Allerzielen, de dag van de overledenen

In de lagere school van jaren geleden zei een jongetje in de klas, dat zijn moeder geboren was op twee november. “Dat kan toch niet, zei een kameraardje, dit is de dag van Allerzielen en op die dag koopt een moeder toch geen kindje.”

In die tijd zou wellicht een al te vrome ziel gezegd hebben: “Ik zal van de wereld vertrekken zonder te weten hoe ik er op gekomen ben.” Voorlichting was toen heel beperkt.

Wij weten nu meer en zo weten we dat elke dag goed is om geboren te worden en elke dag goed is om te sterven. Elke dag worden mensen geboren en sterven mensen.

In de ogen van het speelkameraadje was Allerzielen een treurige dag. Zo werd en wordt hij nog door velen beleefd, zeker in onze contreien waar de herfst nu volop regeert. De winter nadert en het lijkt erop dat ook de natuur sterft. Al zal het zaad, dat nu wordt uitgestrooid, kiemen en opschieten in de lente.

2 november: Allerzielen is de dag van de overledenen. In de romaanse talen heet hij le Jour des défunts, Giorno dei Morti, La commemorazione dei tutti i fedeli defunti (Commemoratio Omnium Fidelium Defunctorum). In bepaalde landen wordt deze dag zelfs het feest van de doden (la fiesta dei morti) genoemd.

Hoe veel mensen hebben hier op onze wereld al geleefd! Elke mens heeft zijn eigenheid en zijn eigen naamkaartje. De zeven miljard mensen op deze wereldbol hebben elk een unieke code. De mens is een autobus en zijn voorouders rijden mee. Wat en wie we zijn, danken we gedeeltelijk aan hen. Ze hadden hun beperktheden en fouten die we niet moeten nadoen. Al zal ook de volgende generatie ons zowel danken als aanklagen om wat wij al of niet goed gedaan hebben.

Rouwen

Op Allerzielen gaan de gedachten zeker naar hen die wij in het voorbije jaar hebben verloren. Dit jaar denken we heel in het bijzonder aan de overledenen tijdens of ten gevolge van de coronapandemie.

Er is veel pijn bij familieleden omdat ze van hun geliefden, wegens de opgelegde voorzorgsmaatregelen, geen afscheid hebben kunnen nemen. De uitvaart kon enkel gebeuren in heel intieme kring. Met ‘Adieu’ heeft de stad Gent daarvoor naderhand met poëzieconcerten op tien Gentse begraafplaatsen vaarwelmomenten gecreëerd.

Egidius rouwt om een vriend in een middeleeuws klaaglied:

Egidius waer bestu bleven

Mi lanct na di gheselle mijn

Du coors die doot du liets mi tleven

Dat was gheselscap goet ende fijn

Het sceen teen moeste ghestorven sijn

Nu bestu in den troon verheven

Claerre dan der zonnen scijn

Alle vruecht es di ghegheven

Sint Augustinus (354-430) bekent in zijn Belijdenissen hoe zeer hij geleden heeft onder de dood van een geliefde vriend.

"Door het verdriet en de smart kwam er een diepe duisternis in mijn hart en waar ik ook keek, zag ik de dood. Mijn eigen stad werd mij tot een kwelling, het huis van mijn geliefde leek een ongeluksoord en alles wat ik met hem samen had bezeten, deed mij, nu hij er geen deel meer aan had, oneindig veel pijn.

Mijn ogen zochten hem overal. Zij vonden hem nergens. Ik haatte alles, omdat ik hem kwijt was en ik niet meer kon zeggen als hij afwezig was: “Kijk, hij komt zo”, zoals toen hij nog leefde.

Ik werd voor mijzelf een groot vraagteken en ik doorzocht mijn ziel waarom zij zo treurig was, mij zo verwarde, maar mijn ziel kon mij niet antwoorden.

En als ik tegen haar zei: “Stel alle hoop op God”, dan gehoorzaamde mijn ziel mij niet en met goed recht. Want deze mens die mijn ziel het dierbaarst was, was beter en echter dan het drogbeeld dat ik mijn ziel als hoop gaf.

