blijvend zijn. Een mens van God is een mens met geestelijke invloed. Maria is daar het opperste voorbeeld van. De kern van haar bestaan was de innerlijke gelovige omgang met God. De evangelist Lucas heeft het geheim daarvan voor ons bewaard: “Maria bewaarde al die woorden in haar hart en dacht er bij zichzelf over na.” Deze diepe innerlijkheid heeft geleid tot een onmetelijke geestelijke vruchtbaarheid. Maria is moeder en model van Gods volk op weg.

Wij hebben geprobeerd de geestelijke roeping te beschrijven. Het is een verheven ideaal. Een ideaal is uiteraard iets dat niet volledig bereikt wordt. Het is evenzeer iets waar men altijd opnieuw naar streeft. Het is de licht-ster die men nooit uit het oog verliest. Het is mijn oprechte en hartelijke wens dat onze jubilarissen, N N, in het streven naar dit ideaal in lengte van dagen gelukkig mogen zijn.