De keuze van de rijke jongeling (2009)

Begroeting en Inleiding

Vandaag wil ik het met u hebben over Jef van Jan van den Echel. Jan van den Echel, zijn vader, is een redelijk welgestelde boer, die ook wat in graan handelt. Hij heeft het eerste stenen huis in een gehucht helemaal aan de andere kant van hetzelfde dorp waar ik ook vandaan kom (ik kom van de Pandhoeve, voor wie de streek kent). Jef is de zesde zoon van Jan van den Echel. In het officiële doopregister op de gemeente is hij op 3 januari 1840 door zijn nonkel ingeschreven als Jozef De Veuster, en we kennen hem allemaal als Pater Damiaan.

U had misschien gedacht om toch in deze kapel aan de Damiaangekte te ontsnappen, maar dat komt ervan als op een dag als vandaag iemand van Tremelo-Baal de woorddienst doet.

Nu moet ik zeggen dat ik van pater Damiaan eigenlijk niet zo veel meer afwist dan de doorsnee Vlaming. Het is wel zo dat Damiaan erg leeft bij mijn ouders thuis. Mijn vader geeft rondleidingen in het Damiaanmuseum en is op inleefreis geweest naar Hawaii en Molokai, waarvan hij met honderden verhalen terugkwam (en met strooien rokjes voor Eva en Katelijne, maar aloha). Maar verder had ik alleen maar de verhalen gehoord op mijn lagere school over "de apostel van de melaatsen".
En eigenlijk heb ik ook niet zo'n band met de traditionele heiligenverering, waarin een heilige iemand is waarrond zoveel mirakels zijn gebeurd, dat de kerk met vertrouwen kan constateren dat de man/vrouw in kwestie wel zeker rechtstreeks in contact staat met God zelf. Met alle respect voor dat beroep, maar dat geeft me toch de indruk dat we te maken hebben met een notarisklerk-kerk, die streepjes zet voor elke bewijs dat een heilige een rechtstreekse telefoonlijn met God heeft (1 streepje voor zalig, 2 voor heilig). En die bewijzen zijn dan gebeurtenissen die we wetenschappelijk niet kunnen verklaren. Alsof God diegene is die de gaatjes in onze wetenschappelijke kennis opvult.

Nee, eigenlijk kwam ik op het idee om over Damiaan te spreken en er wat meer rond te lezen, toen ik het evangelie voor vandaag las. Dat is het verhaal van de rijke jongeling. U weet wel, de man aan wie Jezus vraagt: verkoop al uw bezit, geef de opbrengst aan de armen en volg mij, en die daarop afdruipt, want dat is hem een stap te ver. Mijn idee was: kijk, dat is het zie: Damiaan die deed dat wel, die zei wel direct ja op de vraag van Jezus. Hij liet alles achter: de mastebossen en de Laak en de Dijle van zijn mooie Tremelo, zijn positie in deze wereld (zijn vader hoopte dat hij de zaak zou overnemen), zelfs zijn gezondheid; en hij gaf alles aan de armen.
Maar zo simpel is het niet. Door de brieven van Damiaan te lezen, een aantal biografieën, heb ik een ander beeld gekregen van Jef van Jan van den Echel, en ook een beetje een andere kijk op het verhaal van de rijke jongeling. Ik wil dat graag vandaag met u delen.

Openingsgebed

Niemand uit mensen geboren,
naamloos geworden, nergens gebleven,
werd ooit onvindbaar voor u.
Mensen onbestaanbaar geworden,
beroofd, onteigend,
bestaan voor u.
Slachtvee - mensen
verkocht, vermorzeld,
levende doden,
dood, begraven,
bestaan voor u.
En niets is niets voor u
en niemand, wie ook,
werd niemand voor u.
Wees Gij dan zo,
en voorbij al deze woorden
onspreekbaar meer
Of Gij zijt niets en niemand.

Evangelielezing: Marcus 10, 17-22

Bedenkingen bij het evangelie

"Goede meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?" Het antwoord van Jezus op deze vraag van de rijke jongeman, komt in twee stadia. Eerst is Jezus precies wat geïrriteerd door de vraag van de rijke jongeman. En hij geeft, een beetje kortaf en misschien zelfs achterdochtig (hij is al eerder op de rooster gelegd door de farizeeën, herinner u de strikvraag over het huwelijk van vorige week), zijn antwoord: volg de geboden die je kent uit je traditie.

