Jo. Doper (2012)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden
Zijn naam was Johannes! Hij was een ongewoon figuur. Hij woonde in de woestijn, kleedde zich in lompen en at armeluis voedsel. Sprinkhanen geloof ik. Dat was toen het toppunt van armoede. Zoiets als droog brood met spinnenkoppen, zoals mijn moeder zou zeggen. Dus geen luxe leven en geen luxe maaltijden. Omdat sprinkhanen nu bij de Sligro verkrijgbaar zijn en als delicatesse op de menukaart staan bij de betere restaurants, moeten we dat verhaal herzien. Het zou lijken alsof Johannes baadde in weelde en oesters en kaviaar at. Dat is niet de bedoeling van de beschrijving van de armoedige omstandigheden waarin Johannes leefde.

Hij, Johannes, was niet alleen een ongewoon figuur, hij bracht ook nog eens een ongewone boodschap. Hij was boeteprediker in de woestijn van Judea en had de bijnaam De Doper. Hij riep de mensen op om zich door hem te láten dopen als teken van bekering. De joden waren gewend zichzelf regelmatig te dopen. Ze dompelden zich dan helemaal onder in een bad om zich ritueel te reinigen. De reiniging door Johannes de Doper was een eenmalig doop. Iemand bekeert zich eens en voorgoed tot een nieuw leven.

Johannes de Doper en Jezus. Ze leefden in dezelfde tijd, ze waren ongeveer even oud en hebben elkaar gekend en ontmoet. Jezus zegt over Johannes: "Hij is het over wie geschreven staat: Zie, ik zend mijn bode voor u uit, om voor u de weg te banen. Ik verzeker u, onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan die groter is dan hij." Johannes was de voorloper, de wegbereider voor Jezus. "Er trad een mens op, een gezondene van God; zijn naam was Johannes. Deze kwam tot getuigenis, om te getuigen van het Licht, opdat allen door hem tot geloof zouden komen. Niet hij was het Licht, maar hij moest getuigen van het Licht." Toen Jezus zich door Johannes liet dopen, herkende hij Hem en zei: "Zie, dit is het Lam Gods dat wegneemt de zonden van de wereld". Johannes was de eerste die Jezus aanwees als de langverwachte Messias, de redder van het volk Israëls.