Slechts wenen gaf mij voldoening en nam in mijn hartevreugden de plaats in van mijn geliefde ...... In mij ontstonden zulke tegenstrijdige gevoelens. Ik weet niet wat dat was, maar er was een grote levensmoeheid en tegelijk een doodsangst.

Ik geloof dat hoe meer ik hem liefhad, hoe meer ik de Dood als mijn grimmigste vijand haatte en vreesde. Ik stelde mij voor dat die Dood die hem mij ontnomen had, plotseling alle mensen zou verzwelgen, omdat hij dat met deze ene vriend ook had gedaan …..Ik was er verbaasd over dat alle andere stervelingen leefden, terwijl hij die ik zo lief had gestorven was. Hij had niet mogen sterven.

Ik verbaasde mij erover dat ik als zijn andere-ik zijn dood overleefde. Hoe juist is de uitspraak van Horatius, die zijn geliefde de andere helft van zijn ziel noemt. Ik heb onze zielen als één ziel in twee lichamen ervaren. Daarom werd ik bang voor het idee leven. Misschien was ik ook bang om te sterven, omdat hij dan geheel gestorven was.” (Tekst opgenomen in een boek van Verena Kast, Het leven met verlies).

Een pas afgestudeerde jonge man vertrok in 2005 samen met zijn vriend op reis naar Venezuela. De familie ontvangt geen bericht meer. Wat is er gebeurd? Een zoektocht van maanden eer de familie zeker is dan hun zoon en zijn vriend dood zijn. Zij zijn verrast geworden door de stortvloed van het wassende water bij een rivier. Dit kan dan wel het leven, maar overduidelijk niet de liefde voor de overledenen wegspoelen.

In haar ontroerend boek Waar ben je Casper lieve broer?-Een rouwboek schrijft zijn zus Uus Knops over deze moeilijke periode en over een rouw die nooit eindigt. “Rouwen is een proces en tegelijk een staat van zijn. Rouw is ruw, het schuurt, verwondt, doet pijn. Die wrijving en schuring zorgen met de tijd, geleidelijk aan, voor slijtage. Dat kon geen leermeester mij leren, dat heeft de tijd me geleerd. Er is plaats gekomen voor zachte berusting, naast de blijvende oneffenheden die plots weer voor een stekende pijn kunnen zorgen” (Op. cit., p.. 116).

In het evangelie wordt er gerouwd: de weduwe van Naïn (Lc. 7, 11-15), Jaïrus en zijn familie (Mc.5,21-24), de zussen van Lazarus (Joh. 11), de moeder en de familie van Jezus op Goede Vrijdag (Joh.19,24-25). De piëta, de moeder met haar overleden zoon op haar schoot, blijft ontroeren.

Op het kerkhof

De bezoekers op het kerkhof zijn rouwende mensen. Het is passend zorg te besteden aan het kerkhof en aan hen die er in deze november komen met een bloem en die een kruisje maken en een gebed zeggen. Het kruisje herinnert aan dit van Jezus en het verwijst naar de Vader, de Zoon en de Geest die ons omringen.

In de Allerzielenmis bidden wij voor de overledenen. Dit gebeurt in elke eucharistie, waar wij elke dag bidden voor de levenden en de doden in verbondenheid met alle heiligen. Wij herinneren ons wie onze overledenen voor ons waren. Ze zeggen ons dat zij met ons begaan blijven en dat wij hen zullen volgen. “Heer, laat onze broeders en zusters die ons zijn voorgegaan, hen allen die uit deze wereld zijn overgegaan naar uw Rijk, het aangezicht tegemoet van uw Messias, laat hen zo bidden wij binnengaan, waar ook wij hopen eens en voor al te worden verzadigd met uw heerlijkheid door Christus onze Heer” (Eucharistisch gebed III A).

Allerzielen wijst naar onze toekomst. Wij vertrouwen op Jezus, die tot Martha, de zus van Lazarus, zei en ook tot ons blijft zeggen: “Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft” (Joh. 11, 25-26).

Friedhof, dit is in Duitsland de naam voor kerkhof, de tuin van vrede. Voor christenen is een kerkhof met zijn graven en columbarium de tuin van de verrijzenis.