×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

VADER IS HET HUIS VAN DE VADER (EN MOEDER, EN...)

TEGENSTRIJDIGHEID

Godsdienst kan tegendelen met elkaar verzoenen. Neem Sint-Sebastiaan. Hij werd het slachtoffer van schutters en vervolgens de beschermer van hen. Of Hubertus: hij spaarde het leven van een hert en werd de patroon van de jagers. Zo is het vandaag: op de wijdingsdag van de basiliek van Lateranen te Rome vertellen de lezingen dat God niet in een gebouw woont, maar in de mens.

OBSERVATIE VAN EEN MISDIENAAR

Als misdienaartje vond ik vroeger de processie erg interessant vooral toen ik het wierookvat kreeg. Na een kwartier zwaaien werd het zwaar. Steeds vaker nam je hem in je andere hand. Je zag dat je pas in de Nieuwstraat was. De "Meisjesberg" omhoog moest nog komen. Gelukkig was in de Demertstraat een rustaltaar. Ik zette het wierookvat even op het asfalt neer om mijn arm rust te gunnen, liet de kettingen vieren; die kwamen op de gloeiende kolen terecht. Toen ik verder wilde gaan, bleken de schakeltjes gesprongen. Het bleef op straat achter en ik liep verder met alleen de kettingen in mijn hand en een schuldgevoel in de buik. Ik was er toen van overtuigd dat we met God zelf door de straten van Heer wandelden. Veel mensen steunden mij in dat vurige en tegelijk wankele geloof. Zij knielden neer als we langskwamen. Maar er waren er ook die onverschillig bleven. Luid lachend maakten ze kiekjes en liepen met hun sigaret een stuk met de processie mee. Ik zag dat ze niet geloofden dat God hier echt langs kwam. Het idealisme van een kind slaat vaak stuk tegen de onverschilligheid van volwassenen.

JEZUS "EERSTE" BEZOEK AAN DE TEMPEL

Laten we het verhaal van Johannes volgen. Het wijkt af van de anderen. Jezus' uitdagend optreden in de tempel is hier niet het begin van de lijdensweek, maar een gebeurtenis helemaal aan het begin van Jezus' optreden.
Jezus bezoekt voor de eerste keer Jeruzalem sinds zijn twaalfde jaar. Voor een gelovige Jood is dit een zeer heilige plaats. In het binnenste van een aantal hoven staat het allerheiligste waar slechts enkele priesters, af en toe, toegang hebben. Het is een ruimte die leeg is. Waar andere godsdiensten hun grote beelden uitstallen, creëren de Joden een stille lege plek waarin zij God aanwezig weten. Dat is het huis van de Vader. Jezus moet zich daar veel van hebben voorgesteld.
Wij hebben in elke parochie een kerk, maar de Joden hadden maar één tempel. Voor het hele jodendom, of je nu in Babylon of Efese woonde, was maar één offerplaats, één plaats waar je je eerstgeborene kon opdragen aan God, één plaats waar God verzoening schonk. Dat was Jeruzalem. Jezus gaat naar die plek. Hij stelt zich voor dat daar een gewijde stilte heerst, een sfeer van aandacht voor anderen, van oprechte zorg. Maar dan ziet hij dat mensen mènsen zijn, bezig met eigen gewin, bezig zichzelf aan de tempel te verrijken, en niet werkelijk gelovend wat zij zeggen te geloven. Hij voelt zich gekrenkt in zijn diepste idealen. Hier was toch het huis van zijn Vader.

TEMPEL VERWOEST

Het pikante is dit: toen Johannes dit verhaal optekende was die tempel in Jeruzalem door de Romeinen met de grond gelijk gemaakt. Het jodendom was zijn hart kwijt. Er was geen priesterkaste meer die offers bracht. Er was geen leiding meer, geen grote verzoendag, geen nieuwjaarsfeest. Er was geen huis meer voor God, en de vraag was waar je hem dan nog kon ontmoeten. Het jodendom bevond zich in de diepst denkbare identiteitscrisis. Dankbaar maakt Johannes gebruikt van iets dat hij van Jezus geleerd had. Na de kater die zijn eerste bezoek aan de tempel hem had opgeleverd had Jezus meer dan eens benadrukt dat zijn Vader niet alleen in het stenen gebouw in Jeruzalem woonde. Nee, Hij woont ook in de mens; ook die is een tempel.

GODS ZACHTE WARME WOONPLAATS

Mensen zijn tempels van God. God existeert bij uitstek in het hart van ons. Het huis van de Vader is de vader zelf, de moeder, de mens die offers heeft gebracht, die tientallen doden is gestorven, die alles voor zijn kind gedaan heeft, verwerkt, gevoed, verdragen, nachten wakker gelegen. De mens die trots en boosheid, angst en diepe pijn geleden heeft toen zijn kind opgroeide, de weg overstak, kennis kreeg en zijn rijbewijs haalde. God woont in de mens die huilt bij het beeld van een stervend kind, van honger in Afrika. Hij woont in de mens die waakt bij een ziekbed. God woont, leeft en sterft in de mens die door scha en schande heeft geleerd dat hij niets meer te winnen heeft; in de mens die tenslotte zijn geheim heeft ontdekt, namelijk dat hij alleen nog maar kan zegenen en welkom heten. Die mens is Gods eigen woning.

'JEZUS, WOON JIJ HIER'

Lieve kinderen. Hier op het plein kwam ik Angélique tegen. Ze was pas drie of vier jaar. Weet je wat ze tegen me zei? Ze zei: "Jezus, woon jij hier?" "Nee!", schrok ik, "Ik woon hier niet en ik ben Jezus niet!" Maar Angélique zat er niet mee. Ze haalde de schouders op. "Dan niet!" Ze was ook nog erg klein om het te begrijpen. Ze verwisselde God met Jezus en Jezus met meneer pastoor. Waar wonen die allemaal?
Nou de pastoor is het gemakkelijkste. Dat ben ik. Ik woon naast het benzine-station. Maar God, dat is lastiger. Nou, daar heeft Jezus iets over verteld. Jezus zei: God woont bij de mensen. Als mensen samen zijn en als mensen lief zijn. Vooral als mensen delen met elkaar. Daarom is er in de kerk een schaal met brood. Als we dat delen, nou dan is God er helemaal. Dat is de heiligste plek van dit gebouw. In dat kastje achter mij, het tabernakel, daar bewaren we dat Brood om te delen.
Daarom was Jezus zo boos in de tempel, toen hij daar allemaal mensen zag die alleen maar zelf rijker wilden worden. Hij joeg ze met hen hele handel eruit en Hij gooide hun tafels omver.