Opdracht van de Heer A - 2011

'Dit zegt de Heer: Ik zend mijn gezant voor Mij uit om voor Mij de weg te banen. En aanstonds treedt dan de Heer zijn heiligdom binnen, de Heer die gij zoekt, de engel van het verbond, naar wie gij verlangend uitziet. Let wel, Hij komt, zegt de Heer van de legerscharen.'

Je hebt het herkend, zusters en broeders, ik las het begin van de eerste lezing. We zijn in de vijfde eeuw voor Christus, de Israëlieten zijn teruggekeerd uit de ballingschap, maar leven onder de heerschappij van de Perzen. De tempel is heropgebouwd, en nu wachten ze op de komst van de Heer. En omdat Hij maar niet komt, zijn ze teleurgesteld, hun geloof vervaagt en het priesterschap verdampt. Dus doet de profeet Maleachi zijn best om hen te sterken, moed te geven, tot het ware geloof terug te brengen. Wees er maar zeker van dat de Heer komt, zegt hij. Alleen, hij zegt er niet bij wanneer, en dat kan hij natuurlijk ook niet. Wat hij wél kan, is zeggen is dat ze niet mogen opgeven, dat ze moeten blijven wachten op de komst van de Heer.

Wachten op de komst van de Heer, dat is precies wat Simeon en Hanna in het evangelie ook hebben gedaan. Wachten, hun hele leven lang. Maar hun wachten was geen ongedurig, hebberig wachten zoals dat van de Israëlieten ten tijde van Maleachi. Een wachten als op de trein die weer eens te laat is. Of aan de kassa van het warenhuis, of op onze beurt bij de dokter. Een wachten dat maar blijft duren. We kennen het allemaal, dat ongedurig, dwingend wachten op iets wat móét komen. Maar zo was het wachten van Simeon en Hanna niet. Hun wachten was veeleer verwachten in plaats van wachten. Hun hele leven hadden ze uitgezien naar het moment waarop ze konden zeggen: 'Uw dienaar, Heer, laat Gij nu in vrede gaan, want mijn ogen hebben het licht gezien dat gij voor de mens wilt zijn.' Het klinkt heel sereen, en heel dankbaar, maar hoeveel geduld schuilt erachter? En tegen welke twijfel hebben ze moeten vechten? Hoe dikwijls is hun geloof op de proef gesteld, hoe dikwijls haalde de moedeloosheid het van de hoop? Maar ze gaven niet op, ze bleven wachten. Nee, ze bleven verwachten en nu wordt hun verwachting ingelost.

Misschien moeten we dat ook leren: ons wachten omvormen tot verwachten, met geduld, met geloof en hoop. Ik weet het, verwachten is niet van deze tijd. Mensen willen iets, en dat iets moet onmiddellijk ingevuld worden. Nu! Niet morgen, maar nu! En als dat niet kan, voelen we ons gefrustreerd, tekortgedaan, benadeeld, noem maar op. En dat is spijtig, want door onze haast geven we het geluk van het verlangen op. Ik denk dat het de Vlaamse auteur Stijn Streuvels was die in een van zijn werken schreef: Het verlangen naar iets geeft meer geluk dan het bezit van dat iets. Ik denk dat dit waar is. Want als je iets bezit, krijg je ook te maken met de beperkingen en de nadelen ervan. Als je er evenwel naar verlangt, kun je er nog van dromen, en die dromen worden niet stukgeslagen door de werkelijkheid van 'Is het maar dat? En ik had me er zoveel bij voorgesteld.'

Uit de eerste lezing onthouden we dat het wachten van de joden geen verwachten geworden is. Het was en het bleef een ongedurig, hebberig wachten. Het gevolg was dat ze, toen de Heer in de persoon van Jezus onder hen kwam, ze Hem niet erkenden noch herkenden. Integendeel, ze verwierpen en vermoordden Hem. Laat dat niet ons deel zijn, maar laten we zijn als Simeon en Hanna in het evangelie. Zij erkenden en herkenden wél het licht van de Heer. Mocht dit ook voor ons zo zijn: dat we het licht van de Heer zouden erkennen en herkennen, en dat het over de wereld en over ons zou komen. Over de wereld, die vruchteloos op zoek is naar de vrede en de eenheid die nodig zijn om de immense problemen van armoede, ongelijkheid, uitbuiting, milieu en terrorisme aan te pakken. Over ons, die op zoek zijn naar geloof en bevestiging, naar moed en volharding. Misschien kunnen we ondertussen zelf al proberen licht te zijn voor onszelf, onze kinderen, onze omgeving, onze wereld. Licht van God in deze donkere tijd. Jezus zegt: 'Steek uw lamp niet onder de korenmaat, maar zet ze op een standaard, zodat ze licht geeft voor ieder die in huis is.' Wel, laten we dat proberen: licht zijn van geloof, van hoop, van liefde, van vrede. Amen.