De ontmoeting in de tempel

Het kindsheidsevangelie is het meest joodse stuk in het evangelie van Lucas.

Hij brengt ons driemaal in Jeruzalem. In de tempel verneemt Zacharias de aankondiging van de geboorte van Johannes.

Veertig dagen na de geboorte gaan Jozef en Maria naar de tempel om het kind op te dragen en de voorschriften van de wet te vervullen.

Het kindsheidsevangelie sluit af bij de tocht van de ouders van Jezus met hun twaalfjarige zoon voor het jaarlijkse paasfeest.

Het is een vrome familie, trouw aan de joodse voorschriften.

In Jeruzalem

Met de blik op Jeruzalem in het kindsheidsevangelie raakt Lucas aan de betekenis van Jeruzalem in het leven van Jezus. Een voorname zin in zijn evangelie is deze waar Lucas de periode van het optreden van Jezus in Galilea afsluit met het bericht dat Jezus vastberaden zijn tocht aanvat naar Jeruzalem (Lc.9,51).

In de opbouw van het evangelie van Lucas heeft Jeruzalem een grote betekenis. Daar staat de tempel, daar aan de rand van de stad zal Jezus zijn leven eindigen. Daar verschijnt Jezus na zijn verrijzenis aan zijn leerlingen, daar in de buurt neemt hij afscheid van hen. Daar ontstond op het Pinksterfeest de dynamiek van de jonge kerk. Vandaar uit zullen de leerlingen gezonden worden.

In het kindsheidsevangelie krijgt Jerusalem als een soort voorafbeelding al een belangrijke plaats. Het kind wordt naar de tempel gebracht en wordt er herkend als het licht van de wereld. In en rond de tempel was er veel beweging. Wij krijgen nochtans maar vijf personen in beeld: een jonge vrouw met haar kind, een zorgzame man die hen begeleidt en twee bejaarde mensen, Simeon en Hannah. Was het toen al zoals nu dat het meestal oudere mensen zijn die naar de tempel en de kerk komen?

“De kerkelijke feestdag eraan herinnert dat Maria en Jozef Jezus naar de tempel brachten "om Hem aan de Heer op te dragen" (Lc. 2, 22). In dit tafereel uit het Evangelie wordt het geheim onthuld van Christus, de gewijde van de Vader, die in de wereld is gekomen om getrouw Gods wil te vervullen.

Simeon duidt Hem aan als "een licht dat voor de heidenen straalt" (Lc. 2, 32). Hij voorzegt met profetische woorden het verheven offer van Jezus aan de Vader en zijn uiteindelijke overwinning” (Paus Johannes Paulus II).

 

Simeon met het kind

Het is vooral de foto van Simeon met het kind in zijn armen die opvalt. Wij krijgen de woorden te horen, die hij heeft gesproken: een gebed en een voorspelling. Woorden van dank omdat in vervulling is gegaan wat hij als gelovige man verwachtte.

                  

Het samengaan van oud en jong is steeds ontroerend. Vier geslachten, ze zijn geen uitzondering meer. Ze waren vroeger eerder zeldzaam en hun foto kwam in de krant. Ouders, grootouders en overgrootouders kijken dankbaar naar het nieuwe jonge leven.

Ik hoor, ik zie mijn kinderen,

mijn kleinkinderen,

mijn achterkleinkinderen.

Ik praat met hen, speel met hen,

wandel met hen.

En is er een gedachte

die mij niet loslaat.

De gedachte dat ze nog zovele jaren

zullen leven,

als ik alleen nog een verre,

een vage herinnering ben.

Pol Van Haverbeke

Een oudere generatie kan moeite hebben om los te laten en door te geven. Een generatie die volgt kan hen vanuit hun eigen overmoed afschrijven en veroordelen. Ze zal op haar beurt door volgende generaties beoordeeld worden.

Het Bijbelverhaal van lichtmis is doordrongen van de vreugde om Jezus, om het licht dat is gekomen. Simeon spreekt niet vanuit een levensmoeheid, maar vanuit een vervulling.

Een bejaarde dame

Naast hem is Hannah aanwezig, die eveneens met vreugde het kind begroet.

Zij was hoogbejaard en al veel jaren weduwe en verbonden met de tempel. Zij heeft wellicht vaak gedacht aan het woord van psalm 90: “De levensloop van een mens is zeventig en als we heel sterk zijn tachtig.”

De dagen onzer jaren,

daarin gaan zeventig jaar,

tachtig als we sterk zijn

en het meeste daarvan

is moeite en verdriet,

want snel wordt het afgesneden,

wij vliegen heen.


Haar dagen waren gevuld. Zij leefde als godgewijde in de tempel. Wanneer ze het kind heeft gezien, zal ze dit goede nieuws verkondigen.

