“...en het eeuwig leven”, twijfel, geloof, vertrouwen

Dood, amen en uit.  Als dit waar is, dan is een bijdrage over de laatste twee artikels van het Credo overbodig met de belijdenis over de opstanding van het lichaam en het eeuwig leven.

 

Dood, amen en uit!  De mens is het enige wezen dat weet dat hij sterft.  Dit is niet zo een blije zaak.  Wij weten niet hoe lang de weg erheen kan duren.  Bij de dood rijst alleszins de vraag.  Is dit mens zijn: leven om te moeten sterven? Is het leven maar dat geweest?  Een man en een vrouw verlangden vurig naar een kind.  Het was lang verwacht.  Het sterft enkele maanden na de geboorte.  Was dat verlangen zinloos?  Bij het begin van de Retrospectieve Constant Permeke hing het portret van een jonge vrouw met sjaaltje.  Marietje was de echtgenote van de schilder.  Het laatste werk in de tentoonstelling was uit 1948 en kreeg als titel Het afscheid.  Permeke schilderde zijn vrouw op haar sterfbed.  Herhaaldelijk schilderde hij de moeder met kind.  Zij hadden samen zes kinderen.  Ze hebben twee kinderen jong verloren.  Dit heeft hen altijd bezig gehouden.

 

Agnieszka is een diep gelovige jonge vrouw.  Ze was dit niet altijd, zegt ze.  Maar de dood van een broer heeft haar sterk geraakt en haar veel zinvragen doen stellen. Dit heeft haar geleid tot een bewuster geloven in God.

 

Met de geloofsbelijdenis staat de christen toch in de wind.  Hij spreekt over werkelijkheden die we niet zien.  De hemel die we vroeger bevolkten met engelen en heiligen is zo anders geworden, sinds ruimtetuigen rond de aarde cirkelen en raketten het heelal trachten te verkennen.  De hemel is geen plaats, maar is bij God zijn. 

 

Er is nog niemand teruggekomen”, zei onlangs een zware kankerpatiënte.  Het drukt iets uit van haar onzekerheid.  Toch zei ze dat ze immens nieuwsgierig was hoe het ‘daar’ zal zijn.

 

Ouder wordende mensen stellen wellicht iets meer dan andere leeftijdsgroepen vragen over het sterven en misschien over wat daarna komt.  Maar niemand is in staat te beschrijven hoe dit er uit ziet.  Over het hiernamaals spreken wij niet bij wijze van reportage.  Wij zoeken naar beelden.

 

Er is nog niemand teruggekeerd.  Toch hebben Joodse mannen en vrouwen, die volgeling waren van Jezus van Nazareth, kort na diens kruisiging en graflegging beweerd dat hij leeft en dat hij is verrezen en bij God verheerlijkt.  Dit heeft hen doen zeggen dat ook wij zullen verrijzen.  Paulus is een van de volgelingen van Jezus die in zijn brieven deze belijdenis beklemtoont.  Het fundament van ons geloof in het eeuwig leven is de verrijzenis van de Heer Jezus.  Als wij met Christus gestorven zijn, zullen wij met Hem leven.  Als wij volharden, zullen wij met Hem heersen” (Tim. 2,11-12).

 

Aan sceptische lezers en toehoorders tracht Paulus beelden aan te reiken die hen daarvoor ontvankelijk zouden maken.  Hij gebruikt beelden over zaaien, kiemen en groeien.  We blijven naar beelden zoeken. 

 

Een Duitse theoloog bracht in een panel volgende gelijkenis.  Een tweeling voelt zich veilig in de schoot van zijn moeder.  Een van de twee zegt: “Ik wil er uit.  Ik wil een nieuwe wereld ontdekken.”  De tweede echter antwoordt: “Ik wil blijven, hier is het immers goed en veilig.  De weken gaan verder, de druk neemt toe.  Wat ben ik blij”, zegt alweer de eerste.  Wij komen weldra in een nieuwe wereld.  Wij zullen onze moeder zien, die ons heeft gedragen.  De tweede reageert sceptisch met de vraag: “Denk je dat wij wel een moeder hebben?  Is dit niet een inbeelding?”  Kort daarop volgt de geboorte en de beide pasgeborenen roepen jubelend: “Hoera, hoe wonderbaar deze nieuwe wereld en hoe lief onze moeder!

