Dagen van verbondenheid

Verbinden, Een van de veel gebruikte woorden in de voorbije maanden, wellicht om dat eenzaamheid toeneemt.

Verbinden, het staat boven de eerste twee dagen van november, Het gaat die dagen over verbondenheid over de dood heen, zowel op Allerheiligen als op Allerzielen. Verbondenheid, het maakt deel uit van ons Credo, van ons geloof in God die eeuwig leven schenken wil.

Wij gedenken mensen die ons zijn voorgegaan. Wij kijken naar hen op.

Allerheiligen en Allerzielen. Het zelfde en toch niet het zelfde.

Het gaat telkens over mensen die gestorven zijn.

Allerzielen is omvangrijker en ruimer dan Allerheiligen. Zouden allen die sterven heilig zijn, dan zouden Allerheiligen en Allerzielen synoniemen zijn. Wat met de misdadigers en de tirannen? We kunnen het moeilijk verdragen dat boosdoeners aan dezelfde tafel zouden zitten met hun slachtoffers.

Of zou het toch kunnen dat misdadigers oprecht berouw hebben en het leed dat ze aangedaan hebben, inzien, verafschuwen en berouwen? Zou het kunnen dat slachtoffers er dan in slagen om hun beulen en folteraars vergeving te schenken? Zo ja, dan mogen zij samen aanzitten.

Jezus heeft geen uitspraak gedaan over het aantal geredden. Hij heeft ons bijgebracht dat zijn Vader als rechter oordeelt en dat hij zelf deel neemt aan dit oordeel en dat hij hen zal herkennen die hem gediend hebben in de armen, de zieken, de vreemdeling. Hij heeft ons gezegd waakzaam te zijn om door de nauwe deur binnen te geraken. Er is een spanning tussen genade en gerechtigheid.

Gedenken

We gedenken onze overledenen, eerst en vooral deze van het voorbije jaar. Het is alsof we minstens een jaar nodig hebben in onze rouw, een jaar met zijn feestdagen en herinneringen, die we doorbrengen zonder de geliefden die er eerder bij waren. Een rouwverwerking kan lang duren. Rituelen helpen bij de verwerking.

Er zijn mensen die eenzaam sterven en van wie de buren pas weken nadien de dood vaststellen. “Elk jaar overlijden in Amsterdam ongeveer vijftien mensen van wie niemand, afgezien van vier dragers en een medewerker van de Sociale Dienst, de begrafenis bijwoont: junks, verwaarloosde bejaarden, illegalen, zwervers, professionele dronkenlappen. In 2002 besloot dichter/kunstenaar F. Starik daar iets aan te doen. Hij stelde de zogenaamde Poule des Doods samen, een groep dichters die bij toerbeurt een eenzame uitvaart bijwonen om daar een speciaal voor de overledene geschreven gedicht voor te dragen.” In het boek van F. Starik De eenzame uitvaart zijn de ervaringen en gedichten van Starik (1958-2018) en de Poule des Doods opgenomen.

Danken

Het zijn dagen van verbondenheid over de dood heen met hen die sporen in ons hebben nagelaten. Dank aan vorige generaties. Wij zijn de vrucht van hun werken en hun falen. Wij dragen gevolgen van hun oorlogen, van wat ze vernietigden en heropbouwden. We bouwen verder op hun fundamenten. Elke archeologische vondst toont sporen en teken van menselijke activiteit, al vanuit de Romeinse tijd en vroeger. De mens is al zo lang onderweg. Een bezoek aan Silex’s Spiennes (Mons) leidt naar de tijd van het neolithicum.

Wij bewonderen mensen om wat ze hebben verwoord en uitgebeeld al in de oudste grottekeningen. Dank aan de schoonheid, die kunstenaars hebben geschapen.

Bij een uitvaart worden terecht woorden van dank neergeschreven op een overlijdensbericht en een gedachtenisprentje. Woorden die ook vertrouwen uitdrukken en hoop op een weerzien. Want al wordt er gezegd: “dood amen en uit”, toch leeft tegelijk de wens naar een weerzien. Zie enkele teksten op rouwbrieven:

*Belangrijk is niet alleen de weg die je gaat

maar ook de sporen die je achterlaat.

Dankbaar om wat ze voor ons betekend heeft,

nemen we afscheid van Greet

*Alles is nu stil

Toch blijf jij in onze gedachten verder leven,

want alles wat jij hebt gegeven,

blijft als een warme herinnering

diep in ons hart bewaard,

voor altijd

*“mijmerend aan de Leie

komt mij de avond tegen

hij legt een mantel

om me heen

schenkt mij

geluk en vrede”

*Véél te jong heeft ze ons verlaten.

Breng jij me weg tot aan de brug?

Ik ben zo bang om daar alleen te staan.

Als we daar zijn, ga niet direct terug,

maar wacht tot ik oversteek en zwaai me na,

dan voel ik me veilig en gerust

*De rozen van ma en pa bloeien dit jaar als nooit tevoren.

Een mooi afscheidsgeschenk van hierboven.

Het stopt niet hier. Alles begint opnieuw. Ergens anders.

Voor altijd samen nu in Gods prachtige tuin…

*Mama, meme,

het mooiste wat je ons nalaat

is je glimlach.

