Kerstavond (2006)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 538 niet laden

In een klein dorpje in Engeland heeft de pastoor dit jaar rond zijn kerk een kopie gebouwd van de veiligheidsmuur, die de Israëlische regering heeft opgetrokken rond Bethlehem. Die muur bedreigt letterlijk het voortbestaan van Bethlehem, vindt de pastoor, en met foto's op zijn namaak-muur vestigt hij de aandacht op de onmogelijke leefsituatie van de bevolking. 'Die muur heeft invloed op alle aspecten van hun leven: vrienden en familieleden worden van elkaar gescheiden, het wordt steeds moeilijker om in je levensonderhoud te voorzien, en toegang tot medische verzorging is uiterst beperkt. En dat allemaal in Bethlehem, waarover we zingen in onze kerstliederen.'
De situatie van Bethlehem nu laat zien dat het letterlijk moeilijk geworden is om toegang te krijgen tot de plek waar Jezus geboren werd. Maar het is tegelijkertijd een symbool van onze tijd, waarin het steeds moeilijker lijkt om figuurlijk toegang te krijgen tot de plek waar God geboren wil worden. Voor veel mensen staan er letterlijke en figuurlijke muren rond de kribbe. Ze zijn de weg kwijt naar de stal, of ze hebben geen weet meer van dat onooglijke echtpaar in die uithoek van het Romeinse rijk, voor wie er geen plaats meer was in de herberg. Ze weten niet meer bij welke kerk of geloofsgemeenschap ze onderdak kunnen vinden, maar ze hebben nog duidelijk hunkeringen naar iets van God. 'Loslopende spirituelen' heeft iemand dit soort mensen deze week genoemd.
Toch is Kerstmis, en met name de nachtmis, een uitgelezen moment om op zoek te gaan naar de hulpeloze Verlosser in de kribbe. Er is geen nacht in het jaar waar zoveel mensen oprecht zoeken naar warmte, geborgenheid en gezamenlijkheid. Veel eenpitters willen uiteindelijk ergens bijhoren, en zoeken onderdak, desnoods in een stal met een os en een ezel, met schapen en stinkende herders. Dat wordt steeds duidelijker, en staat nu ook zwart op wit in het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, dat begin deze week uitkwam. Daarin staat onder meer te lezen: 'Religieuze tradities zijn niet alleen noodzakelijk om een antwoord te vinden op zingevingsvragen, maar vormen ook een culturele humuslaag voor morele waarden, in het bijzonder maatschappelijke solidariteit.' En twee weken tevoren had het Sociaal en Cultureel Planbureau al geconcludeerd: 'Nederlanders gaan minder vaak naar de kerk, maar laten religie niet links liggen. Steeds meer mensen kiezen voor de opgewekte, optimistische kanten van religie: het vertrouwen in menselijke mogelijkheden, de zinvolheid van gebed, leven na de dood. Deze alternatieve gelovigen zijn waarschijnlijk niet minder sociaal bewogen dan de ouderwetse kerkgangers.'
Hoe krijgt God weer een kans in ons leven? Op die vraag is misschien wel het beste antwoord: door te geloven, dat God niet uit de lucht komt vallen. God laat zich horen en komt tevoorschijn in ons midden, in onze concrete situatie. Daarvan is het kerstverhaal het meest aansprekende bewijs. God is niet ongenaakbaar ver weg. God is niet de directeur van een marionettentheater naar wiens pijpen wij moeten dansen. God is niet de hoogverheven albeheerser die willekeurig omspringt met menselijke levens. God is ons nabij zoals een baby in je armen, zoals een kind op je schoot, zoals een partner aan je zij. God zoekt naar ons zonder ophouden, hij klopt aan onze deur, hij fluistert in onze oren, hij zingt onder ons raam, hij staat ons op te wachten in het donker. Wie reageert zal God ontmoeten, oog in oog, en misschien wel eerder dan je denkt.

Precies zeventig jaar geleden publiceerde de dichter Ed Hoornik een lang gedicht, getiteld &Kerstmis in Amsterdam&. Ik lees daar een groot stuk uit voor:

Van de Westertoren tot de wolkenkrabber,
riepen de klokken de nachtstad wakker.

Toen zijn de mensen kerkwaarts gegaan
in de wintertijd bij een watermaan,

in de vlagende kou met gebogen ruggen,
over de krakende ijzel der hoge bruggen;

en zelfs de zwerver in zijn lompenpak
hief zijn hoofd naar de dieren en de voederbak.

Want elk jaar opnieuw vloeien vreugde en smart
in de witte bloem van een kinderhart.

Nu kom ook ik voor uw kribbe staan,
- het ene kind kijkt het andere aan -

en diep in mijn ogen brandt Amsterdam
met de rode lichten van de Munt en de Dam.

Nu vind ik u arm en van alles ontdaan,
net als de kinderen van de Jordaan,

in een bedstee geboren bij wastobbedamp,
en het zieke licht van een olielamp.

O, Kind, dat geen wieg en geen warmte had,
kom dicht aan het hart van deze donkere stad. [...]

O, Kind, aan de wereld als Verlosser beloofd,
de stad vergaat aan mijn doodziek hoofd.

Boven de kazernes in plan-Oost brandt een ster,
maar Bethlehem en de herders zijn ver.

De herders hadden een droom en een lied,
wij hebben niets dan ons dagelijks verdriet...

Hoog gloeien de lichten op de Munt en de Dam,
maar een kind dwaalt verloren door Amsterdam.

Hoeveel is er veranderd sinds Hoornik dit gedicht in 1936 schreef? Het klimaat in elk geval, wij hebben geen wintertijd met krakende ijzel meer. Maar verder? Er dwalen nog steeds kinderen verloren door Amsterdam. Soms zijn wij het zelf, soms zijn het anderen. Als wij het kind Jezus hebben gevonden, is het tijd om engel te worden: een boodschapper van goed nieuws, iemand die zingt over vrede op aarde en dat zelf in praktijk brengt. Engelen vliegen niet hoog boven ons hoofd in de hemel. Engelen zijn ook maar mensen. Elk van ons kan zo'n engel zijn, niet zwevend los van de realiteit, maar met de voeten op de grond, met een glimlach om de mond, en geraakt door het wonder van de geboorte van God in ons midden. Met die uitnodiging en die uitdaging mogen we het doen vannacht, en in de dagen die komen gaan.