 

De verwondering om de geboorte bij het verlaten van de moederschoot groeit verder doorheen het leven.  Zij zal nog groter en sterker zijn, wanneer wij deze wereld verlaten en wij een nieuw leven binnentreden.  Teresia van Lisieux zei met veel vertrouwen: Ik sterf niet, maar ga het leven binnen.  De verwondering is toegang tot het eeuwig leven.

 

Een blik in de eeuwigheid

Ontdek ik in de gevallen blâre

In mijn tuin

Matsuo Bashô

 

In een christelijke begrafenisliturgie klinkt vaak het hoopvolle woord van Paulus: “Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf alleen.”  Toch is het sterven het moment, waar we helemaal alleen zijn, zelfs al staat familie om ons heen.  Het is een geschenk dan de liefdevolle hand van een medemens te mogen voelen.  Sterven is deze loslaten en tegelijkertijd hopen op de nieuwe hand die ons welkom heet.  De Oosterse liturgie schenkt meer dan de Westerse aandacht aan het mysterie van de Stille zaterdag, de dag waarop niets gebeurt en het rouwproces zijn tijd krijgt en de Heer ongezien aan het werk is.  De Oosterse paasicoon is deze van Jezus die naar de onderwereld afdaalt.  Hij rolt de steen weg en hij reikt de hand aan Adam en Eva.  Hij neemt hen bij de pols, teken van leven en trekt hen op.  Christus is de hand, die de Vader ons reikt.

 

Wie in Jezus gelooft, mag reeds op aarde smaken dat het eeuwig leven begonnen is.  Jezus zei tot de Samaritaanse bij de waterput: “Wie van het water drinkt, dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer” (Joh. 4,14).  Hij herhaalt en hij versterkt deze uitspraak in zijn Broodrede: “Ik zeg u: wie gelooft, heeft eeuwig leven.” (Joh. 6,47).

 

In de voorbije decennia lag de nadruk sterk op de betekenis van het leven van vóór de dood.  Geef ons tenminste nu reeds leven”, is de roep.  Daarom werken we aan een menswaardige planetaire wereld, die dankzij de huidige communicatie meer één kan worden.  Het ‘hier en nu’ bergt het ‘hiernamaals’ niet op.  Wanneer we het hiernamaals vergeten, krimpt onze visie op het heden in.  Vroeger werden de mensen “dertig jaar en eeuwig”.  Nu worden zij hoogstens nog negentig jaar of iets meer!  Niet het geloof aan het hiernamaals werd de grote illusie, maar wel het geloof in het aardse en het maakbare van ons geluk en onze wereld.  Hopen op een hiernamaals is niet zo wereldvreemd.  Het behoort immers toe aan de Heer van tijd en eeuwigheid.  Hij die ons geschapen heeft en liefheeft, blijft zijn mensen trouw. 

 

De hemel zal eeuwig duren.  God zet geen punt achter zijn liefde.  Hij blijft ze schenken.  De dood is niet ‘amen en uit”.  Gods liefde heft onze eindigheid op.  Dankzij Hem behoren de overledenen niet tot de afwezigen, maar tot de onzichtbaren.  De God van Jezus, de God van onze vaderen, van Abraham, Isaak en Jakob (Lc. 20,37-38) is de God voor alle geslachten.  Hij is een God van levenden!  Wij zullen zijn oneindig licht zien in het Vaderland.  Daar mogen we bloeien zoals Guido Gezelle het uitdrukt in zijn gedicht Ego flos (Ik ben een blomme en bloeie vóór uwe ogen):

 

Dan zal ik vóór…

O neen, niet vóór uwe oogen

Maar naast u, nevens u,

Maar in u bloeien zaan;

Zoo gij mij, schepselken,

In ’t leven wilt gedoogen;

Zoo in uw eeuwig licht

Me gij laat binnengaan!

 

Deze bezinning is geschreven in het kader van het Jaar van het Geloof voor het tweemaandelijks tijdschrift Banneux N.D. Boodschap voor alle naties, nov.-dec. 2013