Zijn naam was Johannes! Zo heet de biografie die de beroemde biograaf Alden Hatch schreef over paus Johannes XXIII. Ik zie die paus nog voor me. Bij zijn pausverkiezing zei hij: "Vocabor Joannes", "Ik wil Joannes genoemd worden". Er was toen 550 jaar lang geen paus geweest die Joannes heette. Hij koos de naam Joannes en motiveerde zijn keus door te verwijzen naar zijn eigen naam, de naam van zijn eigen vader, van zijn eigen parochiekerk, van de basiliek van Lateranen en van Joannes de Doper en Joannes de apostel en evangelist. Pausen kiezen namen. Namen om iets aan te duiden. Wij doen dat ook. Wij geven namen aan onze scholen. Ignatius, Nicolaas en Jozef. We geven namen aan kerkgebouwen en aan parochies. Augustinus, Agnes of de Koningin van de Vrede, de naam van onze parochie, gesticht op 8 december 1918 aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Als hoop en baken van vrede. Het mocht jammer genoeg niet baten. In deze kerk vindt u trouwens in de doopkapel een prachtig raam van Alex Asperslagh dat Johannes de Doper afbeeldt. Dus voor de stichters van deze parochie of de bouwers van deze kerk was ook de heilige waarvan wij vandaag de geboorte herdenken en vieren, een lichtend voorbeeld en dat werd in een raam vastgelegd. We geven ook namen aan onze kinderen. De vraag was hoe Elisabeth en Zacharias hun zoon zouden noemen. Naar zijn vader, dus Zacharias? Nee, zo lezen we vandaag in het Evangelie, hij moet Johannes heten, ook al was er niemand in de familie die zo heette. Als ik nog een kind zou krijgen, wat misschien wel leuk is, maar niet erg waarschijnlijk en vooral niet erg verstandig, zou ik zeker over de naam Johannes nadenken. Wat denkt u ervan? Je zult maar Johannes heten met zoveel beroemde en heilige voorgangers: een doper, een evangelist, vele pausen en nog veel meer andere Johannessen zoals Johannes de Deo of Johannes Bosco. Wat stond er op mijn geboortekaartje? Wij noemen hem Loekie en stellen hem bij het H. Doopsel onder de schutse van Gods' heiligen Aloysius en Maria. Waarom kozen mijn ouders daarvoor? Geen idee. Niemand in de familie heet zo. Ik kan het ze niet meer vragen, maar ze hadden er zeker een bedoeling mee, voor henzelf en voor mij. Mijn broers heten Paulus en Joannes. Naar twee belangrijke apostelen, evangelisten zelfs. Dat is dus duidelijk. Maar waarom ik naar die Italiaanse jezuïet, Aloysius van Gonzaga, wiens feest we afgelopen donderdag vierden? Niet helemaal onbelangrijk en onbekend, immers de patroon van de studerende jeugd en er zijn, ook in Nederland, scholen naar hem genoemd. Ik vind het een mooie naam. Mijn tweede naam Maria, zoals gebruikelijk, zeker vroeger in katholieke kring. Ik voel me goed onder de schutse van Maria zelf, de Moeder van Jezus, de Moeder Gods, de Moeder van alle Volkeren. Ik denk dat mijn ouders toen in het Brabant van na de oorlog allereerst dachten aan de Lieve Vrouw van Den Bosch of de Lieve Vrouw van de Hasseltse kapel, maar ik kan me nu heel goed vinden in Maria, de Koningin van de Vrede of van de Allerheiligste Rozenkrans.

Wij en namen. Ik zat 40 jaar in het onderwijs en heb dus heel wat namen voorbij zien gaan. Mooie namen, prachtige namen, namen met een boodschap of namen alleen voor het mooie. Namen met een verwijzing, naar een ouder of voorouder, naar een profeet, naar een heilige, naar een idool. Ik dacht ook wel eens, lieve hemel, hoe kun je het een kind aandoen. Dat loopt zijn hele leven met een dergelijk naam rond. Na 33 na Christus wilde je als kind echt geen Judas meer heten, en na 1933 geen Adolf meer. En nu ben je misschien al heel blij als je geen Geert heet, ook al doe ik Geert Groote hiermee groot onrecht aan.

Johannes de Doper was een voorloper. Wij hoeven niet allemaal een voorloper te zijn zoals Johannes. Een bescheidener rol past ons als navolgers, sympathisanten of alleen maar meelopers. Met meelopen hoeft op zich niks mis te zijn. Als je maar weet wat je doet. Je moet wel keuzes maken en daarvoor willen uitkomen. Kleur bekennen heet dat. Er kan naar je keuzes worden gevraagd en je moet je er misschien voor verdedigen. "Jij was ook bij die Jezus van Nazareth". Maar Petrus, zo weten we en lezen we in Marcus 14, ontkende dat. "Ik weet niet, ik begrijp niet waar je het over hebt." En opnieuw zei iemand: "Jij hoort ook bij Hem." En weer ontkende hij. Bij de derde keer begon hij zelfs te vloeken en te zweren: "Ik ken die man niet". Meteen kraaide voor de tweede keer de haan. En Petrus herinnerde zich wat Jezus had gezegd: "Voordat de haan twee keer kraait, zult gij me driemaal verloochenen".

Johannes de Doper was de roepende in de woestijn die de komst van Jezus aankondigt. "Na mij komt iemand die groter is dan ik; ik ben zelfs niet waard de riem van zijn sandaal los te maken". Johannes ging voorop. Dan moet je je kop uit durven steken. Die kan er dan ook af gaan. Vraag dat maar aan Johannes de Doper. Amen.