Allerzielen, de mensen van voorbij

De paarse rouwkleur bij een dodenherdenking moet de stralen doorlaten van de Verrijzenis, die de kerk elke zondag viert.

Guido Gezelle preekt vanuit zijn geloof in de verrijzenis tot de zieke zomerblaren, die in de herfst te grondewaart zinken:

Gij, blâren, rust in vreê,
't zal geen een verloren,
geen een te kwiste gaan
voor altijd: hergeboren,
die dood nu zijt,
zal elk van u, dat viel,
de zonne weêr ontwekken,
zal met uw' groenen dracht
de groene boomen dekken,
te zomertijd.

Bij God mogen ze wonen

In de uitvaart van staatsminister Jean-Luc Dehaene in Vilvoorde op 23 mei 2014 klonk een lied van Hanna Lam (1928-1988):

 

De mensen van voorbij
wij noemen ze hier samen.
De mensen van voorbij
wij noemen ze bij namen.
Zo vlinderen zij binnen
in woorden en in zinnen
en zijn wij even bij elkaar
aan ‘t einde van het jaar.

De mensen van voorbij
zij blijven met ons leven.
De mensen van voorbij
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemengeuren, in een lied
dat opklinkt uit verdriet.

De mensen van voorbij
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen,
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij..

Het lied vertolkt een christelijke visie. Wie gestorven is, is voor goed in de wereld van God. Wij blijven met hen verbonden.

Jean-Luc Dehaene had vroeger al een antwoord gegeven op deze levensvraag, die een mens niet zo licht op zij kan schuiven. Dood? Amen en uit? Wat is de toekomst over de dood heen?

“Ik ben in mijn leven herhaaldelijk sterk met de dood geconfronteerd. Ik verloor mijn vader toen ik 21 jaar was. Hij stierf aan darmkanker, een vrij lang en pijnlijk proces. Later verloor mijn dochter twee kindjes, mijn kleinkinderen. Het ene kind na enkele maanden en het tweede als achtjarige ten gevolgen van hersenkanker. Toen mijn vader stierf, was ik zoals vele leeftijdsgenoten in de contramine. Bij vele vrienden heb ik gezien hoe zij op latere leeftijd een sterke band met hun vader opbouwden. Dat heb ik niet meer kunnen doen. Bij mijn dochter maken de twee gestorven kleintjes deel uit van het dagelijkse leven. Zij blijven verder deel uitmaken van het gezinsleven. Ik word ook steeds tot de orde geroepen als ik zeg dat ik acht kleinkinderen (waarmee ik bedoel: in leven). Ik moet zeggen: ik heb er tien.

Ik heb steeds geleefd met de overtuiging dat de dood geen eindpunt is, veeleer een verplichte overgang naar een ander leven. Een ander leven dat evenwel niet gescheiden is van het leven voor de dood. Voor mij is de gemeenschap der heiligen een echte gemeenschap die vanuit dit leven reeds wordt opgebouwd. Vandaar dat samenleven in gemeenschap een essentieel deel is van het leven van iedere mens. Het individualisme is daar de tegenpool van. De mens is maar volwaardig als persoon, als individu in gemeenschap. In het hiernamaals gaat men volgens mij op in die gemeenschap. Ik kan derhalve maar zin geven aan mijn leven door hier en nu samen te leven in gemeenschap met anderen. Van daaruit is mijn politiek engagement essentieel. Die opname in de gemeenschap der heiligen – hier natuurlijk niet in de betekenis van ‘heilig verklaard’ – heb ik op ontroerende wijze meegemaakt bij het overlijden van mijn moeder in een dienst voor palliatieve zorg. Voor haar was die overgang natuurlijk en ze heeft die op zeer natuurlijke wijze kunnen beleven met haar kinderen en kleinkinderen.” (Licht aan de horizon. Over leven na de dood, Halewijn, 2006).