Aan je glimlach zagen we steeds

hoeveel je van ons hield.

Met die glimlach heb je voor ons gezorgd.

En voor vele anderen.

Nooit liet je na te helpen waar je kon.

Altijd dankbaar om de eenvoudige en kleine dingen.

Een kus, het samen drinken van een kopje koffie, een bezoekje.

Je kon er enorm van genieten.

“Dankjewel voor het bezoek”, zei je dan, “en wees voorzichtig”.

We geloven dat jij ons nu van uit de hemel toelacht.

Met je groen kleedje zit je stralend en glimlachend naast onze papa en pepe.

Terug samen, tot in de eeuwigheid.

Weet je, dit doet ons ook te midden van het enorme verdriet zachtjes glimlachen…

Dank je, ma en pa, voor alles. Jullie zijn onvergetelijk voor ons.

Dagen, gekleurd door hoop

Paulus benadrukt dat hoop het leven van een christen bepaalt. Zonder Christus zijn we zonder hoop en zonder God (Ef. 2, 12). Door Christus behoren we tot de woonstede van God in de Geest (Ef. 2,22). Een christen mag niet bedroefd zijn zoals de mensen, die geen hoop hopen. ‘Wij geloven dat Jezus is gestorven en weer is opgestaan en dat God evenzo hen die in Christus zijn ontslapen levend met Hem zal meevoeren” (1 Thes. 4,14). Paulus vraagt aan de christenen om “vast en onwrikbaar te blijven in het geloof en ons niet te laten afbrengen van de hoop die ons in het evangelie is toegezegd” (Col. 1,23).

Op Allerheiligen defileert voor ons de lange stoet van heiligen, die we niet tellen kunnen, van mensen die het eeuwig leven vonden langs de trouw aan de geboden en in het opvolgen van de zaligsprekingen. Ze zijn wegwijzers en steunen ons. Paus Franciscus zet in zijn brief van 19 maart 2018 Gaudete et Exultate, Wees blij en juich bakens op onze weg daarheen. Op 25 maart richtte hij zich tot de jongeren en gans het volk van God in de brief Christus vivit. Hij verwijst erin naar jonge heiligen en schrijft: “Word zoals God je wil zien. Wees geen kopie van andere heiligen. We moeten ontdekken wie we zelf zijn en ten volle worden wie we zijn. Ons leven moet een profetische prikkel zijn om anderen te stimuleren en een spoor nalaten.” De vriendschap met Jezus staat hierbij voorop.

Bidden voor

Allerheiligen zijn dagen waarop we danken, loven, smeken en bidden. Paus Benedictus belicht in zijn encycliek Spe Salvi de kracht van de hoop. Deze doet ons verder kijken dan het aardse en het binnen-wereldse. Deze hoop motiveert ons om voor de overledenen te bidden. “Aan de zielen van de overledenen kan echter door Eucharistie, gebed en aalmoezen ‘troost en verlichting’ geschonken worden. Dat de liefde kan reiken tot in het hiernamaals, dat er een wederzijds geven en nemen mogelijk is, waarin wij elkaar over de grenzen van de dood heen toegedaan blijven, is door alle eeuwen heen een fundamentele overtuiging van het christendom geweest en blijft ook vandaag de dag een troostrijke ervaring. Wie zou niet de behoefte voelen aan zijn geliefden die hem naar het hiernamaals zijn voorgegaan een teken van goedheid of van dankbaarheid over te brengen, of zelfs een bede om vergeving? ….. Wij beseffen dat geen mens een eiland is. Onze levens zijn sterk op elkaar betrokken, zijn door ontelbare interacties met elkaar verbonden. Niemand leeft alleen. Niemand zondigt alleen. Niemand wordt alleen gered. In mijn leven komt steeds het leven van anderen binnen: in wat ik denk, zeg, doe en bereik. En omgekeerd komt mijn leven binnen in dat van anderen: ten kwade en ten goede. Dus is mijn gebed voor de ander hem niet vreemd, niet iets uiterlijks, ook na de dood niet. In de vervlechting van het bestaan kan mijn dank aan hem, mijn gebed voor hem, een stukje van zijn zuivering vormen. En daarbij hoeven we de aardse tijd niet om te rekenen in Gods tijd: in de gemeenschap van de zielen wordt de eenvoudige wereldtijd overstegen. Het is nooit te laat en nooit vergeefs het hart van de ander te beroeren. Zo wordt een belangrijk element van het christelijke begrip ‘hoop’ nogmaals duidelijk. Onze hoop is altijd ten diepste ook hoop voor de anderen; alleen zo is ze werkelijk ook hoop voor mijzelf. Als christenen moeten wij ons nooit alleen maar afvragen: Hoe kan ik mezelf redden? We moeten ons ook afvragen: hoe kan ik anderen helpen, opdat anderen gered worden en voor anderen de ster van de hoop opgaat? Dan heb ik ook het meeste gedaan voor mijn eigen redding” (Spe Salvi, 48).

Allerheiligen en Allerzielen verruimen onze blik. Ze tonen de sociale dimensie van ons geloof, van onze hoop en van onze liefde.