Allerzielen (2008)

Gelukkig houden wij mensen zo veel van elkaar dat wij niet willen aanvaarden dat de dood een definitieve scheiding inhoudt. Het idee dat weg ook weg is, dat er hierna niets meer is als alleen een foto en wat herinneringen, is voor de meesten onverdraaglijk. Gelukkig maar, dat is een goed teken. Het zegt iets over de banden die mensen met elkaar hebben en hoe diep die gaan.

Tegelijk is die enige zekerheid die we hebben in het leven, nl. dat we eens moeten sterven, een soort geheimzinnig iets. We weten dát we gaan, niet hoe en wanneer - en ik weet zeker dat we dat ook niet zouden willen weten - maar wat veel erger is: we kunnen met al onze wetenschappelijke kennis nog geen zinnig woord zeggen over wát er nu na dit aardse bestaan komt. Sommigen zeggen: er is niets. Dat is iets voor onze landen en onze laatste eeuwen. Zoiets geloven ze nergens ter wereld, dat er niets zou zijn. De dood is een groot geheim, maar geen leeg geheim.

In de Angelsaksische landen - en ook steeds meer bij ons - vieren mensen Haloween. Van oorsprong wordt dat oogst- en slachtfeest ook verbonden met de dood van de dierbaren, en worden er maaltijden, optochten en rituelen gehouden. De Kelten vierden op 31 oktober hun Nieuwjaar en geloofden dat er allerlei geesten uit de aarde opstegen.

De christenen hebben dit feest, midden in de herfst, natuurlijk niet afgeschaft, maar gekerstend. Het is natuurlijk geen toeval dat wij juist in de dagen daarna Allerheiligen en Allerzielen vieren. De duisternis van de komende wintertijd, de stormen, de geuren van bederf, paddestoelen en vallende bladeren, doen denken aan het kerkhof van de natuur. In die sfeer past het denken aan degenen die ons voorgingen in de dood.

Zoals de Kelten met hun druïdes een manier zochten om het geheim van leven en dood een plaats te geven in het leven, zo doen de christenen dat en zo doen wij dat ook. Daarbij moeten we steeds zeggen: de dood blijft een ondoorgrondelijk geheim. Wat er met het lichaam gebeurt weten we. Wat er met de ziel, en de levende persoon, met alle goede en slechte daden van een mens gebeurt - dat weten we niet dan alleen bij benadering, verhalend en gelovend.

Ja, wij willen onze doden niet loslaten. Wij geloven, als christen en niet als Kelten, dat de overledenen verderleven. Dat ze nu ergens zijn waar niet de duisternis van een eeuwige winter heerst, maar licht en vrede. Dat licht is Christus, geboren midden in de winternacht. Wij geloven dat onze doden nu in het licht van Christus delen, dat zij geborgen zijn bij God. Niet dat zij nog rusteloos hier op aarde rondzwerven. Niet dat zij in de herfststormen roepen om vrede. Maar hoe dan wel? Veel mensen hebben tegenwoordig moeite met de klassieke voorstellingen van de hemel. Misschien is daar vroeger wat te kinderachtig over gesproken, alsof we daar met gouden lepeltjes braaf aan tafel zitten. Ik weet het niet, ik ben daarvoor te jong. Wel zie ik, dat een hemel bij God mensen iets minder zegt, maar dat men wel in het sentiment zoekt naar troost. Sommigen ervaren de overledene dichtbij, alsof deze nog iets zegt, of soms zelfs iemand stuurt in bepaalde situaties. Anderen hebben in hun huizen een soort altaartjes, met foto's, bloemen, of soms zelfs de urn. Weer anderen gaan naar de begraafplaatsen, soms om wat te bidden, maar soms ook om tegen de overledenen te praten. Is dat vreemd? Ik weet het niet. Het is uitdrukking van een oergevoel - dat mensen niet echt weg zijn na de dood - en een manier om met het geheim van de dood te leven.

Toch zou ik hopen dat wij ook de weg een beetje vinden naar de christelijke boodschap over leven en dood. Ik geef toe, het is allemaal wat moeilijker. Het is niet zo gemakkelijk te voelen. Het lijkt allemaal minder zeker, en daarmee geheimzinniger. Toch denk ik heel vaak: ik vind zelf meer troost in de gedachte dat er eeuwig leven is bij een God die altijd dezelfde is, dan dat ik alleen zou voortleven in de ervaringen van mensen die nu leven, maar aan wie over een eeuw ook niemand meer denkt. Het is iets minder tastbaar misschien, die eeuwige liefde van God, hoewel...

De Kelten hielden met Haloween hun dodenmalen, met fruit, pompoenen en geslachte beesten. Daarbij dachten ze aan hun doden. Wij christenen vieren het hele jaar door de Eucharistie. Daarbij gedenken we Jezus die gestorven is, maar die ook verrezen is, die de dood overwon. De Eucharistie is geen dodenmaaltijd, maar een ‘levendenmaaltijd'. Dat is een wezenlijk verschil! Wij blijven niet stilstaan bij de dood, maar kijken juist verder. Wij geloven dat onze dierbaren inderdaad niet echt dood zijn voor eeuwig. Telkens als wij de Eucharistie vieren, mogen wij geloven en ervaren - als we daarvoor open staan - dat de doden bij ons zijn als levenden. Dat Christus leeft, en zij ook. Dat zij nu delen in de grote familie voor wie Jezus zijn leven heeft gegeven en zijn Bloed vergoten. Dat zij bij de gemeenschap van Allerheiligen horen, de familie van de Kerk daarboven waar ook wij onherroepelijk naar op weg zijn. In de Eucharistie wordt dat toch ook heel tastbaar.

Wij willen onze dierbaren niet kwijt, en dat is goed. De Kerk viert deze dagen Allerheiligen en Allerzielen. Moeilijke gedachten misschien, en niet het 100% begrijpelijke antwoord op het geheim van sterven en dood. Maar wel een antwoord dat blijft, voor eeuwig. Dat niet alleen bestaat in rituelen of in de gedachten van sterfelijke mensen, maar in de blijvende aanwezigheid van Jezus. Dat geeft echte en blijvende troost, en daarvan is de Eucharistie die wij nu vieren een uitdrukking. Onze doden rusten in vrede, maar zijn ook bij Jezus en ons, telkens als wij eten van dit brood en drinken uit de beker, tot Zijn Gedachtenis. Amen.