Heilige Franciscus van Assisi (2008)

Inleiding

'Waar de schare bijeen is, daar trekt het volk op.' Dat gebeurde precies zo in de dagen van Franciscus van Assisi, de heilige die wij vandaag vieren. Toch zijn wij als gelovigen niet de enigen die hem vandaag gedenken, ook de wereld viert vandaag Frans van Assisi. Daarbij gaat het weliswaar niet zozeer om zijn heiligheid, als wel om zijn liefde voor de schepping. Er heeft eens een foto in de krant gestaan bij een artikel over werelddierendag - wat de wereld vandaag viert - waarop een man te zien is die bij varkens zit en aan die varkens de verklaring van de rechten van de varkens voorleest. Dat is volkomen losgemaakt van waarom het de heilige Franciscus ging; 'geseculariseerd' noemen wij dat.
Franciscus was een vriend van de dieren en van de natuur. Hij liet een boom niet met wortel en al uitrukken, zodat er nog een kans was dat hij opnieuw zou uitgroeien. In elk tuintje moest er plaats zijn voor onkruid, want ook dat hoort tot Gods natuur, tot Gods schepping. Op feestdagen liet hij os en ezel een extra rantsoen hooi geven, want zij moesten toch ook delen in de feestvreugde.
De schare, het volk liep uit waar hij was, want hij was een andere Christus. En zoals van Christus gezegd wordt dat heel het volk aan zijn lippen hing, dat Hij juist bij het volk, bij de menigte, bij de gewone mensen aanhang had, en niet bij de machtigen, zo was dat ook bij Franciscus van Assisi.
Vandaag maken wij deel uit van de menigte die hem eert, en in hém Christus onze Heer.

Homilie

"Toen zegende de Heer Job, meer nog dan tevoren, en hij kreeg veertienduizend schapen, duizend koppel runderen en duizend ezelinnen, Hij kreeg ook zeven zonen en drie dochters. ... Daarna leefde Job nog honderdveertig jaar, en hij zag zijn kinderen en kleinkinderen tot in het vierde geslacht. Toen stierf Job, hoogbejaard en levensmoe." Levensmoe, met al die zegeningen van de Heer? Ja, dat is de eigen aard van het leven hier, dat het niet bevredigt, dat het het hart niet kan vullen. Je kunt er nog zoveel van krijgen, zoveel als Job, uiteindelijk laat het je hart onbevredigd, onvervuld. Je hart is als een bodemloze put, het leven stroomt er in weg. Dat is het leven dat van de buitenkant komt. Toch was dat voor Job nog enigermate een echte vreugde, omdat hij wat hij kreeg, beleefde als zegeningen van de Heer. Hij beleefde er de liefde van God in, maar uiteindelijk kunnen ook die zegeningen het menselijke hart niet echt bevredigen. Het maakt moe, levensmoe, het put uit, het laat iemand leeg achter, verlangend naar de volheid van het geluk, waarvan al die aardse zegeningen een teken zijn, een schaduw.

Ons leven is gericht op een ander leven. Zoals het Oude Verbond gericht is op het Nieuwe Verbond. De tijd van het Oude Verbond is zoveel als de tijd van het verlangen. "Vele profeten en koningen verlangden te zien wat gij ziet ... en te horen wat gij hoort"; en "gelukkig de ogen die zien wat gij - de leerlingen van Jezus - ziet". Wat zagen zij dan? Zij mochten Jezus zien. Wie Jezus met aardse ogen ziet, ontvangt misschien vele aardse zegeningen, waardoor zijn aardse verlangens worden bevredigd en vervuld. Maar er zijn tegenvallers. Dan blijft het hart van de mens onvervuld, onbevredigd. Nee, Jezus is zelf de Gezegende van de Váder, 'gezegend de vrucht van Maria's schoot.' Een Naam die ons doet opgewassen zijn tegen heel de kracht van de vijand. "Zelfs de duivels onderwerpen zich aan ons door uw Naam" (Lc 10,17). Die Naam, die zoete Naam, een krachtnaam, een Naam waarvan wij de kracht eigenlijk nooit genoeg uitproberen. Een Naam die ons doet zegevieren over heel de kracht van de vijand. Ja, die ons blij kan doen zijn als waren wij nu al in de hemel. "Verheugt u, omdat uw namen opgetekend staan in de hemel."

"Een leven waarvan iemand niet meer moe wordt. "Ik zal u rust en verlichting schenken" (Mt 11,28). Datzelfde leven waarvan Jezus zegt: "Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven." Als we Jezus hebben, hebben we alles. Met Jezus heeft God ons alles in handen gegeven. De anderen hebben het verlangd en ze zagen niet meer dan een schaduw. Ze hoorden niet meer dan een gerucht. Wij mogen de werkelijkheid zien, wij mogen het woord van God horen: "Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Een heerlijkheid zoals de Eniggeborene van de Vader ontvangt" (Joh 1,14). Maar een heerlijkheid die verborgen is, "verborgen voor wijzen en verstandigen, maar geopenbaard aan kinderen." Die verborgen heerlijkheid, die Jezus zag in zijn leerlingen toen zij terugkeerden van hun eerste missiereis. Een verborgen heerlijkheid, verborgen in de woestijn. In de woestijn, in de eenzaamheid van het kloosterleven, waar wij met de psalmist zeggen: "mijn ziel heeft dorst naar God, naar God die leven is. Wanneer mag ik opgaan en voor Gods aanschijn verschijnen?" (Ps 42,3) U hebt het hier al. "Zalig de ogen die zien wat gij ziet en zalig de oren die horen wat gij hoort." U ziet het al en u hoort het al, en toch verlangen wij naar de volheid van wat wij nu al zien en horen.