Simeon en Hannah, ze waren mensen van hoop en dragen deze hoop uit. Hoogbejaarden zijn in dit tafereel boodschappers van vreugde. Simeon kan tevreden zeggen: “Heer laat nu uw dienaar gaan, want mijn ogen hebben uw Heil aanschouwd." Zijn gebed is opgenomen als kerkelijk avondgebed. Wij mogen de dag met vertrouwen afsluiten.

Niet elke bejaarde ziet het zo vredevol. Hun laatste jaren kunnen soms getekend zijn door veel ontgoocheling. Het leven is niet geweest wat ze ervan verwacht hadden. Ze hebben zelf niet alles gegeven wat ze hadden kunnen geven. Er kan pijn zijn om wat er niet meer is. Ze hebben kerken zien bouwen en afbreken. Ze hebben geijverd voor solidariteit en lijden onder een cultuur van elk voor zich. Mensen maken soms een onderscheid tussen bejaard en oud, tussen âgé et vieux. De eerste zou nog plannen en dromen, de tweede niet?

In het vicariaat Brussel van het aartsbisdom Mechelen-Brussel is het fonds Syméon opgericht ter ondersteuning van een sociale dienst bij oudere priesters.

Simeon kijkt naar de toekomst van het kind en voorspelt wat met Jezus en zijn moeder zal gebeuren. Of Lucas legt hem in de mond wat inderdaad met Jezus is gebeurd. Jezus, een teken van tegenspraak. Mensen hebben hem gevolgd en andere hebben hem vervolgd. Jezus blijft mensen boeien en er zijn er die van hem niet moeten weten, misschien uit ontgoocheling in hen die zijn naam hebben misbruikt. In het spoor van Simeon zou elk van ons een gebed kunnen opstellen met daarin klanken zowel van bezorgdheid als van overgave. Moge het vooral een dankgebed zijn.

Moeder van smarten

De weg van Jezus is niet gemakkelijk geweest. Maria, zijn moeder heeft eronder geleden. Zij is zelf moeten groeien in geloof in haar zoon. De familie maakte zich zorgen om Jezus. “Zijn familie, die over hem gehoord had, ging erop uit om Hem in bedwang te houden; want ze zeiden dat hij zichzelf niet meer was” (Mc. 3,20-21). Jezus antwoordt met een vraag: “Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?” (Mt. 12,48). En hij vervolgt: “Wie naar het Woord van God luisteren en ernaar handelen, zij zijn mijn moeder en mijn broers” (Lc.8.21. Bij Marcus luidt het antwoord: “Al wie de wil van mijn Vader doet, hij is mijn broeder, zuster en moeder” (Mc. 3,35).

Volgens de evangelist Johannes is Maria in Jeruzalem wanneer Jezus gekruisigd wordt (Joh. 19, 25). Ze staat onder het kruis. Zij die als jonge moeder haar kind naar de tempel bracht, ontvangt zijn dode lichaam wanneer hij op Goede Vrijdag van het kruis wordt afgenomen. Zij werd de mater dolorosa, de moeder van smarten, wanneer zij als piëta het dode lichaam in haar schoot opneemt.

Het licht in onze handen

Op het feest van Maria Lichtmis wordt ons licht aangereikt. Maria is de moeder van het licht. Als moeder van Jezus noemen we haar zetel van de wijsheid. De kaars verwijst naar Jezus. Hij is het licht dat in de wereld komt. Lichtmis heeft een blije kant. Het licht wordt ons toevertrouwd. Wij groeten het vriendelijk licht en bidden dat het in ons mag blijven branden.

“Wij hebben nooit een dienst gevierd zonder kaarsen”, zegt Tertullianus (2e eeuw), “en we gebruiken ze niet enkel om de duisternis van de nacht te verjagen; we vieren ook diensten bij daglicht. Maar we hebben de bedoeling met deze brandende kaarsen Christus voor te stellen, het Ongeschapen licht, in het welke wij wandelen, zowel bij volle dag als bij duisternis”

“In alle Oosterse Kerken” schrijft de Zalige Hieronimus in de 4e eeuw, “worden kaarsen aangestoken, zelfs bij volle dag, op het ogenblik waarop men aanvangt met het lezen van het Evangelie. Niet om de duisternis te verjagen, maar als teken van vreugde…” Om in dit licht het licht terug te vinden waarvan sprake is in de psalm (119,105): “Uw woord is een lamp aan mijn voeten en een licht op mijn weg.”

“De waaklichtjes en de kaarsen stellen het Eeuwige Licht voor en eveneens het licht dat de rechtvaardigen omstraalt”, zegt de Heilige Sophronios, Patriarch van Jeruzalem (7e eeuw). (Orthodoxe informatiebron).