Dood en leven

De dood behoort tot het leven. Alleen kinderen zouden dit niet weten. Alhoewel. Gaby was negentig. Ze vertelde over haar kinderjaren. Enkele vriendinnetjes stierven kort na elkaar. Ze dacht dat zij er schuld aan had. En ze zei dat ze daarom geen vriendinnetjes meer wou, uit angst dat ze zouden sterven.

Jan Eijkelboom heeft in zijn bundel Hora incerta het gedicht: Voor wat hoort wat.

Een kind vraagt nooit
waarom, waartoe het toch
op aarde werd geworpen.

Daarom en niet omdat
het hulpeloos zou zijn
verzorgen wij het trouw,

vereren het als god.
Tot het de dood ontdekt
en een der onzen wordt.

Jan Eijkelboom

Herman de Coninck bespreekt dit gedicht in zijn boek De vliegende keeper, essays over poëzie. “Ik meen me te herinneren dat mijn eerste motief om van een baby te houden, de mijne, inderdaad zijn hulpeloosheid was. Ik was vijfentwintig, wat moest ik met zo’n, ding? Nou, die baby moest iets van mij, een nieuwe luier. Of armen om me heen. De ontroering dat je nodig bent, denk ik dat het was. Ik had studies gedaan die voor niks nodig waren, ik schreef gedichten die voor niks nodig waren, en ineens was ik nodig. Dat is een tamelijk egoïstische ontroering, denk ik nu.

Eykelboom draait het om. Volwassenen zijn hulpeloos, en solidair in hun doodsangst. Kinderen juist niet: ze zijn niet hulpeloos, je kijkt er niet vertederd op neer, je kijkt ernaar op, ze hebben nog iets wat jij niet meer hebt. Tot ook zij de dood ontdekken, en dan gaan ze mede tot de solidariteit der sterfelijken behoren. Maar voordien zijn ze een aantal jaar onsterfelijk geweest.

Dit is een onbijzonder, klein gedichtje, dat niks speciaal met taal doet. Tot je eraan blijft haken. He doet niet veel met taal. Het doet alles met je overtuiging: het keert haar ondersteboven” (Op. cit. p. 99-100).

Benieuwd naar het vervolg

Denken aan het sterven laat ons niet onberoerd. Marie de Hennezel vertelt in haar boek, De intieme dood over haar gesprekken hierover met president Mitterand. “De president vraagt zich af of gelovigen een grotere zielsrust kennen ten opzichte van de dood. De president, katholiek opgevoed, die zich zichzelf een agnosticus noemt, stipuleert dat dat niet verhindert religieuze gevoelens te hebben, het gevoel verbonden te zijn met een dimensie, die ons bevattingsvermogen te boven gaat. Een bijna zintuigelijke en innerlijke ervaring waarvan hij zegt dat die in zijn ogen meer pleit voor het bestaan van God dan welke theologische uiteenzetting ook.” De psychologe vertelt hem van een vrouw die tot het einde zich sereen voelde en zei: ‘ik ben niet gelovig, maar ik ben benieuwd naar het vervolg.”

Dood behoort bij het leven. En dood kan bron van leven zijn. Dit is volgens Toon Hermans een les die de bomen ons geven.

de bomen
komen uit de grond
en uit hun stam
de twijgen
en iedereen vindt het
heel gewoon
dat zij weer bladeren krijgen
we zien ze vallen
naar de grond
en dan opnieuw weer groeien
zo heeft de aarde
ons geleerd
dat al wat sterft
zal bloeien....

Toon Hermans

 

Ging de Nederlandse kleinkunstenaar hiervoor om, raad bij Paulus, die eveneens in de natuur aanzetten vindt om te spreken over een nieuw leven. Nu zou iemand kunnen vragen: ‘Maar hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?’ Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen. En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders. God geeft daaraan de vorm die hij heeft vastgesteld, en hij geeft elke zaadkorrel zijn eigen vor”  (1 Kor. 15)

 

Wat is het gewicht van de doden?

Allerzielen 2018 kan niet voorbij aan de vele graven van de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog.

