×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden

Gelezen: Uit het boek der Openbaringen van Johannes (7, 2-4, 9-14), Psalm 24 (ged.), uit de eerste brief van Johannes (3, 1-3) en uit het Mattheüs-evangelie (5, 1-12a).

 Zoals bekend, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkrans- oftewel Obrechtkerk, is niet iedereen die godsdienstig, katholiek bijvoorbeeld, is opgevoed; zoals bekend is niet iedereen daar, eenmaal volwassen geworden, tevreden over en blij mee, met die godsdienstige achtergrond die men heeft. En met grote regelmaat gebeurt het dat mensen voor wie dit geldt op allerlei manieren lucht geven aan hun ongenoegen daarover. In een interview[4] naar aanleiding van haar afscheidsrede, afgelopen vrijdag, als hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam noemt Marita Mathijsen het bijvoorbeeld "allemaal flauwekul": "Je bent er al snel achter dat het allemaal flauwekul is", antwoordt ze op een vraag naar haar loskomen van geloof en Kerk.

 Een geluid als dit tékent denk ik de positie van God, geloof en Kerk in onze tijd: die positie wordt voortdurend ernstig aangevochten. Er is sprake van een continu bombardement van kritiek als het ware. Voortdurend wordt er aan de poten van God, geloof en Kerk gezaagd. "Allemaal flauwekul" zegt de hoogleraar. Oef! Een linkse directe. Die zit! Het is niet ondenkbeeldig dat iemand die deze woorden leest en die wél graag "een gelovige", een christen, een katholiek probeert te zijn en te blijven, dat die zich op zo'n moment volkomen gediskwalificeerd, "afgeserveerd", knock-out geslagen en sprakeloos voelt. "Allemaal flauwekul." Ja, wat moet je daarop zeggen ... ?

 Ik denk, dierbare gasten en parochianen, dat de drie schriftlezingen die wij op dit hoogfeest van Allerheiligen hebben gehoord alle drie aansluiten bij het probleem waarop we hier stuiten.

 In het evangelie, in de bergrede, zegt Jezus: "Zalig zijt gij wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil: Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel." Het hoort er blijkbaar bij. Wie zich met God, met Jezus, verbindt, die stúit op verzet en tegenstand, ook mogelijk in zichzelf denk ik. Dat het gebeurt, dat is, omdat God, Jezus, het geloof in Hem, écht wat voorstellen en betekenen, ja substántie hebben. Ons geloof, dierbare gasten en parochianen, gáát wel degelijk ergens over. Verzet en tegenstand die wij erin ervaren, ook dus soms in onszelf, zijn in die zin zelfs "een goed teken" kun je zeggen. Verzet en tegenstand dwingen ons tot nadenken en tot de afweging van wat het ons werkelijk waard is: God, geloof, Kerk. Blijf ik erbij? Of laat ík het óók los, zoals de anderen? Wat is het hart, wat is de kern van mijn geloof? Die vraag kun je op deze weg niet uit de weg gaan. En als je op die vraag naar kern en hart van je geloof een antwoord vindt, dan is je geloof gegroeid en dat is reden tot vreugde: "Verheugt u en juicht, groot is uw loon in de hemel." Die vreugde en dat loon, ja die hemel, die kunnen reeds op aarde ervaren worden door mensen van wie het geloof is uitgezuiverd.

 "De wereld begrijpt ons niet en ze kent ons niet omdat zij Hem niet heeft erkend", zo hoorden wij in de tweede lezing, uit de eerste brief van Johannes. Ongetwijfeld is dat wáár: Als God, als Jezus, geen levende, geen sprankelende werkelijkheid voor je is, als je niet ervaart hoe Hij zich laat zien en tot je spreekt en je roept en je bemint in de bloemen en de bomen en de mensen en als jij niet ingaat, niet in kúnt gaan derhalve, op Zijn liefde die je van alle kanten omringt en naar je toekomt; als je daar doof en blind voor bent, ja, dan is het inderdáád "allemaal flauwekul" dat hele geloof.

 De heiligen om wie het vandaag gaat, worden in de eerste lezing tenslotte getekend als "degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam." Wat is dát toch? Bloedvlekken behoren mét wijn- en koffievlekken toch tot de moeilijkste vlekken, die er alleen met Ariël en Omo toch maar uitgaan, uit het tafellaken? Je gewaad witwassen in het bloed van het Lam ... Raadselachtig. Mét Jezus jezelf als "quantité négligable", als "allemaal flauwekul" terzijde durven laten schuiven en durven laten elimineren. Mét Hem ten onder durven gaan. Ten onder gaan. Maar: met Hém! Zolang ik maar met en bij en in Hem ben, zolang dát verlangen mij maar blijft bezielen, zolang ik van Hem maar niet gescheiden raak: dát betekent het volgens mij dierbare gasten en parochianen, dat "je gewaad witwassen in het bloed van het Lam." Want Hij, de Heer, haalt je erdoor heen, door elke dood, door elke verdrukking, door elk onbegrip, door elk kwaad, door alle laster en beschimping. En daar sta je dan, opgelucht, vrij en blij in het witte licht aan de andere oever.

 De heiligen, wie zijn dat? Zijn het die stenen figuren met hun attributen op hun consoles en geschilderd tegen de wand van de kerk? Ja, dat zijn de heiligen óók. In onze kerken beelden wij hén af waarvan we mogen geloven dat zíj het in elk geval gehaald hebben. Zij hebben het gered, de heiligen. Zij zíjn gered. Zij zijn heilig, héél, geheeld, genezen. Zij hebben hun gewaden witgewassen in het bloed van het Lam. Zij zijn in vrede. En uiteraard worden wíj geroepen om dat te zijn, net als zij: in vrede, heilig, héél. Is dat "allemaal flauwekul" mensen? Ach ja, dat wordt gezegd en dat kan "nogal intimiderend overkomen" zoals dat heet. Zulke woorden kunnen je bijkans sprakeloos en hulpeloos achterlaten, met een mond vol tanden. Maar dat is niet erg. Zolang je maar oog en oor houdt voor dat diepste spoor van Gods liefde zoals het in geloof getrokken is doorheen de kosmos en doorheen de geschiedenis en zoals het mensgeworden is in Jezus Christus en in de heiligen die leven in Zijn kielzog. Amen.