De jongeman bevestigt: dat heb ik al mijn hele leven gedaan. En dan komt de tweede fase van het antwoord van Jezus, en het hele verhaal wordt plotseling door Marcus omgeven met emoties. Er komt een nieuwe dimensie in het verhaal: "Jezus keek hem vol liefde aan" staat er. Het tweede antwoord van Jezus stelt de jong man ook emotioneel duidelijk op de proef. Het antwoord is: geef alles weg, en volg mij. Met andere woorden: de wet volgen waardoor je leven in eeuwigheid vindt, is niet zomaar een notarisklerk-gebeuren: het grijpt in op je leven. De boodschap lijkt te zijn: vergis je niet: de regels van je traditie volgen, is een ingrijpende keuze. Als je erover doordenkt vraagt ze een diepe confrontatie met jezelf, zodat je uiteindelijk wezenlijk leeft volgens de kern van de wet. Alles weggeven is een radicale keuze, die de jongeman confronteert met zijn zelfgenoegzaamheid. Want het zou wel eens kunnen, dat hij zijn rijkdom beschouwt als een beloning van God voor zijn goede leven, en nu moet hij die afgeven... De man reageert ook emotioneel: "hij is bedroefd" zegt Marcus. Het appel ten diepste is te groot voor hem.

Als je je wat verder ingraaft in het leven van pater Damiaan kan je niet anders dan tot de conclusie komen dat Damiaan op het eerste antwoord van Jezus ook heeft gerepliceerd met "ik heb alle regels mooi gevolgd". Jef de Veuster is rond zijn achttiende helemaal opgegaan in het romantische missionaire leven van zijn tijd. Hij zou de kanaken en de negers, de goddelozen het heil en de verlossing brengen. In een avontuurlijke tocht zou hij het heil door de goddelijke boodschap brengen. Hij leeft in de visie op missionering van de eerste helft van de negentiende eeuw, die toen opnieuw opbloeide, de paternalistische visie die later verweven raakt met de kolonisering. Hij gaat naar "de wilden" om kerken te bouwen en zoveel mogelijk mensen te dopen en te bekeren. Damiaan is in zijn eerste missiepost in de Puna-streek op Hawaiï bekend als "Damiaan de doper", omdat hij zo fier is op zijn vele doopsels. En hij bouwt kerken bij de vleet, hij heeft nog bij de schrijnwerker van Ninde geholpen, hij kent iets van houtbewerking.

En Jef van Jan van den Echel was echt niet de modelheilige die we kennen uit de verhalen. Die verhalen willen dat Jef al in zijn jeugd godsvruchtig en vroom was, maar Damiaantje de Veuster was de schrik van meester Bols van Werchter, en geraakte door zijn roekeloze apestreken onder de wagenwielen van een grote kar (waardoor hij voortdurend last van zijn rug had, en bijna blind aan een oog). Hij was meer de Witte van Zichem, dan een zeemzoetig ventje, heb ik de indruk.

Die verhalen willen ook dat Jef heroïsch de plaats van zijn zieke broer, pater Pamfiel, inneemt om naar de missie te vertrekken. Maar Damiaan schrijft, overigens in een daad van insubordinatie rechtstreeks aan het hoofd van zijn orde "den overtocht is nu al betaald, het zou weggegooid geld zijn voor de orde als er niemand in de plaats van mijn broer ging". Zijn plaatselijke Leuvense overste is woest als hij dat verneemt.

De verhalen willen dat Jef naar de melaatsenkolonie gaat uit pure zelfopoffering, maar eigenlijk is Damiaan ontevreden met zijn eerste positie in de Puna-streek, omdat de eenzaamheid om alleen pastoor te zijn in een groot district zwaar weegt, en hij zes maanden te paard onderweg is om alle kerken van zijn streek te bezoeken. De eenzaamheid weegt zo zwaar dat hij aan zijn broer Pamfiel schrijft: "komt dan toch vlug, luierik!".