 

Lyssenthoek Military Cemetery is een van de grootste Britse hospitaalbegraafplaatsen. Die hospitaalkerkhoven ontstonden naast de veldhospitalen ten oosten en ten westen van Poperinge. Volgens het huidige register liggen op Lyssenthoek in totaal 10.785 doden uit de Eerste Wereldoorlog. In het bezoekerscentrum hangt een gedicht van Erwin Mortier.

 

De wereld werd niet zwaarder toen we stierven.
Wij, geen drie procent.
Wij in onze schalen van modder en bloed
toen de zusters toesnelden om het lekken
van onze gescheurde aders te stelpen.
We schreeuwden niet,
tenzij in onze slaap,
te zwak voor beleefdheid.
Ze wilden ons weer aan het leven hechten,
dokters doopten onze wonden in Latijn.
We zeiden dank u als we konden.
We wilden hen niet kwetsen.
Wij, geen drie procent.

De stilte van zorgende handen,
werktuiglijk, efficiënt.
De zang van de schaar, de snel snel
meanderende litanie van windsels,
de zalving van katoen, toen ze hun vingers
door de kloven stuurden
van ons ontbrekend vlees –
tot iemand riep:
We zijn hem kwijt.
Ze huilden niet.
Er was geen tijd.
De dood onthoudt geen namen.
Wij, geen drie procent.

De aarde werd niet zwaarder toen ze ons ontving.
onze laatste laken rond ons
als een vruchtvlies.
Wees stil, wees stil.
De dood onthoudt geen namen.
Wij, geen drie procent.
Wees stil, of zing
of zoen

Bloemen op het graf, geen klaprozen maar chrysanten en vooral de bloem van ons gebed en onze verbondenheid.

In Vlaanderens velden bloeien de klaprozen
Tussen de kruisen, rij aan rij
die onze plek aangeven; en in de lucht
vliegen leeuweriken, nog steeds dapper zingend
ook al hoor je ze nauwelijks te midden van het kanongebulder
aan de grond.
Wij zijn de doden. Enkele dagen geleden
leefden we nog, voelden de dauw, zagen de zon ondergaan
beminden en werden bemind en nu liggen we
in Vlaanderens velden
Neem ons gevecht met de vijand weer op:
Tot u gooien wij, met falende hand
de toorts; aan u om haar hoog te houden
Als gij breekt met ons die sterven
zullen wij niet slapen,

ook al bloeien de klaprozen

in Vlaanderens velden

John Mc Crae (1872 – 1918)

 

Op Allerzielen beleven we onze solidariteit met de overledenen. Allerzielen en Allerheiligen zijn dagen, die een voorsmaak geven van de feestelijke verbondenheid van alle mensen bij de Heer. Wij hopen samen met allen bij de Heer te zijn. We moeten ons voortdurend bekeren tot een gemeenschap, waarin we aanvaarden met anderen samen te zijn, met hen van wie we veel houden, maar ook met wie hier op aarde onze vijand, tegenstrever of concurrent was. Ons gebed voor alle overledenen kan ons nu reeds louteren.

“Al met al vind ik het dus zeer zinvol dat gelovige mensen durven denken aan een louterende overgang tussen de aarde en de hemel, tussen het mensenleven met enkele dierbaren en het samenleven met allen zonder onderscheid, tussen menszijn in deze wereldtijd en menszijn in Gods eeuwigheid. Dat iedere louterende overgang, en zéker die naar God toe, verzocht wordt en doenbaarder gemaakt door gebed-in-medeleven-en-solidariteit vanwege andere mensen, dat lijkt me eveneens evident. Als we er moederziel alleen voorstaan; dan weegt àlles zwaar. Maar als God zelf en als goede medemensen ons een beetje kwaliteitsvolle nabijheid aanbieden, dan wordt ieder last lichter, ook die van het stille ingroeien in Gods wereld” (Leo de Cruyenaere, ICLZ, Allerzielen, 1997).

Ons gebed op Allerheiligen en Allerzielen heeft zijn belang in het rouwproces dat aan het sterven van onze geliefden is verbonden. De kerk houdt er niet mee op, zelfs als het rouwproces is afgewerkt.