Een gebouw uit levende stenen

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Een jongen die tijdens zijn studies ongelovig geworden was, schreef aan zijn ouders: ‘De wereld van de toekomst zullen wij opbouwen zonder Christus en zonder Kerk. En daar zullen wij nooit spijt van krijgen'. Hiermee is wel de houding van veel jonge mensen getypeerd, die menen dat zij even goed zonder Kerk kunnen leven. Zij hebben helemaal niet het gevoel dat zij iets belangrijks zouden missen, wanneer zij niet meer naar de kerk gaan. Zij kunnen zich ook niet indenken dat zij het zich ooit zouden berouwen zonder Kerk te leven.

Als vandaag de kerkwijding van de basiliek van Lateranen voorrang krijgt op de viering van de zondagsliturgie, wat betekent dat eigenlijk? Welke verbinding hebben wij nog met deze oudste kerk van Rome? Is dat weer niet een teken dat de Kerk veel te veel bezig is met dingen uit het verleden in plaats van een gezagvol woord te spreken voor het heden?

In de levensbeschrijving van de heilige Franciscus lezen we hoe paus Innocentius op een nacht droomde dat de kerk van Lateranen dreigde in te storten. Maar dan zag hij plotseling een kleine man die met zijn schouders de instortende kerk stutte en weer oprichtte. Toen hij de volgende dag Sint Franciscus ontmoette, herkende hij hem als de man die de kerk gestut had die nacht. Sint Franciscus hoorde, terwijl hij in de kleine kerk van San Damiano aan het bidden was de woorden: ‘Ga, en bouw mijn kerk weer op'. Hij dacht dat dit letterlijk bedoeld was en begon de kleine kerk van San Damiano te herstellen, maar langzamerhand besefte hij dat het niet ging om de herstelling van een stenen gebouw, maar om de gemeenschap van de gelovigen. Daarom zegt de heilige Petrus: ‘Laat uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel'.

De Kerk groeit alleen door het geloof van mensen. De Kerk is als een bron die er niet voor zichzelf is, maar voor allen die verlangen naar leven. Zoals wij horen in de eerste lezing: ‘Vanuit de tempel stroomt het water en waar die stroom komt, daar blijft alles in leven, daar draagt alles rijke vrucht'.

Als wij zo van Kerk spreken, denken wij niet alleen aan de wereld¬kerk, maar op de eerste plaats aan onze kleine parochiegemeen¬schap. Hier stroomt vanaf het altaar een stroom van genade ons dagelijks leven binnen, hier dragen wij een heilig offer op dat God welgevallig is.

Natuurlijk dringt zich nog altijd het gevaar op dat het profane het heiligdom binnendringt. De heilige Geest wordt dan verdreven door een handelsmentaliteit, alsof wij Gods genade kunnen verdienen, als het ware kunnen afkopen. Tegen deze mentaliteit heft Jezus de gesel op. Immers deze mentaliteit van kopen en verkopen maakt het huis van God tot een markthal. In een markthal wil God niet wonen. Een tempel die door afgoderij ontheiligd wordt, moet afgebroken worden.

Een rabbi was bij geleerde mensen te gast. Hij verraste hen met de vraag: ‘Waar woont God?' Zij lachten hem uit: ‘Heel de wereld is vol van zijn heerlijkheid!' Toen gaf hij zelf het antwoord op zijn vraag: ‘God woont, waar men Hem binnenlaat'.

Waar wij elkaar liefhebben, waar wij samen luisteren naar Gods woord, waar wij samen het brood breken, daar bouwt God zijn woning.

Zoals aan Sint Franciscus, zo vraagt God aan ieder van ons: bouw mijn Kerk op. Dan moeten wij ook zoals Franciscus niet blijven stilstaan bij dit stenen gebouw maar ons ervan bewust worden dat wij samen Gods heilige tempel zijn. Zo kunnen wij samen bewijzen of de Kerk van Jezus Christus een overblijfsel is van een vroegere tijd, of een levend gebouw voor vandaag en morgen.