Francesco, een vrolijke flierefluiter, rijdt te paard.
Het is rond het jaar 1200.
Langs de weg zit een melaatse.
Daar heeft hij een grote angst en afkeer voor:
angst voor besmetting,
afkeer vanwege de afgrijselijke verminkingen door de ziekte.
In een spontane opwelling stijgt hij af van zijn paard
en omhelst de melaatse.
Achteraf ziet hij dit als de ommekeer van zijn leven.
Ook in onze tijd veelzeggend,
waar afkeer en angst voor bevolkingsgroepen wordt gekweekt tot in het parlement.
Hij is de zoon van een rijke lakenkoopman, voorbestemd om de zaak over te nemen.
In een tijd waarin geld steeds meer een rol speelt in ieders leven,
en waarin bankiers winnen aan macht en rijkdom.
De kerk laat zich meeslepen in deze cultuur van het grote geld
en imponeert door kostbare kerken en paleizen van de hoge clerus.
Franciscus neemt afstand van rijkdom, van ieder bezit.
Hij trouwt met Vrouwe Armoede zoals hij zegt.
Hij gaat bedelen om eten.
Bovendien kastijdt hij zijn lichaam, broeder ezel, met vasten en geseling.
Hij wil zijn sterke ego onder de duim krijgen.
Daarin overdrijft hij zo erg,
dat wij hem vandaag de dag naar Zon en Schild zouden brengen.
Het gaat hem om het loslaten van alles wat de band met God in de weg staat.
Zachtmoedig en nederig wil hij zijn - in navolging van Jezus.
Zijn levensstijl is aantrekkelijk.
Hij krijgt volgelingen, kleine broeders noemt hij ze, minderbroeders,
eerst een paar,
maar uiteindelijk komen er nog tijdens zijn leven minderbroeders in heel Europa.
Gloedvol kan hij spreken en preken over Gods goedheid,
over de schoonheid van de natuur,
over het lijden van Jezus Christus.
Hij voelt zich zielsverwant met al wat leeft
en ook met alle natuur: wind en water, dieren en planten.
Hij trekt zich graag dagenlang terug in rotsspleten
om zo dieper verbonden te zijn met moeder aarde..
Hij verfoeit oorlog. Een mooi voorbeeld:
hij gaat dwars door de oorlogslinies van de kruisvaarders
naar de sultan om met hem in gesprek te gaan.
De groep volgelingen is intussen zo groot geworden
dat hij de leiding overdraagt aan anderen.
Maar deze leiding is niet zo radicaal als hij zou willen.
Hij heeft gehoorzaamheid beloofd
en daar houdt hij zich aan,
maar het doet pijn.
Tijdens een periode van vasten en meditatie
diep verbonden met de lijdende Jezus,
ontvangt hij de kruiswonden van Jezus in zijn lijf: in handen, voeten en borst.
Net zoals de apostel Paulus beschrijft in onze eerste lezing van vandaag.
Die wonden in zijn lijf verbinden hem nog inniger met zijn Heer en Meester.
Maar dat betekent ook voortdurende pijn.
Daar komt nog bij dat hij gekweld wordt door een ernstige oogziekte.
Hij kan het licht van de zon overdag niet verdragen,
maar ook niet het licht van een kaars bij nacht.
Hij die zoveel van licht hield
dat hij het niet over zijn hart kon verkrijgen om een kaarsje te doven!
Zijn lichaam is uitgeput van teveel vasten.
Hij vervalt in een diepe moedeloosheid,
een gevoel van godverlatenheid.
Dan - vanuit die nacht roept hij zijn medebroeders
en zingt voor hen het Zonnelied.
Altissimu, omnipotente, bonsignore,
tue sono le laude,
la gloria elhonore
et omni benedictione.
Dat gaan we straks ook zingen - in onze taal, tot twee keer toe.
Besef hoe het is ontstaan vanuit die diepe crisis,
vanuit een diepe put - of bron!
Het Zonnelied is de oogst van zijn leven,
verkregen in een geestelijke groei door heel veel liefs, door heel veel pijn heen.
In alles ziet hij God stralend en liefdevol aanwezig.
Daardoor is alles met elkaar verbonden
in broederlijke en zusterlijke eenheid:
broeder zon en zuster maan,
broeder wind en zuster water,
broeder vuur en moeder aarde.
Hij prijst dit alles,
en roept alles en iedereen op om God te prijzen,
Hij geeft bijzondere kwaliteiten aan elk verschijnsel.
We kunnen niet alles beschouwen, en beperken ons tot het water:
Wees geprezen, mijn Heer, om zuster water,
het is nuttig en nederig,
zuiver en kostbaar.
Zuster water gaat hand in hand met broeder wind.
De evangelist Johannes zegt:
Als iemand niet geboren wordt uit water en geestwind,
kan hij het Rijk Gods niet binnengaan.
We raken hier aan een diepe zin
die ons laat vermoeden wat er in die diepe bron van Franciscus verborgen is.
Kunstenaars van altijd en overal zien de verbinding van wind en water als vruchtbaar,
begin van een nieuwe schepping; het doet leven.
Dat gebeurt ook zo in de wereld van onze dromen.
Franciscus noemt het water nuttig en nederig,
zoals hij zelf wil zijn: dienstbaar in alle eenvoud.
Hij noemt het water ook zuiver en kostbaar.
Wat is kostbaar? Niet goud en geld, maar dat simpele water.
Het is kostbaar omdat het een openbaring is van Gods scheppingskracht.
Bij een mens komt die kracht uit een verborgen bron van levend water.
Wek die bron tot lof van de Ene.
En zuiver is het water van je ziel:
het staat ongeremd open voor het heilige.
Al met al is het Zonnelied een mystieke zang.
Om over te mediteren, bij herhaling.
Daarom zingen we het vandaag ook twee keer.
Zodat onze ziel kan resoneren op de klanken van dit lied.
Bij de voorbereiding op deze overweging heb ik mij laten inspireren door Eloi Leclerc, Symbolen van de Godservaring; Een analyse van het Zonnelied van Franciscus; Haarlem 1974. De schrijver is tot dit boek gekomen vanuit een verschrikkelijke ervaring. In april 1945 werd hij met duizend andere gevangenen weggevoerd uit concentratiekamp Buchenwald op een wekenlange doelloze treinreis in open wagons. Dagelijks stierven er mensen van uitputting of door geweerschoten van SS-ers. Hij zat in een kolenwagon met een groepje medebroeders toen een van hen ging sterven. Op dat onmogelijke ogenblik gingen zij het Zonnelied zingen! Deze ervaring heeft hem gezet tot een diepgaande studie van dit lied, dat ontstaan is in de donkerste dagen van Franciscus.