De verhalen willen dat Jef onvoorwaardelijk en zonder twijfel zijn leven opoffert voor de melaatsen. Maar Damiaan heeft veel getwijfeld. Damiaan zal zeker getwijfeld hebben als hij zelf lepra krijgt: hij heeft altijd gebeden dat hij niet ziek zou worden om zijn melaatsen te kunnen verzorgen, en toch wordt hij ook melaats: heeft God zijn gebed niet gehoord? En hij zal getwijfeld hebben, als een Duitse arts hem op vraag van zijn oversten komt onderzoeken of hij syfilis heeft. Want velen geloven dat lepra het laatste stadium van syfilis is, en ze verdenken Damiaan van ontucht. En hij zal getwijfeld hebben, als hij het kinderkoor van de zusters van Kaka'ako over lepra hoort zingen: "De Almachtige straffende hand stuurt een pijnlijke ziekte, maar in vertrouwen voelen we nog steeds. hoe Gods wraak met genade is gemengd". En getwijfeld heeft hij zeker, als zijn oversten hem verbieden op bezoek te komen, nog voor officieel melaatsheid bij hem is vastgesteld, of wanneer hij slecht kan opschieten met confraters, of wanneer hij blijft constateren dat zijn dorpsgenoten te veel drinken om de ellende te vergeten, of meedoen met bloederige traditionele rituelen.

Maar er is een ding dat hem ten diepste raakt. En dàt zorgt ervoor dat hij ja blijft zeggen op het appel van Jezus "geef alles weg", ondanks de twijfel. Hij ziet de ellende van de mensen. Hoe ze verstoten worden. Hoe ze om te beginnen uit hun familieclan, hun Ohana worden geïsoleerd, iets wat voor Hawaianen ondenkbaar is: familie helpt mekaar altijd. Hoe ze vervolgens uit de transportboot worden gegooid in de baai van Kalaupapa als ze weggevoerd zijn. Hoe de melaatse kinderen hun moeder missen, en niemand naar hen omkijkt. Hoe de melaatsen keer op keer razend worden als ze onrechtvaardig behandeld worden door een regering als dies soms, bijvoorbeeld, die soms "vergeet" om voedsel te sturen. Hoe de terminaal zieken letterlijk in een achterkot gegooid worden als ze stervende zijn, om de andere zieken niet te ontmoedigen. Dan komt zijn boerenreflex boven, die zegt: kom hier, dat ik u eens goed vastpak, dan gaat het wel beter gaan.

In de diepste confrontatie met zichzelf, in de confrontatie met zijn afkeer voor de stinkende zieken en hun gruwelijke wonden, komt zijn compassie met de mensen boven. Dan wil hij tot hun Ohana, hun Hawaiïaanse familieclan behoren. Als zijn bisschop kokhalzend wegloopt uit zijn kapel door de misvormde lichamen en de stank, is hij geraakt door een jongen van zestien die een aria van Mozart zingt, en zegt hij de volgende week in zijn preek "wij melaatsen". Door zelf ziek te worden groeit ook de solidariteit met de verstotenen. "Take care of my boys" vraagt hij op zijn sterfbed.

Ja zeggen op de vraag "volg mij" is niet simpel. Het is een langgerekt ja. Een proces van twijfel, van confrontatie met je diepste emoties en je diepste zelf. Maar uiteindelijk wel een ja. Een helend, heilzaam en heilig ja.

Slotbezinning

IX
Ik ging voorbij het goud. Ik ging de staking binnen.
Daar bleef de delicate draad die wezens verbindt bestaan,
daar was het zuivere lint van de mensheid levend.

De dood beet hen
goud, zure tanden en vergif vocht zich een weg naar hen toe
maar de mensen zetten hun vuurstenen in het deurgat,
zij waren een solidaire kluit, die
tederheid en gevecht liet vloeien
als twee evenwijdige waters,
draden van wortels, golven en bloedverwantschap

Ik zag de staking in de in elkaar gehaakte armen
die het wantrouwen verdrijven
en in een trillende pauze van gevecht
zag ik voor het eerste het enige levende.
De eenheid van de levens van de mensheid
In de keuken van het verzet
met hun arme fornuizen, in de ogen
van de vrouwen, in de nobele handen
die onhandig reiken naar de rust van de dag
als naar een onbekende blauwe zee
in de broederlijkheid van het magere brood
in de onbreekbare eenheid, in al
de zaadjes van stenen die opwellen
in die waardevolle granaatappel
oprijzen in het zout van de verlatenheid
Daar vond ik eindelijk het verloren fundament
de verre stad van tederheid.
(Pablo Neruda, Canto General: "De bloemen van Punitaqui", IX)