Gebedsweek voor de eenheid der Christenen (2004)

Gemeente van Christus, lieve mensen,

Vrede is een kwetsbaar artikel in onze wereld. Kijk naar Jeruzalem: in en om de stad wordt een muur opgetrokken, acht meter hoog, honderd kilometer lang – in een broeierige en onoplosbare probleemsituatie wordt zo aan vrede gebouwd.
Een nieuwe muur, een beklagenswaardige muur is het. Want zo drijft vrede gewone mensen uit elkaar. Het is opgelegde vrede; het zijn buitengesloten mensen.

Kijk ook naar Frankrijk, waar de typisch Franse scheiding van staat en kerk doorslaat naar het verbod op elk religieus tintje en symbooltje in openbare gebouwen. Het lijkt op onze rookverbod buiten privé-vertrekken. Maar kun je mensen zo dwingen zich aan te passen?

Of kijk naar Den Haag, deze week, waar een jongeman zich in zijn trots, in zijn eergevoel weet gekrenkt, de trekker van zijn pistool overhaalt en zijn conrector een lesje leert – kapotgeschoten vrede, verwilderde gezichten van geschokte jonge mensen en rouwende nabestaanden. Het is een afschuwelijk verhaal. En vrede is al zo kwetsbaar wanneer mensen elkaar niet meer verstaan.

Maar kijk dan ook naar de kerk. Kerkmensen, gelovigen, wij zijn ook maar gewone mensen, die de vrede niet in pacht hebben. Ook kerkmensen jagen elkaar oh zo gemakkelijk de gordijnen in en de kast op. En ik doe er zelf vast en zeker aan mee. Nee, wij gelovigen van christelijke huize blinken niet uit in vrede. Binnen de kerk niet, buiten de kerk niet.

Vrede is een kwetsbaar artikel in onze wereld.
Ik denk ook, omdat dat de aard is van vrede.
Overal waar mensen kwetsbaar zijn is vrede in het geding.
Want vrede kun je niet afdwingen.
Vrede kun je niet eenzijdig aanbrengen en ook niet eenzijdig handhaven.
Vrede is zo kwetsbaar, omdat wij mensen zo kwetsbaar zijn.
In ons leven met elkaar en met onszelf.

En daar komt dan natuurlijk nog bij, dat je vrede niet kunt aanwijzen.
Het is iets dat je in de ervaring aan elkaar opdoet.
Vrede onderga je.
Wij praten wel over ‘vredesbesprekingen’, maar zulke gesprekken worden gevoerd om juist aan vrede vorm te geven. Er worden afspraken gemaakt met het oog op vrede. Maar die afspraken zijn de vrede niet, ook niet de voorwaarden. Wij zelf zijn de voorwaarde voor vrede. Vrede woont in onze ervaring. Vrede komt mee in wat we doen en uitstralen. En daarom is het zo kwetsbaar, zo afhankelijk van wie wij zijn en wat wij doen.

Nu worden vanmorgen op vier manieren geruggensteund als het om vrede gaat.

Het eerste steuntje in de rug is die regenboog. Iedere keer al je hem weer ziet, dan mag je even tegen elkaar zeggen: Oh ja, wij mensen: wij leven onder het teken van Gods onopgeefbare verbondenheid met heel de schepping. Wij zijn van ná de oervloed, God zij geloofd en prezen. De regenboog tekent ons bestaan als verbonden met God. Dat is wat de heilige Doop tot feest maakt: zo kwetsbaar als wij zijn: wij zijn van God. En ik hoef niemand uit te leggen dat die regenboog niet een boogje over mijn particuliere leven is. Het is Gods verbond met heel de schepping. En dus ook met jou en met mij. En als God daar niet meer achter terug gaat, dan is dat echt een steuntje in de rug. In al mijn kwetsbaarheid weet ik: wij zijn van na de oervloed.

Het tweede steuntje in de rug is dat Jezus vrede geeft aan zijn leerlingen. Vrede is niet iets wat in pacht hebt. Vrede blijkt in wat je doet en wat je uitstraalt. Maar Jezus maakt duidelijk dat vrede altijd een cadeau is, iets dat van God je gegeven wordt. Kijk je naar jezelf, dan is dat innerlijke vrede. Die, zegt Jezus, is niet van de wereld – het is een vrede die God je geeft. Innerlijke vrede is de drager van de vrede met de wereld en in de wereld. En die vrede wordt je gegeven zonder meer. Je hoeft er geen moeite voor te doen. Omgekeerd zelfs: je mag alle moeite loslaten, je mag er de tijd voor nemen en stil gaan zitten, en dan opnieuw die woorden van Jezus in je opnemen: ‘Mijn vrede geef ik je.’ Cadeautje van hogerhand. Vrede die je temidden van alle onrust toevalt en vervult. Wat je daarvoor moet doen is geloven – vertrouwen dat je van het verbond bent, dat je van ná de oervloed bent. Wat je voor deze vrede moet doen is: je openstellen. Ontvankelijk zijn. Ontvankelijk voor dat cadeautje van God.

Dan is er nog een derde ruggesteuntje vanmorgen. Dat is de viering van de eucharistie. Daarin ontvangen we vrede in brood en wijn, omdat Christus ons in brood en wijn te binnen komt. Weer als cadeautje, als gave. Vrede weer in alle kwetsbaarheid, want het brood is gebroken brood, de wijn is vergoten wijn. Dit ruggesteuntje voegt aan het zichtbare teken van de regenboog en het hoorbare teken van Jezus’ vredeswoord en de smaak toe. We krijgen een voorproefje van Gods vrede voor altijd.
God is met heel de schepping verbonden. Ook met heel ons leven, heel ons lichaam, met al onze zintuigen.

En als vierde ruggesteuntje is er vanmorgen de gave van de gemeenschap. Zo veelkleurig als de regenboog, zo veelzijdig is ons kerkelijk leven. Niks mis mee om je thuis te voelen in je eigen kerk, binnen je eigen kerkelijke traditie. Maar vandaag beleven we de eenheid die ons ten diepste is gegeven. Wij allen zijn van na de oervloed. Wij allen zijn van na Pasen. Ons allen is de vrede van God een gave, een gave die het verlangen naar Gods Rijk aanwakkert en levend houdt.

Daarom komen de kinderen zo dadelijk met een regenboog weer terug in de kerk. En dan zingen we een dooplied, een lied van ná de oervloed.

Alleen: op één of andere manier is het ons niet gelukt wat God wel gelukt is: we konden niet één boog met vele kleuren maken, één boog niet vitaal is, levend, echt. Het zijn dus verschillende bogen geworden met ieder een eigen kleur.

We moesten dus allemaal kleur bekennen.
Alsof we alleen sámen op die veelkleurige geloofsgemeenschap kunnen bogen.

Dus dat is het geworden: één veelkleurige boog van vele éénkleurige bogen samen.
Om er aan het eind van de viering zelf onder door te gaan.
Nadat we brood en wijn hebben ontvangen en gezegend onze levensweg mogen gaan.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Amen.