Feest van Sint-Martinus (2008)

Mensen hebben het tegenwoordig moeilijk met God. We kunnen aan God zo moeilijk een plaats geven in dit wereldgebeuren. Er is zoveel ongerechtigheid, er gebeuren zoveel gruwelijke dingen in onze maatschappij, dat we ons wel eens afvragen: hoe kan God dat allemaal toelaten? Waarom komt Hij niet tussenbeide?

Anderzijds is het ook zo dat de mensen God niet meer nodig hebben. Ze zullen het allemaal wel zelf opknappen. Mensen zijn zichzelf tot norm en wet geworden. Zulke mensen kunnen zich natuurlijk ook niet voorstellen dat die God, die alles schijnbaar zo maar laat gebeuren, ooit eens zal terugkomen om rekenschap te vragen van onze manier van leven. En toch zou de boodschap van Jezus onvolledig zijn, het zouden allemaal loze woorden zijn, zonder dit geloofspunt: Hij zal terugkomen om te oordelen, levenden en doden.

We moeten natuurlijk goed het onderscheid maken tussen het laatste oordeel en de voorstelling ervan. Veel schilders hebben van dat laatste oordeel iets angstaanjagend gemaakt. Kijk maar eens naar de muurschildering in onze kerk. En het verhaal van het evangelie is ook maar een voorstelling. Om het onvoorstelbare voorstelbaar te maken gebruiken wij beelden. Jezus vertelt: het is een verhaal waarbij Hij ons doet verstaan wat uiteindelijk in ons leven belangrijk is. Aan het einde van ons leven zal een balans opgemaakt worden. Hoe dat precies gebeurt weet ik natuurlijk niet. Ik geloof echter wel dat het zal gebeuren.

Op de Dag van de Heer zal het duidelijk worden wat de echte waarden zijn in het leven van een mens; welke de fundamenten zijn die onze wereld dragen. Wij zullen dan zien dat niet macht en bezit de vooruitgang van de wereld gediend hebben, maar liefde en dienstbaarheid, en veel van wat wij nu als gewichtig en onontbeerlijk beschouwen zal dan als ijdelheid en bedrog ontmaskerd worden. Als we ons dus zorgen moeten over maken over iets, dan is het wel over het lot van de mensen. De rest is in de grond onbelangrijk in Gods ogen.

Dan zal Jezus Christus zich openbaren als de bondgenoot, de lotgenoot van de mens in nood. Hij identificeert zich met de hongerigen, de daklozen, de vluchtelingen. De maatstaf van de scheiding tussen het goede en het kwade zal heel eenvoudig zijn: wat heb je gedaan, of wat heb je niet gedaan voor de geringsten van mijn broeders. Wij zullen zelf oordelen over onze daden en nalatigheden. Wij zullen zelf aan de linker- of de rechterkant gaan staan als pure consequentie van onze manier van leven. We zullen het vlug weten tot welke groep wij zullen behoren. God zal geen enkele mens uitsluiten. De mens zal zichzelf uitsluiten.

Mag ik even terugkomen op de evangelielezingen van de voorbije maand. Altijd komt Jezus terug op hetzelfde: we moeten God beminnen en onze naaste als onszelf. Het tweede gebod is gelijk aan het eerste. Het laatste oordeel, de finale afrekening - om het eens met andere woorden te zeggen - zal daarover gaan.

Als ik een arme ontmoet, een mens in nood, dan heb ik vaak de indruk dat God tot mij spreekt. Niet dat ik zijn stem hoor. Ik heb echter gelezen wat Hij tot mij, tot ons zegt, in het evangelie van vandaag. En dat is een doodernstige zaak. Ik hoor in dit evangelie de luide schreeuw van honderden miljoenen mensen die het moeten stellen met een inkomen van een euro per dag. Ik hoor ook het gerinkel van de huisbel in vele huizen wanneer mensen aanbellen om fondsen te verzamelen om aan dat grote leed een beetje te verhelpen. En hier en daar hoor ik zeggen: ‘wij doen daar niet aan mee.'

We moeten er aan meedoen, elk naar eigen vermogen zoals de weduwe met haar penningske in het evangelie. Dat zal ons ongetwijfeld aangerekend worden wanneer we eens God zullen ontmoeten.